ECLI:NL:RBDHA:2026:9386
Rechtbank Den Haag · 2026-04-13 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep tegen de afwijzing van een opvolgende asielaanvraag. Er is geen sprake van nieuwe elementen of bevindingen zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder heeft de medische situatie van eiser en zijn beroep op artikel 8 van het EVRM niet (ambtshalve) bij zijn beoordeling hoeven betrekken. Beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/3668 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: [partner] ), en de Minister van Asiel en Migratie , als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: mr. M.R. Stuart). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van eisers opvolgende asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 25 januari 2020 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw . 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op 15 februari 2021 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep op 7 april 2021 op zitting behandeld. De rechtbank heeft om redenen van doelmatigheid het onderzoek geschorst. 2.4. Bij beslissing van 8 juli 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep voor verdere behandeling doorverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. De reden hiervoor is dat eiser op 31 mei 2021 aangifte heeft gedaan tegen de rechtbank Noord-Nederland. 2.5. Het onderzoek is op 16 december 2022 door deze rechtbank en zittingsplaats hervat. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat eiser de rechter die het beroep toen behandelde tijdens de zitting heeft gewraakt. 2.6. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 29 januari 2026 hervat en het beroep inhoudelijk op zitting behandeld . Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (tevens de partner van eiser), mevrouw W. Fadl als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank De eerdere asielprocedure 3. Eiser heeft al eerder op 13 maart 2015 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2015 afgewezen. In dit besluit heeft verweerder de door eiser gestelde aanhoudingen en mishandelingen door de politie tussen 1993 en 2009 geloofwaardig bevonden. Maar dat deze incidenten verband houden met eisers vermeende banden met de Moslimbroederschap, zijn kritiek op de Egyptische autoriteiten en zijn familienaam vindt verweerder niet geloofwaardig. Verweerder heeft zich verder ten aanzien van de geloofwaardig bevonden elementen op het standpunt gesteld dat eiser hierdoor bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM . Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2016 is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 juni 2016 de uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2016 bevestigd. Hiermee staat het besluit van 18 april 2015 in rechte vast. De huidige asielprocedure 4. Op 13 maart 2020 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen ten opzichte van de vorige procedure. In dat verband stelt eiser dat zijn broer in 2017 door de Egyptische veiligheidsdiensten is gemarteld en toen aan hen heeft verklaard dat eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd. Daarnaast voert eiser aan dat hij geen woonadres in Egypte meer heeft, omdat zijn moeder is overleden. Verder stelt eiser dat hij en zijn partner in Egypte gediscrimineerd kunnen worden vanwege het feit dat zijn partner Westers is, een andere geloofsovertuiging heeft en een hogere leeftijd dan hemzelf heeft. Ook doet eiser een beroep op zijn medische situatie. Tot slot heeft eiser klachten aangevoerd met betrekking tot de voorgaande asielprocedure. Volgens eiser bevinden zich namelijk diverse bewijsstukken, die zijn advocaat in de vorige asielprocedure heeft overgelegd, niet in zijn dossier. Het bestreden besluit 5. In het bestreden besluit heeft verweerder de huidige asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Wat eiser aanvoert in deze procedure geeft volgens verweerder geen aanleiding tot een ander oordeel dan in de eerdere afwijzende beschikking. Verweerder heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hiervoor genoemde besluit van 18 april 2015 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Het betoog van eiser 6. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte voor vervolging en een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daartoe voert eiser aan dat hij in Egypte politiek actief is geweest en de Egyptische politie hem daarom heeft gearresteerd en gemarteld. Eiser stelt dat zijn naam nog steeds op de zwarte lijst van de politie staat. Daarnaast stelt eiser dat hij als advocaat bij terugkeer naar Egypte gevaar loopt. In Egypte worden advocaten namelijk regelmatig aangehouden, ondervraagd, gefolterd en opgesloten. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een stuk van de UNHCR van 12 maart 2021, een rapport van HRW van 12 maart 2021 en het Algemeen Ambtbericht over Egypte van november 2021 . Daarnaast verwijst eiser naar vijftien rapporten, waaruit volgens hem blijkt dat Egyptische advocaten systematisch door de autoriteiten daar worden gefolterd. Verder stelt eiser dat in januari 2017 zijn broer [naam] in Egypte is opgepakt door de politie. Zijn broer werd ondervraagd over zijn familieleden en door foltering werd hij gedwongen te vertellen dat eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd. Volgens eiser heeft de politie aan zijn broer verteld dat eiser daarom bij terugkeer in Egypte een lijfstraf zal ondergaan. Verder stelt eiser dat zijn asielverzoek in Nederland volgens de Egyptische wetgeving de autoriteiten het recht geeft op een militair proces tegen hem. 6.1. Ook heeft eiser in beroep een kopie van de overlijdensakte van zijn moeder overgelegd. Het huurcontract van de woning van zijn moeder is na haar overlijden opgeheven, zodat hij geen woonadres in Egypte meer heeft. Eiser stelt dat hij niet bij zijn broer kan wonen en er verder geen familie is die hem kan opvangen. Dit is vanwege zijn medische klachten (diabetes en een hernia) wel nodig. Eiser meent dat verweerder hem dan ook vanwege zijn medische situatie uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw moet verlenen. 6.2. Verder voert eiser aan dat het voor zijn partner onmogelijk om in Egypte te wonen als westerse en katholieke vrouw. Zij voelt zich daar vanwege haar eerdere aanhouding in 2009 en de aanslagen op de katholieke kerken niet veilig. Eiser meent dat verweerder hem daarom (ambtshalve) een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM moet verlenen. 6.3. Daarnaast betoogt eiser dat er meerdere stukken die van belang zijn voor zijn vorige en huidige asielprocedure in zijn dossier ontbreken. Eiser stelt dat deze stukken wel door hem zijn ingediend, maar door de IND en de rechtbank niet aan het dossier zijn toegevoegd. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser op zitting diverse stukken met betrekking tot zijn asielprocedure in 2015 en de huidige asielprocedure overgelegd. Ook verzoekt eiser aan de rechtbank het proces-verbaal van de bewaringszitting van 7 mei 2015 aan hem te doen toekomen. 6.4. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank zijn beroep – gelet op al het vorenstaande – voor een termijn van zes maanden aan te houden. Beoordeling van de vraag of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen Het juridische kader 7. Bij beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende aanvraag beoordeelt verweerder of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag. Uit het arrest LH en de daarop volgende uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 volgt dat deze beoordeling moet gebeuren aan de hand van twee fasen. In de eerste fase moet onderzocht worden of er nieuwe elementen en bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet verweerder beoordelen of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of nieuwe bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen in het eerder genomen besluit. De op zitting overgelegde stukken met betrekking tot de asielprocedure in 2015 8. De rechtbank overweegt dat op dit moment in rechte vast staat dat verweerder zich in het besluit van 18 april 2015 terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Egypte niet te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank zal daarom de op zitting overgelegde stukken met betrekking tot eisers asielprocedure in 2015 buiten beschouwing laten. In het geval eiser meent dat de beoordeling (van de stukken) in die procedure niet juist is verlopen, kan eiser een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2016 indienen. De op zitting overlegde stukken met betrekking tot de huidige asielprocedure 9. Eiser voert aan dat hij op 30 april 2021 een brief aan de koning (hierna: koningsbrief) heeft geschreven. Volgens eiser bevindt deze koningsbrief zich niet in zijn dossier, terwijl uit de brief van de IND aan de rechtbank van 15 juli 2021 en de ontvangstbevestiging van de rechtbank van 19 juli 2021 blijkt dat dit wel het geval zou moeten zijn. 9.1. De rechtbank overweegt dat de vraag of de koningsbrief al dan niet deel uitmaakt van eisers dossier niet relevant is, aangezien deze brief geen onderdeel is van eisers asielrelaas. Voor zover de brief verklaringen van eiser zou bevatten die onderdeel uitmaken van zijn asielrelaas, heeft eiser gedurende de procedure de tijd gehad om alle relevante verklaringen naar voren te brengen. 9.2. Verder volgt de rechtbank eisers stelling dat er documenten, die van belang zijn voor de huidige asielprocedure, in het dossier ontbreken of verborgen zijn gehouden niet. Dit is de rechtbank namelijk ambtshalve niet gebleken. Ook volgt dit naar het oordeel van de rechtbank niet uit de op zitting overgelegde pleitnota en de onder rechtsoverweging 10 genoemde brieven van de IND en de rechtbank. De rechtbank zal hierna op de door eiser overgelegde stukken die zich in het dossier bevinden ingaan – voor zover relevant voor de huidige procedure. 9.3. De rechtbank merkt ook nog op dat – voor zover verwarring is ontstaan over de administratie (van de stukken in het dossier) – deze verwarring mede is ontstaan doordat eiser de rechtbank heeft overspoeld met telkens (grote hoeveelheden) nieuwe stukken, die grotendeels een herhaling van zijn standpunten bevatten, en die bovendien niet altijd relevant zijn voor zijn asielprocedure. Gestelde vrees bij terugkeer vanwege eisers asielverzoek in Nederland 10. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder op zitting de tegenwerping heeft laten vallen dat eiser pas tijdens het gehoor van 8 april 2020 kenbaar heeft gemaakt dat zijn broer aan de Egyptische veiligheidsdiensten heeft verklaard dat hij asiel in Nederland heeft aangevraagd, terwijl eiser als sinds februari 2017 hiervan op de hoogte is. 10.1. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de stelling dat zijn broer aan de Egyptische veiligheidsdiensten heeft verklaard dat hij asiel in Nederland heeft aangevraagd geen nieuwe, relevante elementen of bevindingen aan zijn asielrelaas ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft deze stelling namelijk niet nader (met stukken) onderbouwd. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Gestelde vrees bij terugkeer vanwege eisers werkzaamheden als advocaat 11. De rechtbank stelt vast dat eiser in de vorige asielprocedure al heeft aangevoerd dat hij als advocaat in Egypte te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich toen daarover op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde artikelen geen verhoogde aandacht voor advocaten kan worden gedestilleerd, terwijl eiser dit beroep ook nimmer actief heeft uitgeoefend. De rechtbank heeft verweerder in dit standpunt gevolgd. 11.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in de huidige procedure niet alsnog aannemelijk gemaakt dat hij in Egypte het beroep van advocaat heeft uitgeoefend, nu dit niet uit de door hem overgelegde stukken blijkt. 11.2. Voor zover eiser wel aangemerkt kan worden als advocaat, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet met op hem persoonlijk toegespitste stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook uit de door eiser aangehaalde landeninformatie – zoals hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 7 – volgt dit naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank merkt daarbij nog op dat advocaten in het landgebonden beleid ten aanzien van Egypte ook niet als risicoprofiel worden aangemerkt. Conclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen 12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen zoals bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Ook zijn er geen bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw die maken dat de rechtbank het bestreden besluit desondanks moet toetsen als ware het de afwijzing van een eerste aanvraag. De medische situatie van eiser en artikel 8 van het EVRM 13. Eiser heeft zich – zo begrijpt de rechtbank – op het standpunt gesteld dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM in Egypte uit te oefenen, omdat zijn partner als westerse en katholieke vrouw in Egypte niet veilig is. Daarnaast meent eiser dat verweerder hem vanwege zijn medische situatie met toepassing van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek moet verlenen. 13.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de huidige procedure terecht niet ambtshalve heeft getoetst of uitzetting van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 3.6a van het Vb volgt namelijk dat alleen ambtshalve wordt beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning als sprake is van een eerste asielaanvraag. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Ook wordt bij een tweede op opvolgende asielaanvraag niet beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw. Als eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning dan wel uitstel van vertrek, moet hij daartoe strekkende aanvraag indienen. De beoordeling van het verzoek van eiser aan de rechtbank om het proces-verbaal van de zitting 7 mei 2015 aan hem te doen toekomen 14. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om het proces-verbaal van de zitting van 7 mei 2015 af, omdat dit proces-verbaal geen betrekking heeft op de huidige procedure. De beoordeling van het verzoek van eiser om aanhouding van het beroep 15. De rechtbank acht zich – gelet op al het vorenstaande – voldoende geïnformeerd om op het beroep van eiser te beslissen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om de behandeling van het beroep aan te houden af. Conclusie en gevolgen 16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Samen met de beroepen geregistreerd onder zaaknummers AWB 20/4112 en AWB 20/4678. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/8085. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Geregistreerd onder zaaknummer 201602404/1/V3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij een advocaat is, wijst eiser op een kopie van zijn paspoort waarop ‘lawyer’ is vermeld, een kopie van zijn identiteitsbewijs als lid van de Egyptische Orde van Advocaten en zijn identiteitskaart waarop in het Arabisch staat dat hij advocaat is. United Nations High Commissioner for Refugees. Human Rights Watch. Pagina 42. Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze stukken zijn bij de zittingsaantekening van 29 januari 2026 gevoegd. Deze procedure is geregistreerd onder zaaknummer AWB 15/8348. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021,ECLI:EU:C:2021:478. ECLI:NL:RVS:2022:208. Geregistreerd onder zaaknummer 201602404/1/V3. Zie rechtsoverweging 6.1. van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2016, AWB15/8085. Zie rechtsoverweging 6.2. van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 maart 2016, AWB15/8085. Zoals hiervoor weergegeven in voetnoot 8. Zie paragraaf C7/12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Vreemdelingenbesluit 2000. Zie paragraaf A3/7.2.3. van de Vc.