ECLI:NL:RBOBR:2020:838
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
- 2020-02-14
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met twee jaar en zeven maanden en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn toe tot een bedrag van € 3.000,-. De beoordeling door de Unit 1(F) van de IND van 13 mei 2013, de brief van de Hoofdofficier van Justitie van het Landelijk Parket van 12 maart 2015 en het individuele ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 augustus 2016 bevatten, ook in onderlinge samenhang, voldoende informatie om tot de conclusie te komen dat verweerder heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vlv). Omdat eiser zowel bij zijn asiel- als bij zijn naturalisatieverzoek zijn betrokkenheid voorafgaand aan en tijdens de genocide in Rwanda in 1994 heeft verzwegen waarvan hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat dit van belang was voor de beoordeling van zijn asiel- en naturalisatieverzoek, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat hij essentiële informatie achtergehouden die ertoe zou hebben geleid dat hem een verblijfsvergunning zou zijn onthouden op grond van artikel 1(F) Vlv, als deze informatie bekend zou zijn geweest. Ook zou hij niet in aanmerking zijn gekomen voor verlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Eiser heeft geen contra expertise overgelegd. Hij heeft ook geen andere stukken ingediend waaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van de onderzoeksresultaten. Evenmin is sprake van de situatie dat de motivering van het individueel ambtsbericht op zich voldoende twijfel oproept om aan de conclusie te twijfelen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om op verzoek van eiser om ter beslechting van het geschil een onafhankelijke deskundige te benoemen. Eiser stelt dat de procedure tot intrekking van het Nederlanderschap hem en zijn kinderen emotioneel, psychisch en financieel zwaar heeft belast. Desondanks heeft verweerder, gelet op de ernst van het verzwijgen van eiser van zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda en de ernstige verdenking inzake artikel 1(F) Vlv, kunnen overwegen dat het belang van de Nederlandse Staat moet prevaleren boven het behoud van eisers Nederlanderschap. Omdat het beroep dus voor het overige ongegrond is, bepaalt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat eiser zijn Nederlanderschap verliest.
Materiële kern
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 18/2181 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2020 in de zaak tussen [naam] , geboren op [geboortedag] 1955 en wonend in [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. C.M. Buisman), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (dan wel diens rechtsvoorganger de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie), verweerder, (gemachtigde: mr. M.M. van Asperen). Procesverloop Bij besluit van 22 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken. Hiertegen heeft eiser op 10 februari 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 5 november 2014 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij besluit van 29 oktober 2015 dit besluit op bezwaar ingetrokken. Bij besluit op bezwaar van 21 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 30 oktober 2017 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 17/2957. Ook heeft hij op 3 december 2017 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 22 december 2017 (SHE 17/3289) is dit verzoek toegewezen. Op 20 maart 2018 heeft de zitting in de beroepsprocedure SHE 17/2957 plaatsgevonden. Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 1 mei 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:2067) is dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser op 25 mei 2018 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2865) is dit hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank in zaaknummer SHE 17/2957 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. De zaak is vervolgens door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 18/2181. Verweerder heeft op 20 augustus 2019 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 augustus 2019 heeft de rechtbank bij de minister van Buitenlandse Zaken de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan het bij de besluitvorming betrokken individuele ambtsbericht van 31 augustus 2016 (kenmerk: KIG151102.0062). De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 3 september 2019 de onderliggende stukken bij het individueel ambtsbericht overgelegd. Ten aanzien van de ongeschoonde versie heeft de minister van Buitenlandse Zaken met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om beperkte kennisgeving vanwege bescherming van geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden. Bij beslissing van 20 september 2019 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van deze rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Partijen hebben bij brieven van 23 september 2019 en 30 september 2019 de rechtbank toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb om mede op grondslag van de vertrouwelijke gedeelten van de overgelegde onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht uitspraak te doen. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend bij brieven van 15, 16 en 17 oktober 2019 en bij telefax van 28 oktober 2019. Eiser heeft bij de brief van 15 oktober 2019 verzocht om benoeming van een deskundige. Verweerder heeft bij brief van 17 oktober 2019 afwijzing van dit verzoek bepleit. Bij de brief van 16 oktober 2019 heeft eiser verzocht om het horen van twee getuigen op zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2019. Eiser is naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tijdens de zitting zijn als getuigen gehoord [naam] , wonend in [woonplaats] en [naam] , wonend in [woonplaats] . Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Eiser is geboren in Birembo, Rwanda. Hij behoort tot de Hutu‑bevolkingsgroep. In december 1994 heeft eiser Rwanda verlaten en is hij naar de Democratische Republiek Congo (DRC) gevlucht, waar hij in het kamp Mugunga verbleef. In februari 1995 is eiser aangehouden in Kisoro, Oeganda en heeft hij anderhalve maand vastgezeten. Na omkoping is eiser vrijgelaten en teruggekeerd naar het kamp Mugunga, waar hij heeft verbleven totdat hij in december 1995 naar zijn oom in Massisi in de DRC is vertrokken. In juni/juli 1998 is eiser naar Nairobi in Kenia vertrokken. Na een maand is hij van Nairobi naar Malaba in Kenia gereisd, waar eiser heeft verbleven totdat hij op 18 januari 1999 terugkeerde in Nairobi om vervolgens via Zambia of Zimbabwe per vliegtuig naar Nederland te reizen. In de nacht van 21 op 22 januari 1999 is eiser in Nederland aangekomen. 2. Eiser heeft op 22 januari 1999 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft verweerder besloten deze aanvraag niet in te willigen. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar van 9 november 2000 heeft verweerder bij besluit van 19 oktober 2001 gegrond verklaard en daarbij is aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend, met ingang van 22 januari 1999, geldig tot 22 januari 2002. Nadien is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. 3. Eiser heeft op 9 november 2004 in de gemeente Bernheze een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend. Daarbij heeft eiser schriftelijk verklaard dat hij de gegevens die nodig zijn voor het nemen van een beslissing op dit naturalisatieverzoek naar waarheid heeft verstrekt. Ook heeft verzoeker verklaard zich ervan bewust te zijn dat het verstrekken van onjuiste gegevens of verzwijgen van relevante gegevens kan leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt. Bij Koninklijk Besluit van 11 september 2006 (nummer 06003186) is aan eiser het Nederlanderschap verleend. 4. Op 21 augustus 2013 heeft verweerder eiser geïnformeerd over het voornemen om het besluit van 11 september 2006, waarbij aan hem het Nederlanderschap is verleend, in te trekken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op 7 oktober 2013 en 4 december 2013 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt. Bij het primaire besluit heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken. Verweerder heeft op 29 oktober 2015 aan de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om aanvullend onderzoek in te stellen en de resultaten daarvan zijn neergelegd in een individueel ambtsbericht van 31 augustus 2016. Eiser is op 16 mei 2017 gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit en de overwegingen waarop dat rust 5. Verweerder heeft het Nederlanderschap van eiser ingetrokken omdat hij tijdens zijn toelatings- en naturalisatieprocedure een relevant feit, namelijk zijn rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide, heeft verzwegen waarvan hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat dit van belang was voor de beoordeling van zijn naturalisatieverzoek. Daarmee heeft eiser volgens verweerder essentiële informatie achtergehouden die, als deze informatie bekend zou zijn geweest, ertoe zou hebben geleid dat hem een verblijfsvergunning zou zijn onthouden op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (Vlv) en zou hij ook op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet in aanmerking zijn gekomen voor verlening van het Nederlanderschap. 