ECLI:NL:RBDHA:2026:29844
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-08
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Maatregel van vreemdelingenbewaring ogv 50a. Eiser ten onrechte niet aangevoerd voor zitting. Geen andere mogelijkheid eiser nog ter zitting te horen. Termijn van 15 dagen kon niet meer worden gehaald, geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden. Beroep gegrond, opheffing.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.58024 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. M. Rasul, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. J. Kaikai. Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van de minister. 1.3 Bij aanvang van de zitting bleek dat eiser niet was aangevoerd, omdat er geen transport was aangevraagd. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 2.1. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 2.2. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . Uitspraak binnen 15 dagen 3. De rechtbank stelt voorop dat ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn is bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen, of in uitzonderlijke omstandigheden uiterlijk 21 dagen, na de aanvang van de bewaring. Indien de bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw. 3.1 De rechtbank stelt vast dat eiser ten onrechte niet is aangevoerd ter zitting omdat geen transport was aangevraagd. Eiser heeft namelijk geen afstand gedaan van zijn recht om te worden gehoord. Ter zitting is gebleken dat er geen andere mogelijkheid meer bestond eiser tijdig op zitting te horen. Nu de rechtbank binnen 15 dagen na het opleggen van de maatregel uitspraak moet doen, moet de uitspraak uiterlijk op 12 oktober 2026 worden gedaan. Omdat nu al is gebleken dat de termijn van 15 dagen niet zal worden gehaald is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring met ingang van heden onrechtmatig is geworden. Het beroep is dan ook gegrond. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag. 5. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op een eerder moment dan vandaag opgeheven had moeten worden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding. 5.1. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af; - beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Richtlijn 2024/1346 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...