ECLI:NL:RBDHA:2026:9805
Rechtbank Den Haag · 2026-04-23 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Geloofwaardigheid, seksuele geaardheid, beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47863 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser] aliassen [alias 1] en [alias 2] v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. B. Anik), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.M. Koning). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft eisers asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden en de aanvraag van eiser mogen afwijzen als kennelijk-ongegrond . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit, stelt [alias 1] te heten en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1999. Eiser heeft verklaard dat hij op dertienjarige leeftijd geslachtsgemeenschap heeft gehad met zijn neef, waarna hij zich realiseerde homoseksueel te zijn. Nadat eiser werd betrapt met een andere jongen op het internaat, is hij van het internaat gestuurd en was hij niet meer welkom in het ouderlijk huis. Daarna is eiser verhuisd naar een goede vriend ([naam vriend 1]), maar nadat hij bij een andere vriend ([naam vriend 2]) ontdekt werd tijdens een seksuele relatie met een andere jongen, werd eiser mishandeld en vluchtte hij naar de kerk waar hij werd opgevangen. In die kerk heeft eiser zijn huidige partner ([naam partner]) ontmoet. Toen eiser en [naam partner] daar werden mishandeld door een menigte, zijn zij samen met behulp van een man genaamd [naam persoon 1] gevlucht naar Europa. In Nederland werden eiser en [naam partner] door een man genaamd [naam persoon 2] gedwongen tot prostitutie, maar zij wisten samen te ontsnappen waarna zij asiel hebben aangevraagd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Homoseksuele geaardheid en daaruit voortvloeiende problemen; Problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2]. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers nationaliteit en afkomst geloofwaardig zijn. Omdat eiser zijn identiteit niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en e, van de Vw 2000, is zijn identiteit echter ongeloofwaardig. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiser het tweede en derde asielmotief, zijn seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen en zijn problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2], niet heeft onderbouwd met objectieve documenten, dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e Vw 2000 en dat beide asielmotieven daarom ongeloofwaardig zijn. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser hem heeft willen misleiden omtrent zijn identiteit, en heeft de aanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Heeft de minister de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden? 5. De rechtbank bespreekt eerst het standpunt van de minister over de gestelde identiteit van eiser. Zij doet dat aan de hand van de gronden die eiser daarover heeft aangevoerd. Heeft eiser zijn identiteit onderbouwd met objectieve documenten? 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. Eiser wijst erop dat de door hem overgelegde Digital Identity Card met NIN slip officiële door de Nigeriaanse autoriteiten afgegeven identificerende documenten zijn. Het enkele feit dat de documenten digitaal zijn doet daaraan volgens eiser niet af. Eiser betoogt verder dat de omstandigheid dat Bureau Documenten geen uitspraken kan doen over de echtheid van de documenten hem niet mag worden tegengeworpen. De minister heeft volgens eiser ook onvoldoende rekening gehouden met het culturele gebruik om in Nigeria onder omstandigheden met andere naamvarianten te werken. Hij wijst daartoe op rechtspraak van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amersfoort en Utrecht en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). 7. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser zijn identiteit, in de vorm van zijn naam en geboortedatum, niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. De minister wijst erop dat de Digital Identity Card en de NIN Slip geen originele, fysiek door de Nigeriaanse autoriteiten afgegeven documenten zijn, maar dat het uitdraaien betreft van digitale registraties. De minister heeft de documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten en zij komen tot de conclusie dat over de echtheid, de opmaak en afgifte en over de inhoud van het document geen uitspraken kunnen worden gedaan. In aanvulling op het onderzoek van Bureau Documenten wijst de minister erop dat de naam die op deze documenten is weergegeven ([alias 2]) niet overeenkomt met de namen die eiser heeft opgegeven bij de vreemdelingenpolitie ([eiser]) en bij de IND tijdens de gehoren ([alias 1]). Gezien deze omstandigheden tezamen stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten zijn gestelde identiteit niet onderbouwen. 7.1. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat het gebruik van naamvarianten veel voorkomt in Nigeria nu eiser in het bijzonder is gevraagd naar de naam waarmee hij in Nigeria geregistreerd staat en dat hij die naam kennelijk niet heeft opgegeven. De rechtbank volgt gezien voorgaande dan ook niet de verwijzing van eiser naar de uitspraken van de Afdeling en deze rechtbank, zittingsplaatsen Amersfoort en Utrecht waaruit volgens eiser blijkt dat in Nigeria vaak meerdere naamvarianten bestaan. 7.2. De minister heeft beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c en e, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt het standpunt van de minister hieronder. Heeft eiser een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven? 8. Eiser betoogt dat het onmogelijk is voor hem om nog documenten uit Nigeria te krijgen en dat in Nigeria onder omstandigheden steekpenningen moeten worden betaald om documenten te verkrijgen. Verder is de communicatie met Nigeria lastig door onbetrouwbare post, beperkte digitale infrastructuur en het ontbreken van contact met familieleden. Eiser wijst in dit kader op rechtspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, waaruit volgens eiser volgt dat de belemmeringen voor het vergrijgen van deze documenten reëel kunnen zijn. De minister heeft dat volgens eiser niet onderkend. 8.1. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. De minister werpt eiser in dit kader terecht tegen dat hij tijdens de aan de asielprocedure voorafgaande Dublinprocedure heeft verklaard dat zijn familie in het bezit is van een officiële geboorteakte. Eiser heeft deze niet overgelegd en heeft niet laten zien dat hij daartoe op zijn minst een oprechte inspanning heeft geleverd. Hij heeft bijvoorbeeld niet laten zien dat hij contact heeft gezocht met de vriend waarover hij in nader gehoor heeft verklaard. De minister mag eiser tegenwerpen dat hij hiertoe wel de kans heeft gehad, omdat hij ten tijde van het nader gehoor al ruim twee jaar de tijd heeft gehad om actie te ondernemen. Eiser heeft zijn betoog dat het onmogelijk is om in Nigeria nog (zonder steekpenningen te betalen) aan documenten te komen in het geheel niet onderbouwd, waardoor het niet kan slagen. Heeft eiser een goede verklaring over waarom hij onvoldoende documenten heeft kunnen overleggen? 8.2. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het niet overleggen van zijn Nigeriaanse identiteitskaart. Dat eiser verklaart dat hij deze is verloren is niet voldoende. Eiser heeft verklaard dat hij wilde vluchten, maar dat hij nog enige tijd in Nigeria verbleef toen [naam persoon 1] voor eiser een visum regelde. De minister mag eiser gezien die verklaringen tegenwerpen dat hij dan ook zijn identiteitskaart had moeten meenemen en dat niet is in te zien waarom hij dat desondanks niet heeft gedaan. Eiser heeft in reactie op deze tegenwerping van de minister alleen verwezen naar de zienswijze. Daarmee heeft eiser echter niet duidelijk gemaakt waarom hij het niet eens is met dit standpunt van de minister. Vormen de verklaring van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel? 8.3. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank bespreekt dit standpunt van de minister benoemt daar waar toepasselijk de daartegen gerichte gronden van eiser. Ambtelijke informatie 8.3.1. De minister werpt eiser terecht tegen dat zijn verklaringen niet stroken met ambtelijke informatie. De minister wijst allereerst terecht op een EU-Visregistratie waaruit blijkt dat eiser een Frans visum heeft gekregen onder de naam [eiser] met geboortedatum [geboortedag 2] 1996. Dit visum is blijkens de door de minister overgelegde gegevens aangevraagd op grond van een door de Franse autoriteiten als authentiek aangemerkt paspoort met daarop dus de naam [eiser]. 