Zaak

ECLI:NL:RBGEL:2023:4063

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum
2023-07-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
ARN 20/4676
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
78.528 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft het Nederlanderschap van eiser ingetrokken omdat er volgens hem ernstige redenen waren om te veronderstellen dat hij betrokken was bij het plegen van ernstige misdrijven tijdens de Rwandese genocide in 1994. De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de Nederlandse nationaliteit van eiser onzorgvuldig is geweest. Na het inzien van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht oordeelt de rechtbank, dat de staatssecretaris zich niet op dit ambtsbericht had mogen baseren. Volgens de rechtbank bestaan er namelijk concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de in het ambtsbericht opgenomen informatie. Zo is op verschillende punten sprake van ogenschijnlijk tegenstrijdige informatie en blijkt uit het individueel ambtsbericht niet hoe daar bij de beoordeling van die informatie mee is omgegaan. Ook is sommige informatie slechts gebaseerd op één bron en is er veel onduidelijkheid over de aard van een organisatie waar eiser bij betrokken was. Bij dit alles betrekt de rechtbank dat er vrij veel onderzoek is gedaan naar de gebeurtenissen waar eiser bij betrokken zou zijn geweest (onder andere in het kader van rechtszaken bij het Rwandatribunaal), maar dat zijn naam daarbij nooit als (mede)verantwoordelijke naar boven is gekomen. Vanwege de lange duur van de procedure heeft eiser ook recht op een schadevergoeding. Beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 20/4676 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. J.V. de Kort). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van het aan hem verleende Nederlanderschap. 1.1. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van eiser met het besluit van 18 november 2013 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 22 juli 2020 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dat besluit gebleven. 1.2. Het besluit van 22 juli 2020 is mede gebaseerd op individueel ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister). De rechtbank heeft de aan deze ambtsberichten ten grondslag liggende stukken bij de minister opgevraagd. Bij brief van 31 augustus 2021 heeft de minister deze stukken opgestuurd en de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank van het als vertrouwelijk aangemerkte deel van deze stukken mag kennisnemen. Bij beslissingen van 19 oktober 2021 en 16 november 2021 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 1.3. Op het verzoek van de rechtbank aan partijen om aan te geven of zij ermee instemmen dat de rechtbank mede op grondslag van de vertrouwelijke onderliggende stukken van de ambtsberichten uitspraak doet, hebben partijen te kennen gegeven daarmee in te stemmen. 1.4. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2022 op zitting behandeld, deels gelijktijdig met het onderzoek in de zaak ARN 20/2679. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, als waarnemer van zijn gemachtigde, en mr. M.M. Favier. 1.6. Op 20 juni 2022 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister om nadere informatie gevraagd. 1.7. Bij brief van 7 september 2022 heeft de minister op dit verzoek gereageerd en met een beroep op artikel 8:29 van de Awb nadere stukken opgestuurd. Bij beslissing van 28 maart 2023 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de beperking van de kennisneming van deze nadere stukken gerechtvaardigd is. 1.8. Op het verzoek van de rechtbank aan partijen om aan te geven of zij ermee instemmen dat de rechtbank mede op grondslag van de vertrouwelijke onderliggende stukken van de ambtsberichten uitspraak doet, hebben partijen te kennen gegeven daarmee in te stemmen. 1.9. Op 10 mei 2023 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd over een wijziging van de samenstelling van de meervoudige kamer. In deze brief heeft de rechtbank partijen ook laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 2 juni 2023 het onderzoek gesloten. Totstandkoming en inhoud van het besluit 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1949 in Rwanda. Op 22 juli 1997 is eiser Nederland ingereisd, waarna hij op 23 juli 1997 een asielaanvraag heeft ingediend. Bij besluit van 7 oktober 1997 is aan eiser een verblijfsvergunning als verdragsvluchteling verleend, die met inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 van rechtswege is omgezet naar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierna is bij Koninklijk Besluit van 25 februari 2003 aan eiser het Nederlanderschap verleend. 