6. De Unit 1(F) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft naar aanleiding van publicaties in The New Times (' Three genocide fugitives located in The Netherlands ') en in De Pers ('Ze proberen me te destabiliseren') op 14 augustus 2011 (ook gepubliceerd op de internetsite van journalist Arnold Karstens op 16 augustus 2011 onder de titel 'Ik heb nooit een dode gezien') onderzoek ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van eiser bij de genocide in Rwanda. De Unit 1(F) heeft op 13 mei 2013 een uitvoerige beoordeling uitgebracht en geconcludeerd dat en waarom er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt dan wel verantwoordelijk is te houden voor één of meerdere gedragingen als genoemd in artikel 1(F) Vlv. 7. Volgens verweerder bestaan er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk is voor een of meerdere gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vlv. Verweerder maakt uit het onderzoek van de Unit 1(F) op dat eiser in verband moet worden gebracht met het aansturen en faciliteren van Hutu-milities, het voorbereiden van aanvallen, het doden en het opdracht geven tot het doden van Tutsiburgers. Nu die handelingen plaatsvonden tijdens de Rwandese genocide in 1994, is daarmee volgens verweerder sprake van genocide als bedoeld in artikel II van het Genocideverdrag. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar verschillende rapporten van niet‑gouvernementele organisaties (NGO's), zoals het rapport van Human Rights Watch (HRW) van maart 1999 met de onderzoeksresultaten van Alison Des Forges, getiteld: " Leave none to tell the story: Genocide in Rwanda ", waaruit blijkt dat in Rwanda de slachtpartijen in april 1994 systematisch zijn voorbereid, de uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank 's‑Gravenhage van 23 maart 2009 (ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444), waarin een kort exposé wordt gegeven van de (politiek)historische achtergrond van het drama dat zich in de periode van 6 april tot midden juli 1994 in Rwanda voltrok, de uitspraak van de Trial Chamber van het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICRT in de zaak Kayishema & Ruzindana (ICRT-95-1-T, rechtsoverweging 289-291), waarin – samengevat – wordt overwogen: " that the massacres of the Tutsi population indeed were meticulously planned and systematically coordinated by the top level Hutu extremists in the former Rwandan government at the time in question" en de trial Chamber " in light of this evidence finds a plan of genocide existed and perpetrators executed this plan in Rwanda between april and June 1994 ". 8. Verweerder verwijst verder naar de Belgische Parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda. Voor deze parlementaire onderzoekscommissie hebben vele getuigen, zoals [naam] (Ph.D. Professor Emeritus of the Department of Political Science at the University of Florida), verklaard dat zij ervan overtuigd waren dat de genocide gepland werd in bepaalde structuren. 9. Verweerder heeft onderscheid gemaakt tussen informatie over de persoon en achtergrond van eiser en zijn positie in de Rwandese samenleving voorafgaand aan en ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994 enerzijds en de specifieke gedragingen die ten grondslag zijn gelegd aan de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv anderzijds. Zo heeft verweerder voor het algemene beeld van eiser zijn rol of positie binnen de Mouvement Republicain National pour la Développement, MRND, vanaf april 1991 de Mouvement Republicain National pour la Démocratie et le Développement, MRNDD), de Akazu en de Hutu-Power (RTLM en Kangura) onderzocht. Verder heeft verweerder ter bevestiging van de conclusies en bevindingen van zowel het algemene beeld van eiser als voor de concrete handelingen aanvullend onderzoek laten verrichten. Het aanvullend onderzoek dat verweerder heeft laten uitvoeren heeft geresulteerd in: een brief van de Hoofdofficier van Justitie in Rotterdam, werkzaam bij het Landelijke Parket, van 12 maart 2015; en een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 31 augustus 2016. 10. Uit de brief van de Hoofdofficier van 12 maart 2015 blijkt dat eiser volgens getuigenverklaringen heeft deelgenomen aan een of meer vergaderingen waarbij genocide in zijn woonomgeving werd voorbereid en bevorderd of waarin werd opgeroepen tot het plegen van genocide, alsook dat hij tijdens de genocide opdrachten heeft gegeven om Tutsi's te doden, leiding heeft gegeven aan de regionale Interahamwe en een auto ter beschikking heeft gesteld aan de Interahamwe om Tutsi's te doden. 