8.3.2. De minister wijst er in dit kader terecht op dat voor het verkrijgen van een dergelijk Nigeriaans paspoort een officieel identificerend document nodig is, zodat erg onwaarschijnlijk is dat sprake is van een fout van een derde of dat een derde een authentiek paspoort met een onjuiste naam heeft weten te verkrijgen. De minister mag eiser daarom ook tegenwerpen dat ongeloofwaardig is dat eiser, zoals hij betoogt, nooit een visum heeft aangevraagd en dat zijn reisagent zijn naam en geboortedatum zou hebben gewijzigd. 8.4. De minister heeft eiser verder terecht tegengeworpen dat hij over het paspoort wisselend heeft verklaard. Tegen de vreemdelingenpolitie heeft eiser namelijk verklaard het paspoort niet te hebben gezien en de naam [eiser] niet te kennen, terwijl hij in het Dublingehoor verklaart het paspoort wel degelijk te hebben gezien en dat daarop de naam [eiser] stond. Geboortedatum en naam 8.4.1. De minister werpt eiser verder niet ten onrechte tegen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum en dat eiser documenten heeft overgelegd waarop een andere naam staat dan hij bij de IND heeft opgegeven. De rechtbank wijst op rechtsoverweging 6. Eiser heeft tijdens het Dublingehoor bovendien tweemaal aangegeven dat zijn geboortedatum [geboortedag 3] 1999 is, terwijl hij in het nader gehoor heeft aangegeven dat zijn geboortedatum [geboortedag 1] 1999 is. Ondanks de omstandigheid dat uit het rapport van Medifirst blijkt dat eiser moeite heeft met exacte data had de minister van hem mogen verwachten dat hij zijn eigen geboortedatum heeft kunnen onthouden. De minister volgt daarom ook niet ten onrechte niet het betoog van eiser dat hij zijn eigen geboortedatum zou zijn vergeten. Kan eiser in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd? 8.5. De minister vindt de verklaringen van eiser over zijn identiteit gezien voorgaande niet ten onrechte niet geloofwaardig en stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser de minister heeft willen misleiden over zijn identiteit. Omdat de gegevens over eisers identiteit ook van belang zijn voor de overige twee asielmotieven stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarmee afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn hele asielrelaas. Heeft de minister eisers homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig mogen vinden? 9. Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. 9.1. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn gestelde seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt dit standpunt van de minister hieronder. Vormen de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel? Eisers verklaringen over het besef anders te zijn, zijn summier en oppervlakkig 10. Eiser betoogt allereerst dat zijn verklaringen over het besef anders te zijn weliswaar niet zeer gedetailleerd zijn maar dat deze, mede gezien het feit dat openheid over homoseksualiteit in Nigeria gevaarlijk is en tot ernstige problemen leidt, niet reeds daarom ongeloofwaardig zijn. 10.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij blijft hangen in feitelijke antwoorden als hem wordt gevraagd om nader te verklaren over zijn besef anders te zijn. Eisers verklaringen daarover zijn oppervlakkig en summier en geven geen inzage in zijn gedachteproces, of hebben niets te maken met zijn seksuele geaardheid. Eiser heeft bijvoorbeeld verklaard dat het begon met (gedwongen) seksuele handeling met zijn neef en dat hij daarna tot de realisatie kwam dat hij zo was en dat die gevoelens niet weggingen. Eiser kwam er naar eigen zeggen naarmate hij ouder werd achter dat hij was wie hij was en probeerde meer die gevoelens te volgen in de praktijk, waarmee hij op strelen, aanraken en seks doelde. Verder verklaart eiser bijvoorbeeld dat hij besefte anders te zijn dan andere jongens op het internaat, omdat hij teveel praatte. De minister werpt eiser terecht tegen dat een dergelijke uitleg niet in verband staat met eisers gestelde seksualiteit en dat zijn overige verklaringen vooral feitelijk zijn en geen inzage geven in eisers gedachteproces. 