2.1. Op 14 augustus 2012 heeft de staatssecretaris zijn voornemen kenbaar gemaakt om het aan eiser verleende Nederlanderschap in te trekken. Op 12 september 2013 heeft de minister op verzoek van de staatssecretaris een individueel ambtsbericht over eiser uitgebracht. Met het besluit van 18 november 2013 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van eiser ingetrokken. In het besluit van 16 september 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door eiser ingediende bezwaar, ongegrond verklaard. 2.2. In de uitspraak van 3 juli 2015 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het besluit van 16 september 2014 gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris opnieuw op het bezwaar moest beslissen. 2.3. Op 10 mei 2016 heeft de minister op verzoek van de staatssecretaris opnieuw een individueel ambtsbericht over eiser uitgebracht. Dit ambtsbericht is op 30 september 2016 op verzoek van de staatssecretaris door de minister aangevuld. In het besluit van 22 juli 2020 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 november 2013 opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft op 30 augustus 2020 tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit is het beroep waar deze uitspraak over gaat. 3. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van eiser ingetrokken omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Volgens de staatssecretaris is eiser betrokken geweest bij de genocide in Rwanda in 1994 en heeft eiser dit tijdens zijn toelatingsprocedure en tijdens de latere naturalisatieprocedure verzwegen, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs kon weten, dat deze informatie van groot belang was voor zijn verzoek om naturalisatie. De staatssecretaris baseert zich hierbij op de onder 2.1 en 2.3 genoemde individueel ambtsberichten. Volgens de staatssecretaris zou eiser, indien hetgeen hij heeft verzwegen bij de staatssecretaris bekend was geweest, niet voor verlening van het Nederlanderschap, in aanmerking zijn gekomen. De staatssecretaris baseert zich daarbij op artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). 3.1. De staatssecretaris heeft het algemeen belang dat is gediend met de correctie van het onterecht verlenen van het Nederlanderschap afgewogen tegen het belang van eiser bij het behouden van de Nederlandse nationaliteit en zijn Unieburgerschap. Met inachtneming van de in de Handleiding RWN vermelde belangen en wat eiser in dit verband verder aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, kent de staatssecretaris vanwege de ernst van het verzwijgen door eiser van zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda, zwaarder gewicht toe aan het algemeen belang dat de Nederlandse nationaliteit op juiste gronden wordt verkregen dan aan het belang van eiser bij behoud van zijn Nederlanderschap en zijn rechten als Unieburger. Daarbij weegt de staatssecretaris zwaar in het nadeel van eiser mee dat het gaat om een ernstige verdenking inzake artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, dat een vermoeden vormt voor het opleveren van een gevaar voor de openbare orde. Volgens de staatssecretaris heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van het verlies van zijn Nederlander- en Unieburgerschap voor hem en zijn familie- en gezinsleden dusdanig groot zijn dat intrekking daarvan onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ten aanzien van het verlies van rechten als Unieburger stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat dit gevolg gerechtvaardigd is in het licht van de aard en ernst van het verzwijgen van zijn gedragingen tijdens de genocide in Rwanda. Tot slot staat artikel 8 van het EVRM volgens de staatssecretaris niet aan het bestreden besluit in de weg, omdat aan dit artikel geen recht kan worden ontleend op verkrijging of behoud van een bepaalde nationaliteit en de intrekking van het Nederlanderschap ook niet in de weg hoeft te staan aan het verblijf van eiser in Nederland. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt de beslissing van de staatssecretaris om het Nederlanderschap van eiser in te trekken. Dit doet de rechtbank aan de hand van de argumenten die eiser tegen deze beslissing heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 5. De rechtbank stelt voorop dat deze zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit, overeenkomstig het internationale recht, tot de bevoegdheid van elke lidstaat afzonderlijk behoort. Maar in de situaties dat het intrekken van het Nederlanderschap mede tot gevolg heeft dat de status van burger van de Unie wordt verloren, zoals in de situatie van eiser het geval is, moet die bevoegdheid worden uitgeoefend met inachtneming van het Unierecht. Dit betekent dat het EU Handvest van toepassing is. 6. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de staatssecretaris om het Nederlanderschap van eiser in te trekken onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De rechtbank zal zich daarbij eerst uitlaten over de vraag of de staatssecretaris het Nederlanderschap van eiser heeft mogen intrekken wegens het verzwijgen van relevante feiten, zonder dat vaststaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (onder 7). Nadat deze vraag bevestigend is beantwoord legt de rechtbank uit waarom het recht van eiser op een eerlijk proces niet is geschonden (onder 8). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris zijn besluitvorming op de individueel ambtsberichten heeft mogen baseren, waarbij zij concludeert dat dit niet het geval is (onder 9). Hierna stelt de rechtbank vast dat eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn (onder 11) en stelt de rechtbank de hoogte van de verschuldigde dwangsom vast (onder 12). Tot slot zal de rechtbank uitleggen wat dit betekent voor het beroep en het bestreden besluit (onder 13). Mocht de staatssecretaris het Nederlanderschap intrekken op basis van vermoedens? 7. Eiser betoogt dat intrekking van het Nederlanderschap vanwege het ernstige vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven, zich niet verhoudt met de tekst van artikel 14, eerste lid, van de RWN. Daaruit volgt dat zowel het moedwillig verzwijgen van betrokkenheid bij de Rwandese genocide als die betrokkenheid daarbij, bewezen moeten worden. Alleen dan kan volgens eiser worden vastgesteld dat de verlening van het Nederlanderschap berust op fraude. Ook betoogt eiser dat intrekking van het Nederlander- en Unieburgerschap moet worden aangemerkt als een punitieve maatregel. Daarmee zijn de waarborgen uit artikel 6, tweede en derde lid, van het EVRM en artikel 48 van het EU Handvest van toepassing en moet bewezen worden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan 1(F)-misdrijven. De staatssecretaris kan dan niet volstaan met een ernstig vermoeden om dat te veronderstellen. Bovendien is verlies van Unieburgerschap vanwege slechts een redelijk vermoeden van het verzwijgen van iets, onverenigbaar met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), aldus eiser. 7.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het bij de toepassing van artikel 14, eerste lid, van de RWN erom gaat dat de vreemdeling feiten heeft verzwegen waaruit blijkt dat er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Als daarvan sprake is, wordt voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN. Volgens de staatssecretaris hoeft niet vast te staan of strafrechtelijk bewezen te worden dat eiser misdrijven heeft gepleegd die vallen onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De staatssecretaris verwijst hiertoe ook naar de memorie van toelichting bij de RWN , waaruit volgens hem niet volgt dat de wetgever heeft beoogd dat de staatssecretaris moet nagaan of het verzwegen feit is bewezen. De staatssecretaris stelt dat hij daarom terecht heeft beoordeeld of er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft begaan en gemotiveerd dat dat het geval is. 7.2. De Afdeling heeft op 11 mei 2022 uitspraak gedaan in twee zaken waarin, net als in het geval van eiser, het Nederlanderschap was ingetrokken vanwege het (vermeend) verzwijgen van betrokkenheid bij de genocide in Rwanda. De Afdeling heeft in deze uitspraken, kort samengevat, overwogen dat toepassing van de Engel-criteria niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een criminal charge , zodat ook geen sprake is van een punitieve sanctie en de onschuldpresumptie in de zin van artikel 6, tweede lid, van het EVRM en artikel 48 van het EU Handvest niet van toepassing is. Dit maakt volgens de Afdeling dat artikel 14, eerste lid, van de RWN in de situatie dat de intrekking is gebaseerd op het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet vereist dat de staatssecretaris moet aantonen dat de betrokkene formeel is aangeklaagd of dat moet zijn voldaan aan de strafrechtelijke bewijsstandaard. De arresten Hüls , E.ON Energie en Glencore maken volgens de Afdeling evenmin dat de onschuldpresumptie van toepassing is of dat betrokkenheid bij genocide bewezen moet worden. De Afdeling overweegt verder dat de omstandigheid dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en dat hij hierover heeft gezwegen, voldoende grond is voor de conclusie dat het Nederlanderschap niet zou zijn verleend wanneer deze informatie tijdens het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap beschikbaar was geweest, omdat er dan ernstige vermoedens zouden bestaan dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is volgens de Afdeling geen sprake, omdat deze systematiek voor de intrekking van het Nederlanderschap volgt uit de RWN en de Handleiding RWN. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de situatie van eiser anders te concluderen dan de Afdeling of hierover prejudiciële vragen te stellen. Net als de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. De staatssecretaris heeft dan ook de juiste toetsingsmaatstaf gebruikt. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Is het recht op een eerlijk proces geschonden? 