11. In het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2016 is, samengevat, vermeld dat: Eiser in de periode 1989-1994 directeur was van het ISAE, en dat hij van 1988 tot 1994 een belangrijke positie heeft bekleed en een invloedrijke figuur was binnen de MRND; Eiser tot de Akazu behoorde, een groep van Hutu-extremisten rond president Habyarimana die voornamelijk via de media haat tegen Tutsi's verspreidde met de intentie om aan te zetten tot massamoord en op die wijze het meesterbrein van de genocide vormde. Eiser overtuigd aanhanger was van de Hutu-power ideologie; Eiser medeoprichter en aandeelhouder was van het radiostation RTLM en de krant Kangura; Eiser deelnam aan bijeenkomsten gericht op het plannen van de moorden op Tutsi's en het propageren van de Hutu-power ideologie onder de bevolking in het algemeen en Hutu-milities in het bijzonder; Eiser betrokken was bij de organisatie van de moorden op Tutsi's; Eiser leiding gaf aan politieke en militaire activiteiten op het terrein van de ISAE, waaronder bijeenkomsten voor het voorbereiden en plannen van doden van Tutsi's; Eiser bekend stond om zijn steun aan milities, die hij gaf door middel van organisatie, administratieve en financiële zaken en het voorzien van voertuigen en bier (voor na de moordpartijen); Eiser zich bezighield met het opzetten, mobiliseren en organiseren van de militie van het ISAE, de Amahindura; Eiser milities faciliteerde bij het verkrijgen van wapens, voedsel en voertuigen voorafgaand aan en tijdens de genocide van 1991 tot 1994; Eiser direct bevel had over de Amahindura milities, die in de periode 1991-1994 tot taak had het opsporen en vermoorden van tegenstanders van het regime van president Habyarimana en het doden van Tutsi's, en afhankelijk van de orders van eiser en [naam] een sleutelrol had bij het doden van Tutsi's op het terrein van het ISAE en andere plaatsen in de Mukingo commune; Eiser op 7 april 1994 deelnam aan een vergadering in het huis van de moeder van [naam] waarin de start en uitvoering van het doden van Tutsi's in de Mukingo commune werd voorbereid. Daarna eiser samen met [naam] en [naam] het bevel gaf tot het starten van de moorden op de Tutsi's en dat hij daarna het directe bevel gaf tot het doden van verschillende specifieke families en personen; Eiser persoonlijk het bevel gaf voor het doden van Tutsi's in Busogo (dicht bij het ISAE), de Mukera barakken en op andere plekken in de Mukingo commune; Eiser ISAE-personeel en studenten regelde voor het doden van Tutsi's op het terrein van het ISAE en in de omgeving; Eiser ten behoeve van het doden van Tutsi's wegversperringen opzette bij het ISAE‑complex vanaf 6 april 1994 bij het Busogo sector office bij een plek die de 'memorial' werd genoemd en op een plek die Nyirantarengwa werd genoemd; Eiser voertuigen aan de milities beschikbaar stelde voor het uitvoeren van patrouilles, huis aan huis doorzoekingen en moorden, met name in 'Rwanken'; Eiser de gevolgen van zijn acties begreep en hij op de moordplaatsen aanwezig was tijdens het doden van Tutsi's; Eiser is aangeklaagd door de openbaar aanklager van Rwanda wegens het plannen, organiseren en uitvoeren van het doden van Tutsi's als onderdeel van de genocide, maar dat hij nog niet bij verstek is veroordeeld. 12. Naar de mening van verweerder bevestigen en versterken de resultaten van het aanvullend onderzoek de overtuiging dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk is voor ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) Vlv. 13. Volgens verweerder is op grond van de onderzoeksresultaten de conclusie gewettigd dat sprake is van knowing participation als bedoeld in paragraaf C2/7.10.2.4, onder c, Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Uit de onderzoeksresultaten komt immers naar voren dat eiser als directeur de leiding had over het ISAE in Busogo, dat hij (langdurig) lid was van (het Congres Préfectoral van) de MRND, aandeelhouder was van de Radio Télévision Libre des Mille Collines, RTLM), actief was betrokken bij de krant Kangura en dat hij milities (mede) heeft gefinancierd, zodat eiser wist en heeft gestimuleerd dat in zijn directe omgeving ernstige misdrijven zijn gepleegd of gepleegd moesten worden. Gelet hierop is eiser betrokken geweest bij de voorbereiding en de planning van de genocide in Rwanda in juli 1994, aldus verweerder. Tevens is uit het onderzoek gebleken dat door extremistische elementen binnen de MRND gewapende milities zijn opgezet, zoals de Amahindura, in de regio Nkuli en Mukingo, en dat eiser als medeoprichter en