10.1.1. De minister heeft eiser verder niet ten onrechte tegengeworpen dat hij niet in detail kan verklaren hoe de vriendschap met [naam partner] is uitgegroeid tot een relatie. Eiser heeft bijvoorbeeld niet kunnen benoemen wat maakt dat [naam partner] een relatie met eiser wilde aangaan en wanneer dat was. De minister stelt zich daarover niet ten onrechte op het standpunt dat eiser daarover beter zou moeten hebben nagedacht, omdat het in Nigeria gevaarlijk is om dit aan een andere man uit te spreken voor eiser. Op de vraag van de minister wat het met eiser deed om de relatie geheim te moeten houden, antwoordt eiser dat er veel mensen woonden en dat hij niet wilde dat mensen vooroordelen hadden. Doorgevraagd, verklaarde eiser dat hij wist wat er zou gebeuren als mensen erachter zouden komen. Later verklaarde eiser dat hij het triest vond en het hem emotioneel raakte. De minister vindt deze verklaring dit niet ten onrechte te oppervlakkig. De minister wijst in dit kader terecht op Werkinstructie (WI) 2019/17 waaruit volgt dat verwacht mag worden dat sprake is van een (denk)proces over het anders-zijn in een maatschappij waarin dat niet wordt toegestaan. De minister vindt weliswaar dat eiser op punten een begin van diepgang heeft getoond, maar ondanks eisers beperkte mate van opleiding, werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat hij toch te oppervlakkig verklaart. Eisers verklaringen over (zijn relatie met) [naam partner] zijn oppervlakkig en summier 11. Eiser betoogt dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt waarbij ook rekening is gehouden met de situatie in Nigeria en zijn persoonlijke omstandigheden. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen volgens hem niet concreet zijn. 11.1. Het betoog slaagt niet. De minister werpt eiser ook niet ten onrechte tegen dat zijn verklaringen over zijn gestelde relatie met [naam partner] oppervlakkig en summier zijn. Eiser verklaart oppervlakkig over wat hij leuk vindt aan [naam partner]. Eiser geeft slechts omschrijvingen die ook kunnen gelden voor andere mensen. Hij verklaart bijvoorbeeld dat [naam partner] er voor eiser was, dat [naam partner] aardig is en dat hij eiser accepteerde zonder iets te zeggen over zijn verleden. Eiser bespreekt ook wat hij en [naam partner] doen, bijvoorbeeld het bezoeken van het strand of naar restaurants gaan. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn gestelde relatie zich niet voldoende onderscheiden van die over een gewone vriendschap. Hoewel de minister in het bestreden besluit zijn tegenwerping dat eiser niet kan aangeven wanneer zijn gestelde relatie me [naam partner] begon heeft ingetrokken, stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de overige tegenwerpingen voldoende zijn om de eisers verklaringen over de relatie met [naam partner] summier en oppervlakkig te vinden. 11.2. De rechtbank ziet gezien voorgaande dan ook geen reden voor het oordeel dat de minister geen integrale beoordeling heeft gemaakt en dat de minister geen rekening heeft gehouden met eisers referentiekader en persoonlijke omstandigheden. Uit de besluitvorming blijkt dat de minister zich van de persoonskenmerken en het referentiekader van eiser op de hoogte heeft gesteld. Zoals uit voorgaande volgt heeft de minister zich daarover niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat meer van eiser had mogen worden verwacht. Eisers verklaringen zijn op meerdere punten ongerijmd 11.3. Verder vindt de minister niet ten onrechte ongerijmd dat eiser heeft verklaard dat hij via Instagram contact had met homoseksuele mannen en dat zij op hem afkwamen omdat mensen wisten dat hij homoseksueel was, terwijl hij ook verklaart zijn seksualiteit niet online te laten zien. De minister werpt eiser terecht tegen dat hij had moeten kunnen uitleggen hoe het dan kwam dat hij via internet toch voor homoseksueel werd aangezien door andere mannen. Verder vindt de minister niet ten onrechte ongerijmd dat eiser tijdens het nader gehoor meermaals aangeeft zich bewust te zijn van het feit dat homoseksualiteit in Nigeria verboden is, dat daar een celstraf van veertien jaar op staat en dat zelfs sprake is van ‘Jungle Justice’ maar dat hij tegelijkertijd heeft verklaard gedurende een langere periode, al dan niet tegen betaling, seksueel contact te hebben gehad met mannen die hij slechts kende via het internet. Dit terwijl hij naar eigen zeggen al eens was mishandeld vanwege seksueel contact met mannen. Hoewel de minister de verklaringen over eiser zijn neefje in dit kader niet langer aan hem tegenwerpt, stelt hij zich niet ten onrechte op het standpunt dat de overige ongerijmdheden aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Eisers verklaringen over de pride en andere organisaties overtuigen niet 11.4. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over de pride en andere organisaties niet overtuigend zijn. Eiser betoogt verder dat hij heeft deelgenomen aan de pride en dat hij deze deelname heeft onderbouwd met verklaringen van vrienden. Volgens eiser baseert de minister zijn standpunt op zijn eigen verwachtingen en zijn dit niet de verwachtingen van eiser. De minister heeft eiser daarom onvoldoende gemotiveerd tegengeworpen dat hij oppervlakkig verklaart over zijn deelname aan LHBTI-evenementen. 11.5. Het betoog slaagt niet. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat zijn verklaringen over de deelname aan de pride niet voldoende overtuigend zijn. Hoewel de minister erkent dat eiser heeft deelgenomen aan de pride, is dat niet voldoende om zijn andere ongeloofwaardige verklaringen over zijn geaardheid te compenseren. Het zwaartepunt ligt bij deze verklaringen. De minister heeft ook niet ten onrechte meegewogen dat eiser slechts oppervlakkig heeft kunnen verklaren over het belang dat deze evenementen voor hem hebben. Eiser heeft daarover verklaard dat hij daar vrij kan leven en dat daar mensen zoals hij zijn. De minister vindt dit niet ten onrechte onvoldoende. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat de minister hem ten onrechte zou hebben tegengeworpen dat hij oppervlakkig zou hebben verklaard. Eisers verklaringen over het incident in de kerk stroken niet met de gegevens uit EU-Vis 12. Eiser betoogt ook dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat zijn relaas over de problemen ongeloofwaardig is, omdat zijn verklaringen over het geweldsincident in de kerk en zijn vlucht niet overeenkomen met zijn EU-Visregistratie in Frankrijk. Eiser wijst erop dat algemeen bekend is dat asielzoekers die onder druk, in angst of afhankelijk van derden hun vertrek organiseren, niet altijd in staat zijn om exacte data of administratieve handelingen correct te verklaren. Daarbij wijst eiser erop dat hij voor het regelen van zijn visum afhankelijk was van derden ([naam persoon 1]) waardoor hij niet volledig op de hoogte was van exacte data en procedures. 12.1. Het betoog slaagt niet. De minister werpt eiser terecht tegen dat de verklaringen van eiser over de gestelde mishandeling in de kerk niet stroken met bij de minister bekende gegevens uit EU-Vis. Daaruit blijkt dat eiser reeds in november 2022 is begonnen met het voorbereiden van zijn vertrek en dat het gebruikte paspoort dateert van april 2022, terwijl eiser heeft verklaard dat hij pas naar aanleiding van het incident in november 2022 plannen heeft gemaakt om te vluchten. De minister twijfelt daarom niet ten onrechte zeer ernstig aan de geloofwaardigheid van eisers asielmotief. 12.1.1. De rechtbank volgt niet het betoog dat eiser onder druk stond om zijn vertrek te realiseren en dat hij daarom de data van zijn vlucht niet juist heeft opgegeven. Het is aan eiser om over kernelementen van zijn asielrelaas juist te verklaren en hoewel uit het rapport van MediFirst blijkt dat eiser moeite heeft met exacte data, gaat het hier om een verschil van zeven maanden waarover eiser pas in de zienswijze heeft verklaard. De minister werpt eiser terecht tegen dat eiser in de correcties en aanvullingen geen verbetering heeft geplaatst bij deze data. De verklaring van eiser vindt de rechtbank daarom niet voldoende voor een ander oordeel. Dat eiser zelf niet op de hoogte was van data en procedures maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank wijst daartoe op het in 8.3.2. overwogene. Feit blijft daarmee dat het visum is aangevraagd met een authentiek paspoort en dat de datum van de visumaanvraag niet strookt met de verklaringen van eiser over de mishandeling in de kerk welke mishandeling volgens hem reden was om te vluchten. Is het relaas van eiser op grote lijnen geloofwaardig? 