8. Eiser betoogt dat zijn recht op een effectieve verdediging wordt geschonden, waardoor van een eerlijk proces geen sprake is. Eiser betoogt dat de staatssecretaris al zijn argumenten en aangedragen bewijs dat ziet op het onderzoek(srapport) van de vertrouwenspersoon, op onvolledige, onzorgvuldige en onjuiste wijze beoordeelt, waardoor in deze procedure van een eerlijk speelveld geen sprake is. Dit doet volgens eiser afbreuk aan zijn recht op een eerlijk proces en een doeltreffende voorziening in rechte. Voor zover de rechtbank in het voorgaande niet meegaat, meent eiser dat hij alleen met een onderzoek dat vergelijkbaar is met het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de individueel ambtsberichten, de beschuldigingen daarin kan weerleggen, maar geeft verschillende redenen waarom het laten uitvoeren van zo’n onderzoek voor hem niet mogelijk is. Dit maakt volgens eiser dat hij in een ten opzichte van de staatssecretaris nadeliger bewijspositie verkeert. Ook vanwege deze ongelijke bewijs- en procespositie is volgens eiser geen sprake van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Om de balans in dit verband te herstellen, acht eiser het noodzakelijk dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige benoemt die wordt opgedragen ter plekke onderzoek te doen en daarvan een rapportage op te stellen. Eiser beroept zich daarbij onder andere op het arrest Korošec. Als de rechtbank geen reden ziet daartoe over te gaan, meent eiser dat de rechtbank de minister moet opdragen de onderliggende stukken van de individueel ambtsberichten aan de rechtbank toe te zenden zodat deze daarvan kennis kan nemen. 8.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat van onvoldoende rechtsbescherming geen sprake is. Daartoe merkt de staatssecretaris op dat het onderzoek ter plaatse door een zorgvuldig geselecteerde lokale vertrouwenspersoon is verricht, onder verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken welke niet in een verhouding van ondergeschiktheid of afhankelijkheid staat tot de bewindspersoon belast met de uitvoering van de RWN. Ook zijn de onderliggende stukken van de individueel ambtsberichten namens de staatssecretaris ingezien en zijn deze, waar nodig, ook beschikbaar voor inzage door de rechtbank. Eiser heeft onderdelen van de onderliggende stukken ter beschikking gekregen en heeft ruimschoots gelegenheid gehad om zijn bezwaren tegen het onderzoek en de uitkomst daarvan en tegen het standpunt van de staatssecretaris in te brengen. Hiermee is volgens de staatssecretaris sprake van een zorgvuldige bestuurlijke procedure waarin eiser voldoende kansen heeft zich te verdedigen. Ook is eiser naar behoren gecompenseerd voor het feit dat hij niet zelf kennis kan nemen van de onderliggende stukken, door de rechtbank toestemming te verlenen mede op basis van die stukken uitspraak te doen. Van strijd met het beginsel van effectieve rechtsbescherming uit artikel 47 van het EU Handvest is geen sprake. Hiermee bestaat er volgens de staatssecretaris ook geen aanleiding om eiser compensatie te bieden naar analogie van het arrest Korošec. De rechtbank kan immers door middel van vertrouwelijke kennisname van de onderliggende stukken, compensatie bieden voor de positie van eiser. De staatssecretaris wijst ook op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak ZZ waaruit de staatssecretaris afleidt dat de in Nederland bestaande procedure, de unierechtelijke toets kan doorstaan. 8.2. Het recht op een eerlijk proces, waaronder begrepen het recht op gelijke proceskansen ( equality of arms ) en het recht op een effectieve verdediging, is onder meer neergelegd in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in de nationale rechtsorde. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier. Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn. Artikel 8:29 van de Awb geeft een regeling voor het geheel of gedeeltelijk geheimhouden van stukken in procedures bij de bestuursrechter. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de beperkingsmogelijkheid bij toepassing van artikel 8:29 van de Awb met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijk proces daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat de procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb op zichzelf zorgvuldig en in overeenstemming met het arrest ZZ is, wat betekent dat de wezenlijke inhoud van artikel 47 van het EU Handvest niet wordt aangetast door die procedure. 