financier van deze militie, onder welke naam de Interahamwe en Impuzamugambi hebben samengewerkt, verantwoordelijk is geweest voor het doden van Tutsi's in Rwanda. In de uitspraak van het ICRT in de zaak Akayesu van 2 september 1998 (ICRT-96-4‑T) is geoordeeld dat de Tutsi bevolkingsgroep wat betreft etniciteit voldoet aan de criteria van het Genocideverdrag voor het genocidale oogmerk om een groep als zodanig geheel of gedeeltelijk uit te roeien. Gebleken is dat in de periode april-juni 1994 naar schatting 800.000 Rwandezen zijn gedood. Het oogmerk van de vernietiging van de Tutsi-bevolkingsgroep in Rwanda blijkt uit de systematische onderdrukking van die bevolkingsgroep, het zeer grote aantal dodelijke Tutsi slachtoffers (waaronder vrouwen en kinderen) als gevolg van aanvallen en massa-executies en uitlatingen van Hutu-extremisten waaruit de minachting voor Tutsi's naar voren komt. 14. Verweerder houdt eiser ook verantwoordelijk voor medeplichtigheid aan genocide. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser wist dat dit misdrijf onderdeel was van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. De gewapende milities en de extremistische elementen binnen de MRND zijn actief betrokken geweest bij de georganiseerde moordcampagne tegen Tutsi's en gematigde Hutu's. Deze moorden hadden een systematisch karakter en werden op het hoogste niveau voorbereid en goedgekeurd. Gelet op zijn diverse functies behoorde eiser tot deze hoogste kringen, aldus verweerder. Daarbij vindt verweerder van belang dat uit onderzoek is gebleken dat eiser de moordpartijen heeft gestimuleerd. Verweerder concludeert daarom dat eiser medeplichtig is aan het plegen van genocide en dit misdrijf direct heeft gefaciliteerd. Het handelen en nalaten van eiser heeft in wezenlijke mate ertoe bijgedragen dat in de periode april-juli 1994 in Rwanda een bloedbad is aangericht. Ook bestaan er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich met een faciliterende rol schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf genocide, zoals omschreven artikel 3 van het Genocideverdrag door de haatmedia RTLM en Kangura, die het doden van Tutsi propageerden, financieel en logistiek te ondersteunen. Verder is gebleken dat eiser als oprichter en financier van de militie Amahindura verantwoordelijk kan worden geacht voor het doden van Tutsi's. Doordat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd, meent verweerder dat hij als mededader moet worden beschouwd. Wat betreft medeplichtigheid aan genocide acht verweerder dan ook personal participation van eiser vastgesteld, zodat hij individueel voor deze misdrijven verantwoordelijk wordt gehouden. 15. Omdat de gedragingen waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden, zijn aan te merken als misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in de aanloop naar en ten tijde van de genocide in Rwanda, is verweerder van mening dat – gelet op artikel 7 van het Genocideverdrag, waarin is bepaald dat genocide niet kan worden beschouwd als politiek misdrijf – dat de gedragingen waarvoor eiser verantwoordelijk moet worden gehouden als niet-politieke misdrijven moeten worden gezien in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, Vlv. 16. Verweerder concludeert bovendien dat de gedragingen waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden en die zijn aan te merken als misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en genocide, onverenigbaar zijn met de doelstellingen en beginselen van de VN, zoals opgenomen in het Handvest van de Verenigde Naties, zodat deze gedragingen zijn aan te merken als handelingen in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder c, Vlv. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser leiding gaf aan een wetenschappelijk instituut en dus gezien zijn persoonlijk kennisniveau moet worden aangenomen dat hij kennis had of had behoren te hebben van het werk en doel van de VN en dat zijn handelen hiermee in strijd was. 17. Verweerder stelt dat het in het belang van de Nederlandse Staat is dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) Vlv. De intrekking van het Nederlanderschap is volgens verweerder niet bedoeld als sanctie, maar als middel om het algemeen belang te dienen met de correctie van de gevolgen van frauduleus handelen. De ernstige verdenking inzake artikel 1(F) Vlv vormt een vermoeden van gevaar voor de openbare orde en dat is een weigeringsgrond voor naturalisatie waarvan niet kan worden afgeweken. Wel moet daarbij een afweging worden gemaakt met het belang van eiser bij het behoud van de Nederlandse nationaliteit. Verweerder vindt