12.2. Gezien het voorgaande heeft de minister het relaas van eiser over dit asielmotief niet ten onrechte niet als in grote lijnen geloofwaardig beschouwd. Heeft de minister het relaas van eiser over de problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2] ongeloofwaardig mogen vinden? 13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2] ongeloofwaardig zijn. Eiser betoogt dat het ontbreken van een proces-verbaal of een gedetailleerde aangifte met betrekking tot de door hem gestelde gedwongen prostitutie niet automatisch in het nadeel van eiser mag worden uitgelegd. Hij wijst op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem en Amsterdam. Eiser wijst erop dat de politie hem heeft weggestuurd omdat hij niet kon verklaren waar hij vastzat. Van eiser kan dan ook niet worden verwacht dat hij opnieuw aangifte doet. 13.1. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn gestelde problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2] niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. De rechtbank bespreekt hieronder dit standpunt van de minister en benoemd waar nodig de gronden van eiser. Vormen de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel? 13.2. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister baseert zijn standpunt niet ten onrechte op de omstandigheid dat hij de gestelde seksuele geaardheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig vindt. De minister wijst er verder op dat de gegevens zoals die blijken uit EU-Vis niet met eisers verklaringen overeenkomen en dat eiser noch zijn vriend enige informatie hebben kunnen verschaffen over [naam persoon 2] bij de politie. Eiser heeft geen aangifte of een proces-verbaal overgelegd zodat volgens de minister sprake is van gebeurtenissen op grond van een ongeloofwaardig relaas, waarvoor ook geen objectief bewijs is overgelegd. 13.3. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen aangifte of een proces-verbaal heeft overgelegd, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van bewijsnood. De rechtbank volgt ook niet de verwijzing van eiser naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem en Amsterdam nu eiser niet heeft toegelicht op welke wijze deze uitspraken relevant zijn voor zijn betoog. Beide uitspraken zijn van een zodanige omvang dat deze vraag door de rechtbank niet zonder nadere duiding kan worden beantwoord. Is het relaas van eiser op grote lijnen geloofwaardig? 13.4. Mede gezien het voorgaande heeft de minister het relaas van eiser niet ten onrechte niet als in grote lijnen geloofwaardig beschouwd. Tussenconclusie 14. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn identiteit, zijn geaardheid en zijn gestelde problemen met [naam persoon 1] en [naam persoon 2] op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging of ernstige schade terecht buiten beschouwing gelaten. De rechtbank volgt dan ook niet het betoog van eiser dat de door een vreemdeling opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst in gevallen ook geloofwaardig kan worden bevonden als de vreemdeling consistent en gedetailleerd verklaart over andere asielmotieven. Eisers verwijzingen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Groningen, Utrecht en Den Haag gaat daarom niet op. Heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM mogen onthouden? 15. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen hem en [naam partner]. Eiser betoogt hiertoe dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat asielgerelateerde omstandigheden niet kunnen worden meegewogen. Eiser wijst op rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat dat wel degelijk kan, mits die omstandigheden relevant zijn voor het familie- of gezinsleven of het privéleven van eiser in Nederland. Eiser wijst erop dat de omstandigheid dat de asielaanvraag van zijn partner ook is afgewezen niet maakt dat reeds daarom geen toets aan artikel 8 van het EVRM hoeft te worden verricht, omdat uit rechtspraak blijkt dat ook afhankelijkheidsrelaties tussen partners die beiden geen verblijfsrecht hebben relevant kunnen zijn voor artikel 8 van het EVRM. Eiser is al geruime tijd in Nederland. Hij heeft een sociale omgeving samen met zijn partner. Heeft veel vrienden gemaakt binnen de LHBTI-gemeenschap. Eiser is al lange tijd weg uit Nigeria en hij kan zich niet meer voorstellen om aldaar te kunnen integreren als homoseksueel persoon. 