8.3. In de uitspraken van 11 mei 2022 heeft de Afdeling nadere uitleg gegeven over de door de bestuursrechter te verrichten toets bij toepassing van artikel 8:29 van de Awb in dit soort zaken, waarbij een besluit met verstrekkende gevolgen is gebaseerd op een individueel ambtsbericht. Volgens de Afdeling is het van belang dat de bestuursrechter extra zorgvuldig kennisneemt van de onderliggende stukken: “De Afdeling erkent dat in dit soort zaken de betrokkene in een moeilijke bewijspositie verkeert, omdat deze geen kennis kan nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht en de aanvulling. Het is wel het logische gevolg van de toepassing van artikel 8:29 van de Awb: de bestuursrechter mag het oordeel mede baseren op informatie die partijen niet kennen. Als partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, is het daarom van belang dat de bestuursrechter extra zorgvuldig kennisneemt van de onderliggende stukken en erop toeziet dat de in het individueel ambtsbericht en de aanvulling weergegeven informatie wordt gedragen door die stukken en ook dat die weergave een representatief beeld geeft van het geheel van de in die onderliggende stukken besloten liggende informatie. Ook zal de bestuursrechter zo veel mogelijk moeten bezien in hoeverre de onderliggende stukken op zichzelf voldoen aan de daaraan in zijn algemeenheid te stellen betrouwbaarheidseisen, waarbij met name gedacht moet worden aan aspecten als consistentie, vermelding van bronnen van wetenschap en aanwijzingen van mogelijke bevooroordeeldheid of beïnvloeding van de informatiebron. Verder moeten de ingebrachte concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het individueel ambtsbericht en de aanvulling in verhouding staan tot de bevindingen in die stukken. Naarmate de bevindingen in het ambtsbericht en de aanvulling minder scherp omlijnd zijn, hoeven de concrete aanknopingspunten ook minder scherp omlijnd te zijn. Het zou immers niet in evenwicht zijn als de ingenomen stelling in het ambtsbericht en de aanvulling een zekere mate van abstractie of algemeenheid vertoont, terwijl daarna de daarop uitgeoefende kritiek zou worden afgewezen omdat die onvoldoende concreet is.” 8.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de beperking in de kennisneming van de onderliggende stukken van de individueel ambtsberichten geen sprake is van strijd met het beginsel van equality of arms en dat eiser hiervoor dus niet hoeft te worden gecompenseerd, anders dan dat de bestuursrechter extra zorgvuldig naar de onderliggende stukken kijkt. Eisers beroep op arrest Korošec leidt niet tot een andere conclusie. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat uit dit arrest onder meer voortvloeit dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. In situaties als deze, waar de staatssecretaris zich baseert op een individueel ambtsbericht van de minister, moet beoordeeld worden of de staatssecretaris zich ervan heeft vergewist dat het individueel ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is, of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad om het ambtsbericht te betwisten en of hij met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van de adviezen heeft betwist of met andere stukken concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de inhoud daarvan. Deze beoordeling zal de rechtbank hieronder verrichten. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Mocht de staatssecretaris uitgaan van de individueel ambtsberichten? 9. Eiser betoogt dat de staatssecretaris niet mocht uitgaan van de individueel ambtsberichten. Volgens eiser voldoet het onderzoek door de minister niet aan de daarvoor geldende werkinstructies ten aanzien van het selecteren van de vertrouwenspersoon, het uitvoeren van het onderzoek en het opstellen van het onderzoeksverslag. Eiser betoogt dat de staatssecretaris niet is ingegaan op wat eiser op dit punt in bezwaar heeft aangevoerd en dat de rechtbank de minister in beroep alsnog moet bevragen over de totstandkoming van de individueel ambtsberichten. Verder betoogt eiser dat de staatssecretaris zich er onvoldoende van heeft vergewist of de individueel ambtsberichten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Volgens eiser heeft de staatssecretaris onvoldoende onderbouwd dat kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de vertrouwenspersoon en het door deze persoon uitgevoerde onderzoek, en daarmee van de individueel ambtsberichten. Daarbij heeft de staatssecretaris volgens eiser ook ten onrechte geen rekening gehouden met het risico op politieke beïnvloeding en de culturele context van Rwanda. Volgens eiser zijn dit, gelet op zijn achtergrond en huidige positie, maar ook in het algemeen gezien, essentiële factoren die van invloed (kunnen) zijn op de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten, in verband met de waarde die kan worden gehecht aan Rwandese getuigenverklaringen. Eiser onderbouwt zijn standpunt met een verwijzing naar onderzoek door en uitlatingen van verschillende (door hem benaderde) Rwanda-deskundigen en wetenschappers, een op eisers verzoek opgemaakt rapport van Bureau Kleurkracht van 24 september 2020 en algemene bronnen waaruit blijkt dat Rwanda een totalitaire staat is en er sprake is van een genocide-narratief. Ook wijst eiser erop dat uit onderzoek is gebleken dat bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR) veel valse getuigenverklaringen zijn afgelegd. Tot slot betoogt eiser dat sprake is geweest van sturende vragen en tunnelvisie van de vertrouwenspersoon, wat de objectiviteit, onpartijdigheid en inzichtelijkheid van de individueel ambtsberichten raakt. De conclusie die eiser aan het voorgaande verbindt, is dat de staatssecretaris onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de onderbouwing van de aan eiser tegengeworpen 1(F)-gedragingen. 