← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:8250

Rechtbank Den Haag · 2026-04-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.56568
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.627 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep gegrond. Asiel aanvraag. Eiser heeft de Libische nationaliteit. Eiser heeft in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de minister het neef-zijn van [naam 1] en de daaraan verbonden problemen ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, ongeloofwaardig heeft geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich er in dit geval niet voldoende van vergewist hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. De rechtbank baseert haar oordeel op de omstandigheid dat, hoewel eiser geen contra-expertise heeft overgelegd, hij door te verwijzen naar pagina 18 van het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2023 wél twijfel heeft weten te zaaien over de juistheid van de verklaring van Bureau Documenten. Uit deze passage blijkt dat Libië wordt gecontroleerd door vele tientallen door tegenstellingen uiteengevallen gewapende groepen die steun geven aan de rivaliserende politieke leiders. De macht ligt dus niet bij één centrale overheid waardoor het vergelijkingsmateriaal van Bureau Documenten, zoals eiser stelt, mogelijk beperkt of niet geheel representatief is. Gelet op deze situatie heeft de minister het betoog van eiser, dat het arrestatiebevel door de gewapende militie [naam 2] is afgegeven, dan ook niet zonder meer terzijde kunnen schuiven.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.56568 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1994, van Libische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. D.G. Metselaar) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R. van Dooren). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 6 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, M.L. Barbary als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is de neef van [naam 1] , wie een belangrijke functie had tijdens het regime van Moammar al-Qadhafi en de overgangsregering. Deze neef is in 2015 vanuit het zuiden van Libië naar Tripoli verhuisd. Eiser ging veel om met een van de zonen van zijn neef en de rest van het gezin. Tijdens eisers studietijd heeft hij gedeeltelijk bij het gezin van zijn neef gewoond. Eisers neef is in 2020 overleden In maart 2022 ontving eisers broer een arrestatiebevel, waarin staat dat eiser wordt gezocht, toen een militie bij het huis van eisers moeder een inval deed. Eiser heeft hierna een maand ondergedoken gezeten bij zijn zus. Eiser is vervolgens in april 2022 vertrokken uit Libië. Bij terugkeer vreest eiser gedood te worden door deze militie. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. de neef zijn van [naam 1] en daaraan gerelateerde problemen. 3.1. De minister acht het eerste motief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht de minister niet geloofwaardig. De reden daarvoor is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, d en e van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag zonder verschoonbare reden niet zo spoedig mogelijk ingediend. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inval in verband staat met de gestelde familieband. Volgens de minister kan uit het alleen hebben van dezelfde achternaam, of uit de verklaring dat eiser bij zijn neef heeft gewoond, niet worden afgeleid dat er sprake is van een familieband. Voor wat betreft de gestelde problemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar een arrestatiebevel heeft overgelegd, maar dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Dat eiser uit Libië komt is volgens de minister onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd in Nederland op het moment dat dit mogelijk was. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser voert in beroep, kort samengevat, aan dat de minister het neef-zijn van [naam 1] en de daaraan verbonden problemen ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser betoogt dat uit de overgelegde rapporten van mensenrechtenorganisaties en de aangehaalde pagina’s uit het ambtsbericht in de zienswijze blijkt dat familieleden van voormalige functionarissen in het GNA -gebied gevaar lopen. Daarmee heeft hij aannemelijk gemaakt dat de inval verband houdt met zijn familieband. Eiser voert verder aan dat het arrestatiebevel authentiek is en is afgegeven door de gewapende militie [naam 2], en wijst in dit verband op de complexe situatie in Tripoli onder verwijzing naar pagina 18 van het Algemeen Ambtsbericht over Libië van 2023. Daarnaast voert eiser aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Ten slotte stelt eiser dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 EVRM . De minister stelt zich volgens eiser onterecht op het standpunt dat dit risico afhankelijk zou zijn van het profiel van de persoon die terugkeert, terwijl het ambtsbericht juist een reëel risico op onmenselijke behandeling vermeldt, onder meer door langdurige ondervraging, arrestatie, detentie of marteling. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 januari 2026 . Het oordeel van de rechtbank 5. De rechtbank oordeelt als volgt. 5.1. De minister heeft het door eiser overgelegde arrestatiebevel laten onderzoeken door Bureau Documenten. In de verklaring van onderzoek van 17 januari 2025 heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat het arrestatiebevel waarschijnlijk niet echt is omdat de verschijningsvorm afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. 5.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat Bureau Documenten een deskundige is en dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb met zich meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich er in dit geval niet voldoende van vergewist hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. De rechtbank baseert haar oordeel op de omstandigheid dat, hoewel eiser geen contra-expertise heeft overgelegd, hij door te verwijzen naar pagina 18 van het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2023 wél twijfel heeft weten te zaaien over de juistheid van de verklaring van Bureau Documenten. Uit deze passage blijkt dat Libië wordt gecontroleerd door vele tientallen door tegenstellingen uiteengevallen gewapende groepen die steun geven aan de rivaliserende politieke leiders. De macht ligt dus niet bij één centrale overheid waardoor het vergelijkingsmateriaal van Bureau Documenten, zoals eiser stelt, mogelijk beperkt of niet geheel representatief is. Gelet op deze situatie heeft de minister het betoog van eiser, dat het arrestatiebevel door de gewapende militie [naam 2] is afgegeven, dan ook niet zonder meer terzijde kunnen schuiven. Omdat eiser hier al in de zienswijze op heeft gewezen, had de minister zich in ieder geval bij Bureau Documenten ervan moeten vergewissen of deze omstandigheid van invloed zou kunnen zijn geweest op de conclusie van het onderzoek. Dit klemt des te meer nu uit de conclusie van Bureau Documenten volgt dat het arrestatiebevel waarschijnlijk niet echt is, in tegenstelling tot hetgeen de minister in het bestreden besluit heeft beschreven dat het arrestatiebevel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Daardoor bestaat er dus meer ruimte voor twijfel ten aanzien van de bevindingen van Bureau Documenten. 5.4 Nu het arrestatiebevel een cruciaal element is in het asielrelaas van eiser en de minister hierover in het bestreden besluit ten onrechte uitsluitend heeft gesteld dat de verklaring van Bureau Documenten een deskundigenonderzoek is, komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, ziet de rechtbank af van een beoordeling van de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden. 5.4.1. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om, voor zover van belang voor een eventuele finale geschilbeslechting, het volgende op te merken over een artikel 3EVRM-risico bij terugkeer. 5.4.2. Mocht de minister bij een nieuw te nemen besluit wederom het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig achten, dan merkt de rechtbank, onder verwijzing naar de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 januari 2026, op dat uit het ambtsbericht blijkt dat personen die terugkeren naar Libië kunnen worden blootgesteld aan langdurige ondervraging en daarbij risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Ook blijkt uit het ambtsbericht, zoals in de hiervoor genoemde uitspraak ook is overwogen, niet dat terugkeerders aan een bepaald profiel moeten voldoen om voor deze risico’s in aanmerking te komen. Daar komt in het geval van eiser nog bij dat hij bij terugkeer, gezien zijn achternaam, mogelijk extra risico loopt als gevolg van toedichting aan de familie van [naam 1] . De rechtbank stelt voorts vast dat de UNHCR erop aan dringt dat alle staten gedwongen terugkeer naar Libië opschorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie aanzienlijk is verbeterd. Deze overwegingen in hun samenhang bezien, brengt met zich dat het aan de minister is alle twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM weg te nemen bij een eventueel nieuw te nemen besluit op dit punt. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 8. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 12 november 2025; draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Onder verwijzing naar artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000. Government of National Accord. Richtlijn 2011/95/EU. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zaaknummer: NL25.36951 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Algemene wet bestuursrecht. Dit blijkt ook uit het meest recente ambtsbericht, zie hiervoor pagina 22 van het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2025. Zie rechtsoverweging 19 in zaaknummer: NL25.36951 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (Engels: United Nations High Commissioner for Refugees). ‘to dispel any doubts’, Europees Hof voor de Rechten van de Mens in o.a. de zaak R.C. tegen Zweden nr. 41827/07 en 20 juli 2010 in de zaak M.A. tegen Zwitserland, nr. 23505/09. Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij de rechtbank uitgaat van 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).