15.1. Het betoog slaagt niet. Nu de minister het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden en daarmee ook de gestelde relatie van eiser met [naam partner] ongeloofwaardig is, kan geen sprake zijn van een relatie die in aanmerking komt voor bescherming onder artikel 8 van het EVRM. De minister wijst er in dit kader op dat ook de asielaanvraag van [naam partner] is afgewezen en dat zij beiden moeten terugkeren naar Nigeria. Anders dat eiser betoogt, heeft de minister artikel 8 van het EVRM in de beoordeling niet buiten beschouwing gelaten. 15.2. Voor zover eiser betoogt dat sprake is van privéleven als bedoeld in dit artikel is de rechtbank met de minister van oordeel dat hij dit betoog niet voldoende heeft geconcretiseerd en dat eiser onvoldoende gegevens heeft overgelegd om in Nederland opgebouwd privéleven aannemelijk te maken. Eiser heeft in beroep volstaan met de mededelingen dat hij lang in Nederland is, veel vrienden heeft in de LHBTI-gemeenschap en dat hij een relatie heeft met [naam partner]. Eiser voert verder aan dat hij zich niet kan voorstellen dat hij zich als een homoseksuele man weer zal moeten integreren in Nigeria. De rechtbank merkt daarover allereerst op dat de homoseksuele geaardheid van eiser, en daarmee zijn relatie met [naam partner] door de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig zijn bevonden. Hij heeft verder niet concreet betoogt dat en zo ja, waarom de overige door hem genoemde omstandigheden maken dat sprake is van beschermenswaardig privéleven. Had de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod mogen opleggen? 16. Eiser betoogt dat de minister geen terugkeerbesluit en inreisverbod had mogen opleggen. Daarmee ontneemt de minister eiser volgens hem de kans weg om in Nederland een verblijfsrecht te kunnen krijgen. 16.1. Het betoog van eiser slaagt niet. Het bestreden besluit geldt op grond van artikel 45, eerste lid aanhef van de Vw 2000 als terugkeerbesluit. Nu de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond heeft de minister op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen reden voor het oordeel dat aan eiser geen terugkeerbesluit had mogen worden opgelegd. Aan eiser is vervolgens op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een inreisverbod opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien. Niet is namelijk gebleken dat er in geval van eiser sprake is van familieleven met [naam partner] of dat sprake is va humanitaire gronden zoals bedoeld in artikel 66a, achtste lid van de Vw 2000. Conclusie en gevolgen 17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Artikel 30b, aanhef en eerste lid onder c, van de Vw 2000. Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amersfoort en Utrecht van 10 juni 2021 en 23 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2021:16458 en ECLI:NL:RBDHA:2025:7064. Zie verder de uitspraken van de Afdeling van 3 februari 2016 en 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2016:232 en ECLI:NL:RVS:2017:2798. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Zie de uitspraken van 15 oktober 2024 en 23 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:18380 en ECLI:NL:RBDHA:2025:7064. Nader gehoor, pagina 6. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De minister wijst op het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023, pagina 37, onder 2.2.2. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Nader gehoor pagina 41. Nader gehoor, pagina 19. Zie WI 2019/17, pagina 5. Nader gehoor, pagina 39 en 40. Nader gehoor, pagina 42 en 43. Nader gehoor, pagina 26. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem en Amsterdam van 2 augustus 2024 en 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12355 en ECLI:NL:RBDHA:2024:23245. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. ECLI:NL:RBDHA:2021:14124, ECLI:NL:RBDHA:2021:15904, ECLI:NL:RBDHA:2021:11559, ECLI:NL:RBDHA:2022:15373 en ECLI:NL:RBDHA:2025:17041. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1623.