9.1. De staatssecretaris wijst erop dat een individueel ambtsbericht een deskundigenadvies is en dat, als dit op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, de staatssecretaris bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie mag uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. De staatssecretaris vindt dat hij erop kan vertrouwen dat de minister zijn werk goed en zorgvuldig doet. Als er een individueel ambtsbericht wordt uitgebracht, verricht het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), namens de staatssecretaris, een REK-check waarbij wordt nagegaan of het individueel ambtsbericht op basis van de onderliggende stukken qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Dit is ook in het geval van eiser gebeurd. Op basis van de niet-weggelakte onderliggende stukken van de individueel ambtsberichten is geconcludeerd dat de ambtsberichten qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk juist zijn. Informatie over de opzet van het onderzoek en de daarbij gehanteerde methoden en technieken en een nadere duiding van de gebruikte bronnen, hoefde de minister niet te geven. De staatssecretaris wijst verder op het algemeen uitgangspunt dat de minister een door hem ingeschakelde vertrouwenspersoon zorgvuldig selecteert. Er zijn in eisers geval geen aanwijzingen dat niet van dat uitgangspunt zou mogen worden uitgegaan. Dat het onderzoek in Rwanda heeft plaatsgevonden, doet aan dat uitgangspunt niet af. De minister wordt geacht op de hoogte te zijn van de specifieke (politieke en culturele) context van Rwanda. Het behoort vervolgens tot de deskundigheid van de minister en de ingeschakelde vertrouwenspersoon om te bepalen of de door een informant of getuige verstrekte informatie voldoende betrouwbaar is om ter onderbouwing van het individueel ambtsbericht te worden gebruikt. Mede gelet op de betrouwbaarheid en deskundigheid van de minister en de vertrouwenspersoon en de aard van de procedure, hoeft niet te worden vastgelegd hoe de getuigen zijn geselecteerd en hoeven transcripties van gesprekken niet te worden overgelegd. Om die reden doet de formulering van de aan de minister gestelde vragen volgens de staatssecretaris ook niet af aan de betrouwbaarheid van de individueel ambtsberichten. Dit blijkt volgens de staatssecretaris ook uit het antwoord op vraag 6b in het individueel ambtsbericht van 10 mei 2016, dat uit het onderzoek niets bekend is geworden over een gestelde vraag. Verder stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat hij voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers achtergrond, bezien in het licht van de politieke context van Rwanda, geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de informatie in de individueel ambtsberichten. 9.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een (individueel) ambtsbericht van de minister een deskundigenadvies aan de staatssecretaris voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Als het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, voor zover verantwoord onder aanduiding van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend, mag de staatssecretaris bij zijn besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan. Eventuele ingebrachte concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van een individueel ambtsbericht moeten daarbij in verhouding staan tot de bevindingen in die stukken. Naarmate de bevindingen in het ambtsbericht minder scherp omlijnd zijn, bijvoorbeeld wanneer conclusies slechts zijn gebaseerd op een weinig gedetailleerde verklaring van één getuige, hoeven de concrete aanknopingspunten ook minder scherp omlijnd te zijn. Verder heeft de minister, ook volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, een door hem bij het opstellen van een individueel ambtsbericht ingeschakelde vertrouwenspersoon zorgvuldig geselecteerd en hoeft deze niet uitdrukkelijk te verklaren dat hij voor de betrouwbaarheid van de informatie afkomstig van derden instaat. 