ECLI:NL:RBDHA:2026:9303
Rechtbank Den Haag · 2026-03-31 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Intrekking verblijfsvergunning verblijf als familie of gezinslid, beroep ongegrond, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Datum intrekking, terugkeerbesluit, SIS-signalering.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.11408 en NL25.11409 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S. Karkache), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Laros). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning met het besluit van 13 november 2024 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser is in 2022 naar Nederland gekomen en was in het bezit van een verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn ex-echtgenote, [naam] . 2.1. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning per 27 september 2024 ingetrokken omdat eiser niet meer voldoet aan de beperking van zijn verblijfsvergunning. De relatie tussen eiser en zijn ex-echtgenote is namelijk beëindigd. Verder is er geen sprake van bijzondere omstandigheden of strijd met artikel 8 van het EVRM . 2.2. Vervolgens heeft eiser een aanvraag ingediend om zijn verblijfsdoel te wijzigen naar verblijf op grond van humanitaire redenen, specifiek huiselijk geweld. Verweerder heeft deze aanvraag op 6 juni 2025 afgewezen. Deze afwijzing is onherroepelijk. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser betoogt dat zijn verblijfsvergunning niet op 27 september 2024 mocht worden ingetrokken. Verweerder heeft namelijk niet mogen uitgaan van de datum die eisers ex-echtgenoot heeft gemeld. Verder is aan eiser ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd en is eiser ten onrechte gesignaleerd in het SIS . Het opgelegde terugkeerbesluit is onevenredig omdat eiser niet illegaal was. Door naast de intrekking aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen en hem te signaleren in het SIS, wordt eiser dubbel bestraft. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Mocht verweerder eisers verblijfsvergunning per 27 september 2024 intrekken? De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verblijfsvergunning terecht per 27 september 2024 heeft ingetrokken. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat de relatie tussen eiser en zijn ex-echtgenote is beëindigd. Daarnaast is de rechtbank het eens met verweerder dat is gebleken dat eiser op 27 september 2024 de woning van zijn ex-echtgenote definitief heeft verlaten en de relatie per die datum is verbroken. Volgens verweerder blijkt uit telefonisch contact met eisers ex-echtgenote dat hun relatie op 27 september 2024 is beëindigd. De rechtbank is het niet eens met eisers stelling dat er geen reden is om uit te gaan van de telefonische mededelingen. Eiser heeft namelijk zelf bij de zedenpolitie verklaard dat hij al op 20 september 2024 definitief bij zijn ex-echtgenote is weggegaan. De rechtbank is het eens met verweerder dat de omstandigheid dat eiser daarna nog feitelijk bij zijn ex-echtgenote zou hebben verbleven, het voorgaande niet anders maakt. Eiser heeft namelijk niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de relatie tussen hen hersteld zou zijn. Mocht verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opleggen en hem signaleren in het SIS? 5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen rechtmatig verblijf had vanaf 27 september 2024 en verweerder daarom bevoegd en verplicht was om een terugkeerbesluit op te leggen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het opleggen van het terugkeerbesluit onevenredig is. Daarbij was verweerder verplicht het terugkeerbesluit te signaleren in SIS. De stelling van eiser dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering een dubbele bestraffing zijn, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk niet nader toegelicht waarom de negatieve gevolgen hiervan onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Ook eisers stelling dat hij ten tijde van het terugkeerbesluit procedureel rechtmatig verblijf had, doet er niet aan af. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, staat vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had vanaf 27 september 2024. Toen eiser daarna een aanvraag tot het wijzigen van het verblijfsdoel indiende, is het terugkeerbesluit opgeschort. Bovendien heeft verweerder tijdens de zitting toegelicht dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering met terugwerkende kracht per 18 juli 2025 zijn verwijderd, toen aan eiser een verblijfsvergunning is afgegeven. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit . 8. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn/haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. In de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Schengen Informatie Systeem. Zie het besluit van 6 juni 2025, pagina 4. Zie artikel 3, eerste lid van de Verordening 2018/1860. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.