de intrekking van het aan eiser verleende Nederlanderschap niet disproportioneel. Daarbij acht verweerder het van groot belang dat het Nederlanderschap slechts op de juiste gronden wordt verkregen en dat het naturalisatieverzoek niet zou zijn ingewilligd als bekend zou zijn geweest dat eiser essentiële feiten voor de beoordeling hiervan heeft verzwegen. De gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap voor eiser en zijn kinderen zijn een directe consequentie van het verzwijgen door eiser van relevante informatie. Die verzwijging vindt verweerder voldoende ernstig voor intrekking van het aan eiser verleende Nederlanderschap. Bovendien leidt deze intrekking niet tot staatloosheid omdat er geen aanwijzingen zijn dat eiser de Rwandese nationaliteit niet meer bezit. Zo heeft hij hiervan geen afstand hoeven doen op grond van de Rwandese of Nederlandse nationaliteitswetgeving. Wel dient eventuele staatloosheid na intrekking van het Nederlanderschap bij de belangenafweging te worden betrokken, maar in het geval van eiser is de ernst van de verzwegen feiten op grond waarvan het Nederlanderschap is verkregen (de betrokkenheid van eiser bij genocide) dusdanig dat dit ook het gevolg van eventuele staatloosheid zou rechtvaardigen, aldus verweerder. Verder valt de intrekking van het Nederlanderschap bij besluit van 22 januari 2014, dat op 11 september 2006 aan eiser was verleend, ruimschoots binnen de verjaringstermijn van twaalf jaar, die is opgenomen in artikel 14, eerste lid, RWN. Ook ziet verweerder in de verklaring van eiser over zijn werk als verpleger, vrijwilligerswerk, het huren of kopen van een huis, het afsluiten van verzekeringen, het bezit van een rijbewijs en het reizen naar het buitenland geen reden om de intrekking van het Nederlanderschap onevenredig te achten, omdat die zaken niet afhankelijk zijn gesteld van het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Voor wat betreft de stelling van eiser dat de Rwandese autoriteiten hem gemakkelijk hadden kunnen vinden en niet 19 jaar zouden hebben hoeven wachten als hij iets verkeerds had gedaan, heeft verweerder gewezen op voormelde aanleiding van het nader 1(F)onderzoek inzake de genocide in Rwanda. Tot slot is verweerder van mening dat gesteld noch gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan desondanks zou moeten worden afgezien van intrekking van de aan eiser verleende Nederlandse nationaliteit. Bij de belangenafweging heeft verweerder ook meegewogen dat eiser in Nederland geen gevaar voor de openbare orde vormt, maar dit leidt er niet toe dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. De gronden van het beroep en de beoordeling daarvan 18. Kort samengevat voert eiser de volgende beroepsgronden aan: er is onvoldoende bewijs voor de aannames waarop verweerder de intrekking van het Nederlanderschap heeft gebaseerd. De door verweerder aangehaalde gedragingen en de data waarop deze zouden hebben plaatsgevonden zijn onvoldoende specifiek. Verweerder heeft dus niet aangetoond dat de gedragingen die eiser worden verweten, hebben plaatsgevonden; bovendien heeft eiser de tegengeworpen gedragingen gemotiveerd betwist. Eiser heeft het bestaan van en het behoren tot de Akazu en het onder de naam ‘Hutu Power’ uitdragen van een extremistische ideologie gericht op het organiseren van genocide onder de Tutsi-bevolking genoegzaam ontkracht. Ook heeft eiser de hem toegedichte feitelijke handelingen genoegzaam betwist, zoals het mede-oprichten en ondersteunen van RTLM en Kangura, het oprichten en aansturen van milities, waaronder Amahindura, en eisers aanwezigheid bij een bijeenkomst in het huis van de moeder van [naam] op 7 april 1994, waar een plan werd gemaakt om Tutsi’s uit te roeien; het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid, onder meer in die zin dat verweerder zich er niet van heeft vergewist dat de brief van de Hoofdofficier van Justitie van 12 maart 2015 en het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2016 zorgvuldig zijn voorbereid en de daarin vervatte informatie en de betrouwbaarheid van de geraadpleegde bronnen niet afdoende zijn geverifieerd; eiser heeft zich niet afdoende kunnen verweren tegen de aantijgingen, onder meer doordat namens hem afgelegde verklaringen stelselmatig als onvoldoende objectief van de hand werden gewezen, terwijl verweerder voor het bewijs zelf gebruik heeft gemaakt van bronnen waarvan de objectiviteit en betrouwbaarheid niet is vastgesteld. Het verdedigingsbeginsel is geschonden. Verweerder wekt hiermee de schijn van vooringenomenheid; het bestreden besluit is niet binnen een redelijke termijn tot stand gekomen. Eiser hangt al vier en een half jaar de dreiging boven het hoofd zijn nationaliteit te verliezen; de belangenafweging is onzorgvuldig. De gevolgen van de intrekking van het Nederlanderschap zijn onevenredig zwaar, omdat eiser daardoor in zijn familie- en privéleven is getroffen. Eisers verblijfsstatus na die intrekking is onzeker. Eiser vreest staatloos te worden. Eiser wordt ook blootgesteld aan het risico van uitlevering aan Rwanda. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, ingaan op deze beroepsgronden. Redelijke termijn 19. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet binnen een redelijke termijn tot stand is gekomen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 20. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) , en in navolging daarvan de vaste rechtspraak van de Afdeling komt naar voren dat de vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de manier waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM overschreden, als de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Verder leidt de rechtbank uit de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS: 2012:BX1094) af dat bij een naturalisatieprocedure in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar als redelijk is aan te merken, waarbij als moment van aanvang van de redelijke termijn geldt het tijdstip dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Daarbij mag op grond van de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. 21. Verweerder heeft bij besluit van 5 november 2014 het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en heeft dit besluit op 29 oktober 2015 ingetrokken. Op 4 november 2015 is ook het beroep van eiser tegen het besluit van 5 november 2014 ingetrokken. Verweerder heeft op 29 oktober 2015 de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om aanvullend onderzoek, dat onderzoek heeft geresulteerd in het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2016 en verweerder heeft op 21 september 2017 het nieuwe besluit op bezwaar genomen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) leidt de rechtbank af dat in een geval als dit, waarin naar aanleiding van een intrekking van een beslissing op bezwaar het beroep wordt ingetrokken, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Daarmee is in het geval van eiser de overschrijding van de redelijke termijn dus begonnen op 10 februari 2015 en heeft tot de nieuwe beslissing op het bezwaar op 21 september 2017 gelopen. Deze periode van overschrijding van de redelijke termijn bedraagt afgerond twee jaar en zeven maanden. 22. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:73 Awb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,– aan immateriële schadevergoeding. Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,– per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 23. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand moeten worden gelaten. 24. De rechtbank beoordeelt het vernietigde bestreden besluit daarom aan de hand van de daartegen aangevoerde overige beroepsgronden. Beoordelingskader intrekking Nederlanderschap in verband met tegenwerping 1(F) Vlv 25. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN staat dat voor verlening van het Nederlanderschap slechts de verzoeker in aanmerking komt tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, geen bedenkingen bestaan. Verder staat in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN dat het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 RWN niettemin wordt afgewezen, als op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. 26. Ingevolge artikel 14, eerste lid, RWN kan verweerder de verlening van het Nederlanderschap intrekken, als zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit. Op grond van het zesde lid van artikel 14 RWN heeft, met uitzondering van het geval bedoeld in het eerste lid, geen verlies van het Nederlanderschap plaats als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. 