9.3. Gelet op wat onder 8.2 tot en met 8.4 en 9.2 is overwogen is het, naast de verantwoordelijkheid die het bestuursorgaan op dit punt zelf heeft, uiteindelijk aan de bestuursrechter om de totstandkoming en bewijswaarde van het individueel ambtsbericht te beoordelen. Daarbij mag de kennisneming van de onderliggende stukken worden beperkt en kan worden uitgegaan van de zorgvuldige selectie van de vertrouwenspersoon. Wel dient de rechtbank extra zorgvuldig kennis te nemen van die onderliggende stukken en zoveel mogelijk te bezien of die stukken, gezien ook wat eiser daartegen heeft ingebracht, voldoen aan de te stellen betrouwbaarheidseisen. Inhoud van de individueel ambtsberichten 9.4. In de ambtsberichten van de minister van 12 september 2013, 10 mei 2016 en 30 september 2016 staat, samengevat en voor zover relevant, het volgende vermeld. 9.4.1. Eiser was van 1988 tot 1991 directeur van het Gikongoro Agricultural Development Project (GADP). In deze periode zou eiser diverse milities uit het noorden hebben aangetrokken om te werken voor het GADP. Eiser zou deze milities duidelijke instructies hebben gegeven om haat te zaaien tegen de Tutsi’s in Gikongoro. Toen de genocide aanving zouden deze milities zijn ingezet om wegversperringen op te zetten met het doel de ontsnapping van Tutsi’s te voorkomen. 9.4.2. Eiser was actief lid van de voormalig regerende partij Mouvement Révolutionnaire Nationale pour le Dévelopment (MRND) en zou één van de oprichters van de Cercles des Republicains Progressistes (CRP) zijn geweest, waar hij de functie van voorzitter zou hebben bekleed vanaf het moment van oprichting in 1990 tot 1992. De CRP bestond uit een groep van ongeveer tweehonderd extremistische intellectuelen, die verantwoordelijk zouden zijn geweest voor het ontwerpen en verspreiden van de haat tegen de Tutsi’s. Deze door de CRP gecreëerde ideologie zou voor milities de leidraad hebben gevormd voor de uitvoering van de genocide. Eiser zou veel bijeenkomsten hebben voorgezeten waarin haat gezaaid werd tegen de Tutsi’s en zou daarom kunnen worden beschouwd als bedenker en planner van de genocide. De CRP was geen politieke partij, maar zou de voorloper zijn geweest van de politieke partij Coalition pour la Defense de la Republique (CDR). Deze partij zou na een proces van twee jaar zijn opgericht door leden van de CRP en was een pro-regering en anti-Tutsi partij. De CDR was duidelijk gericht op het uitroeien van Tutsi’s en haar ideologie bevorderde de uitvoering van de genocide. Zij creëerde militie-groeperingen genaamd Impuzamugambi welke nauw samenwerkte met de Interahamwe , milities van de MRND. Deze milities speelden een grote rol in het uitvoeren van de genocide in 1994. Eiser zou één van de oprichters en actief lid van de CDR zijn geweest, maar geen duidelijke leidinggevende rol binnen deze partij hebben gespeeld. Hij zou op de achtergrond als ideoloog van de partij hebben gefungeerd. Niet bekend is wanneer eiser de CDR zou hebben verlaten. De CDR is in 1994, na de genocide, ontmanteld. 9.4.3. Eiser zou verder samen met Ferdinand Nahimana, die ook vicevoorzitter van de CRP was, de radiozender Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM) hebben opgericht. Eiser was ook aandeelhouder van deze radiozender. RTLM werd gebruikt om de ideologische boodschap van haat tegen de Tutsi-bevolking in Rwanda te verspreiden. Eiser en Nahimana zouden elkaar goed hebben gekend en voortdurend in contact met elkaar hebben gestaan. Er is niets bekend over een mogelijk door eiser beklede positie bij RTLM. Over een mogelijke samenwerking tussen eiser en de oud minister-president Jean Kambanda is ook niets bekend. 9.4.4. Eiser was van 1991 tot 1994 algemeen directeur (director general) van het Institut de Science Agronomique de Rwanda (ISAR). Het hoofdkwartier van deze organisatie was gevestigd in Rubona, in de prefectuur Butare. In zijn functie was eiser verantwoordelijk voor alle onderzoekslocaties van het ISAR in Rwanda en zou hij de direct leidinggevende van de directeuren van de onderzoekslocaties zijn geweest. Onder leiding van eiser zouden vele Tutsi’s zijn vervolgd en gemarteld. Eiser zou zijn positie van algemeen directeur hebben gebruikt om de Organisation de l’Auto Défence Civile (ADC) te faciliteren. De ADC bestond uit lokale burgermilities, welke in 1990 werden geïntroduceerd, maar pas vanaf 1993 tot het einde van de genocide in 1994 zeer actief zouden zijn geworden. In theorie was de ADC een civiele organisatie die de veiligheid in de dorpen moesten garanderen, maar in de praktijk zouden ze er op gericht zijn om de beweging en verspreiding van Tutsi’s te monitoren en te controleren om zeker te zijn dat geen Tutsi zou ontkomen. De ADC in Butare zou verantwoordelijk zijn geweest voor het opstellen van lijsten met namen van Tutsi’s, welke aan de autoriteiten werden overhandigd. Eiser zou samen met lokale leiders uit Rubona en Butare vele vergaderingen van de ADC hebben voorgezeten. Leden van de ADC zouden betrokken zijn geweest bij het voorbereiden en het uitvoeren van de genocide. Zo zou de ADC een belangrijke rol hebben gespeeld in de distributie van wapens onder de bevolking. Eiser zou ervoor hebben gezorgd dat lopende activiteiten en vergaderingen van de ADC werden ondersteund door het beschikbaar stellen van geld, medewerkers en goederen van het ISAR. Gelet op eisers betrokkenheid bij de CRP en zijn leidinggevende rol binnen de ADC zou het onmogelijk zijn geweest dat eiser niet op de hoogte was van de plannen voor de ADC met betrekking tot de vervolging van de Tutsi-bevolking. Eiser zou vergaderingen hebben voorgezeten waarin besluiten werden genomen over de vervolging van Tutsi’s. 9.4.5. Op meerdere onderzoekslocaties van het ISAR zouden Tutsi’s zijn vermoord. Op 25 en 26 april 1994 werden alle Tutsi’s die aanwezig waren op het terrein van het ISAR in Rubona gedood en begraven. Eiser zou tussen 7 en 24 april aan vele vergaderingen hebben deelgenomen waarin deze moord op Tutsi’s werd gepland en daarbij hebben samengewerkt met militaire en lokale leiders om mensen te werven en milities gedurende twee weken te trainen. Deze milities werden ingezet om Tutsi’s op de locatie van het ISAR in Rubona te doden. De slachtoffers zouden hebben bestaan uit zowel medewerkers van het ISAR als Tutsi’s afkomstig van families die naast deze locaties woonden. Deze laatsten geloofden dat ze op deze locaties veiliger zouden zijn dan in hun eigen woningen. De hoofden van de onderzoekslocaties zouden aan het hoofd van de moordcommando’s hebben gestaan en hun orders van eiser hebben gekregen. Op de ISAR-locatie in Rubona zouden zeventig mensen zijn vermoord. Eiser zou op 24, 25 en 26 april 1994 op de ISAR-locatie in Rubona aanwezig zijn geweest en ook hebben geweten van de moorden op deze locatie alsook op andere locaties van het ISAR. Hij zou hebben opgetreden als belangrijk leider en planner van de moorden die plaatsvonden op alle ISAR-locaties. Eiser zou er voor hebben gezorgd dat hij op de hoogte was van datum, tijd, wapens en de aantallen moordenaars die beschikbaar waren. Hij zou van locatie naar locatie zijn gereisd om te kunnen zien wat er gebeurde en om degenen die veel Tutsi’s in korte tijd hadden vermoord te belonen. De ondergeschikte locatiedirecteur van ISAR Rubona, [locatiedirecteur] , zou zijn orders hebben gekregen van eiser. Eiser en [locatiedirecteur] zouden zeer nauw hebben samengewerkt. Vele vergaderingen betreffende de planning van de genocide tegen de Tutsi’s zouden mede zijn voorgezeten door [locatiedirecteur] . Hij zou de enige persoon zijn geweest die door eiser werd vertrouwd als plaatsvervanger wanneer hijzelf niet aanwezig was. 9.4.6. Tegen eiser is door de openbaar aanklager van Rwanda een internationaal arrestatieverzoek uitgevaardigd. Hij wordt beschuldigd van het plegen van misdaden in het kader van de genocide en van misdaden tegen de menselijkheid. De aanklacht tegen eiser zou zijn opgenomen in de eerste categorie van planners van de genocide in Rwanda. Eiser zou zijn beschuldigd van betrokkenheid bij de moord op Tutsi’s in Butare. Zijn zaak is nog steeds vertrouwelijk. Uit het onderzoek blijkt dat zich geen ten laste leggende documenten ten name van eiser bevonden in de dossiers van de Gacaca -rechtbanken . De aan het 1(F)-vermoeden ten grondslag gelegde gedragingen 9.5. De staatssecretaris werpt eiser tegen dat hij betrokken is geweest bij het voorbereiden en/of uitvoeren van moorden op Tutsi’s en gematigde Hutu’s in de periode april-juni 1994, dat hij aan deze misdrijven deelnam als organisator en als facilitator en dat hij, deels als meerdere, verantwoordelijkheid draagt voor deze misdrijven. In dat kader werpt de staatssecretaris de volgende concrete gedragingen aan eiser tegen: a. eiser zou als meerdere van [locatiedirecteur] verantwoordelijkheid dragen voor moordpartijen op Tutsi’s op het terrein van de ISAR-locatie Rubona op 25 en 26 april 1994; eiser zou de door de ADC gepleegde misdrijven hebben gefaciliteerd door het ondersteunen van activiteiten van de ADC, het beschikbaar stellen van geld, medewerkers en goederen van ISAR aan de ADC en door het voorzitten van bijeenkomsten met de ADC, lokale autoriteiten, politie en leger, waarin besluiten werden genomen over de vervolging van Tutsi’s. Dat eiser als meerdere van [ondergeschikte] verantwoordelijkheid zou dragen voor diens gedragingen en dat hij als lid van de Rassemblement pour le retour des réfugiés et la démocratie au Rwanda (RDR) medeverantwoordelijk zou zijn voor de door de RDR gepleegde misdrijven in de Democratische Republiek Congo in de periode 1994-1997, wat hem in het besluit van 18 november 2013 ook werd tegengeworpen, legt de staatssecretaris niet langer ten grondslag aan de 1(F) beschuldigingen. Eisers gestelde gedragingen als directeur van het GADP, zijn betrokkenheid bij de MNRD, CRP, RTLM en RDR en zijn vermeende betrokkenheid bij de CDR zijn door de staatssecretaris niet direct aan het 1(F)-vermoeden ten grondslag gelegd, maar volgens de staatssecretaris is deze informatie wél van belang als achtergrondinformatie en om vast te stellen

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...