27. Uit de toelichting op artikel 14, eerste lid, RWN in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) volgt dat verweerder de verlening van het Nederlanderschap kan intrekken, als zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk als sinds de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. Volgens de Handleiding moet bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de verzoeker weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. Intrekking zal alleen worden overwogen als de verzoeker niet voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen, als de fraude, het bedrog of de verzwijging tijdig bekend was geweest. De intrekking is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd. 28. Als achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verleend, is het uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, RWN, dat de verlening van het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij de intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken. In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen: de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging; de eventuele staatloosheid na intrekking; de tijdsduur die sinds de verlening is verlopen; en overige relevante factoren, waarbij onder meer kan worden gedacht aan bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de verzoeker het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen, aldus de Handleiding. 29. Ingevolge artikel 1(F) Vlv zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat: hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. 30. In het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf C2/7.10.2.4. van de Vc 2000, staat dat de zogeheten ‘personal and knowing participation test ’ wordt toegepast om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1(F) Vlv. Daarbij onderzoekt en beoordeelt verweerder of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). 31. Er is in ieder geval sprake van ‘ knowing participation ’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties: a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan verweerder heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) Vlv; b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1(F) Vlv van toepassing is; of c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1(F) Vlv. Verweerder toetst of de vreemdeling een ‘significante uitzondering’ vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. 32. Van ‘ personal participation ’ bij de vreemdeling is sprake in tenminste één van de volgende situaties: a. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vlv gepleegd; b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vlv gepleegd; c. de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) Vlv gefaciliteerd; of d. de vreemdeling behoort tot een groep die door verweerder is aangewezen als groep die in de regel artikel 1(F) Vlv tegengeworpen krijgt. 33. De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, als zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Verweerder concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan: de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden als niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of als de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden. 34. Uit paragraaf C2/7.10.2.4. Vc 2000 blijkt dat voor tegenwerping van artikel 1(F) Vlv verweerder moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Als verweerder ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1(F) Vlv te voorkomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de bewijslast bij de tegenwerping van artikel 1(F) Vlv op verweerder rust. Hoewel, zoals verweerder terecht in het bestreden besluit heeft gesteld, niet is vereist dat de 1(F)Vlv-tegenwerping strafrechtelijk bewezen (kan) worden, is het wel aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)Vlv-misdrijven of -handelingen. Daarmee is de op verweerder rustende bewijslast gegeven en moet verweerder deze veronderstelling feitelijk onderbouwen en zorgvuldig motiveren. Omvang van het geding 35. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bij zijn naturalisatieverzoek van 9 november 2004 heeft verklaard dat hij alle gegevens, nodig voor het nemen van een beslissing op zijn naturalisatieverzoek, naar waarheid heeft verstrekt en dat hij zich ervan bewust was dat het verstrekken van onjuiste gegevens of verzwijgen van relevante gegevens kan leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt. 36. Tussen partijen is ook niet in geschil dat ernstige redenen om te veronderstellen dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt dan wel verantwoordelijk is te houden voor één of meerdere gedragingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vlv in beginsel voldoende grondslag vormen voor de intrekking van het Nederlanderschap. Evenmin is in geschil dat betrokkenheid bij genocide in beginsel de veronderstelling wettigt dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt of verantwoordelijk is te houden voor gedragingen als hiervoor bedoeld. Tenslotte is niet in geschil dat de hiervoor omschreven gebeurtenissen in Rwanda van april tot en met juli 1994 als genocide zijn aan te merken. 37. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...