Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29817

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-07
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.45328
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
18.695 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Intrekking verblijfsvergunning asiel (subsidiaire bescherming), wegens gevaar voor de openbare orde. Geen terugkeerbesluit opgelegd. Uit het arrest Tadmur volgt dat de minister geen vertrekplicht op grond van een nationale regel kon opleggen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat intrekking van de verblijfsvergunning een geschikt middel is om het daarmee beoogde doel, de bescherming van de samenleving, te bereiken en daarmee onvoldoende gemotiveerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. Beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.45328 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Samenvatting In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 25 augustus 2025. De minister heeft met dat besluit de verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken vanaf 29 juni 2024, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan eiser is geen terugkeerbesluit opgelegd, maar wel een vertrekplicht. Verder is een besluit tot signalering opgelegd voor de duur van tien jaren. Eiser is het hier niet mee eens en voert een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning asiel onvoldoende is gemotiveerd en daarom niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. De minister heeft met ingang van 5 maart 2012 aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Daarna is de vergunning verlengd tot 5 maart 2022 en daarna tot 5 maart 2027. Op 18 april 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om eisers verblijfsvergunning in te trekken. Eiser heeft geen zienswijze uitgebracht. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister de verblijfsvergunning asiel ingetrokken met ingang van 29 juni 2024. 1.1 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.2 De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.3 De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen De feiten 2. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Hij is in het bezit van een asielvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (subsidiaire bescherming). 3. Eiser is op 13 juli 2020 veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling, gepleegd op 24 december 2019. De minister heeft op 15 januari 2021 het voornemen uitgebracht om eisers verblijfsvergunning in te trekken. Gelet op informatie van eisers behandelaar – waaruit volgde dat sprake was van een positieve gedragsverandering ten aanzien van zijn verslavingsproblematiek en delictverleden – heeft de minister afgezien van intrekking en op 21 maart 2022 volstaan met een waarschuwing. 4. Bij vonnis van 25 oktober 2024 is eiser door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden, voor het plegen van poging tot doodslag en het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine en MDMA op 29 juni 2024. Het bestreden besluit 5. De minister heeft de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met ingang van 29 juni 2024, de pleegdatum van het delict. Volgens de minister vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, nu na het gepleegde misdrijf op 29 juni 2024 aan alle voorwaarden van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is voldaan. Volgens de minister is sprake van een ernstig misdrijf die naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap vormt. Het persoonlijk gedrag van eiser vormt een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het strafblad van eiser voldoet aan artikel 3.86 van het Vb . De minister acht de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig. De intrekking van de verblijfsvergunning is een geschikt middel om het doel – de bescherming van de samenleving tegen het ernstige gevaar dat eiser vormt – te bereiken. Dat geen terugkeerbesluit wordt opgelegd, betekent niet dat het middel niet geschikt is, nu eiser op grond van de Vw wel een vertrekplicht heeft. Het gaat om een noodzakelijk middel en er zijn geen andere middelen of maatregelen voorhanden. Een waarschuwing, zoals eerder is opgelegd op 21 maart 2022, volstaat niet. Volgens de minister komt eiser niet in aanmerking voor een reguliere vergunning voor het uitoefenen van zijn privéleven. De minister erkent dat eiser in Nederland privéleven heeft opgebouwd, maar stelt zich op het standpunt dat het belang van de Nederlandse overheid bij de bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van eiser om zijn privéleven in Nederland te kunnen blijven uitoefenen. Eiser krijgt een besluit tot signalering voor de duur van 10 jaar. De minister stelt ten slotte dat eiser bij terugkeer naar Libië nog altijd een reëel risico loopt op ernstige schade. Er wordt daarom geen terugkeerbesluit aan hem opgelegd en hij zal niet gedwongen worden uitgezet. Wel verblijft eiser zonder verblijfsvergunning illegaal in Nederland en rust op hem de plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Het unierechtelijk openbare orde-criterium 6. Een asielvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Daarvan is sprake als hij door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging is die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het unierechtelijk openbare orde-criterium). Bij zijn beoordeling of sprake is van een actuele bedreiging moet de minister alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit. Een asielvergunning voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw wordt verder slechts ingetrokken als er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd. 7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan het unierechtelijke openbare orde-criterium. Het enkel verwijzen naar eerdere veroordelingen acht eiser onvoldoende. De minister had een actuele risicoanalyse moeten maken. De eerder gepleegde strafbare feiten hebben voor de minister destijds geen aanleiding gevormd om het verblijfsrecht te beëindigen. Dat de ernst van het laatst gepleegde feit volgens de minister de emmer doet overlopen, geeft weer dat geen actuele beoordeling is verricht naar het gevaar voor de openbare orde. Verder heeft de minister geen dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde aangetoond en onvoldoende rekening gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden en gedrag in detentie. 8. De minister heeft gemotiveerd dat sprake is van een voldoende ernstige bedreiging, nu het misdrijf van 29 juni 2024 kwalificeert als een ernstig misdrijf. Eiser is al op minderjarige leeftijd begonnen met het plegen van delicten en heeft op 24 december 2019 een fors misdrijf gepleegd, waarop de minister een waarschuwing heeft gegeven. Er is verder sprake van een aantasting van een fundamenteel belang van de samenleving. Bij het misdrijf van 29 juni 2024 heeft eiser midden op straat, in een druk uitgaansgebied, iemand aangevallen met een scherp wapen (een machete). Daarmee is een fundamenteel belang van de samenleving aangetast, namelijk dat burgers zich veilig over straat kunnen bewegen zonder te worden aangevallen. Verder heeft de minister gemotiveerd dat eiser ook nu nog een actuele bedreiging vormt, nu hij het misdrijf recent heeft gepleegd (29 juni 2024) en de straf recent onherroepelijk is geworden (3 december 2024). Omdat het een ernstig misdrijf betreft, blijft de dreiging langer actueel. Eiser zat ten tijde van het bestreden besluit nog in detentie. Uit het reclasseringsadvies van Fivoor van 3 oktober 2024 blijkt dat er kans bestaat op recidive vanwege eisers slechte maatschappelijke integratie en zijn middelengebruik in combinatie met zijn psychosociaal functioneren. De waarschuwing van 21 maart 2022 en de eerdere hulp en behandeling hebben geen effect gehad. 9. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond dat de minister in zijn motivering enkel heeft verwezen naar eerdere veroordelingen en daarbij eisers persoonlijke omstandigheden niet heeft betrokken, niet slaagt. Zo heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom sprake is van een voldoende ernstige bedreiging en heeft hij daarbij terecht eisers verleden betrokken, waaruit volgt dat eiser frequent (ernstige) misdrijven heeft gepleegd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de minister over de omstandigheden en de ernst van het misdrijf en de minister heeft daaruit kunnen concluderen dat een fundamenteel belang van de samenleving is aangetast. Verder heeft de minister uitgebreid en navolgbaar gemotiveerd dat eiser een actuele bedreiging vormt. Voor zover is aangevoerd dat eiser in detentie goed gedrag heeft vertoond en ook na zijn vrijlating geen problemen meer heeft gehad, overweegt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hieraan beperkt gewicht toekomt. Goed gedrag in detentie, voor zover daarvan al sprake is, zegt immers niet veel over het gedrag in de vrije maatschappij. Verder is eiser pas in december 2025 vrijgekomen en staat hij sindsdien onder begeleiding van de reclassering en neemt hij deel aan een zorgtraject bij HVO Querido. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser met een langere periode van goed gedrag in vrijheid heeft laten zien dat hij geen gevaar meer vormt. De rechtbank concludeert daarom dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De beroepsgrond slaagt niet. Evenredigheidsbeginsel 10. De minister heeft in aanvulling op artikel 32 van de Vw en artikel 3.105f van het Vb beleidsregels neergelegd in onderdeel C2/10.1.1. van de Vc. Hieruit volgt dat er beleidsruimte bestaat om van intrekking van het verblijfsrecht af te zien en dat de minister daarbij van belang acht dat wordt beoordeeld of de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. Hierbij wordt bekeken wat het belang van de Staat is om te handhaven en om de verblijfsvergunning in te trekken tegenover het belang van de vreemdeling om hier rechtmatig verblijf te behouden. Omdat het intrekken van het verblijfsrecht vergaande gevolgen heeft voor de vreemdeling moet de evenredigheid van dit besluit op voorhand getoetst worden. 11. Eiser voert aan dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De minister miskent volgens eiser dat het voor hem zeer negatief uitpakt dat zijn verblijfsrecht wordt ingetrokken, terwijl hij vanwege het beginsel van non-refoulement niet kan worden uitgezet. Juist voor eiser, voor wie structuur en begeleiding noodzakelijk is, zal het afknijpen van alle hulp en steun zonder zicht op vertrek uit Nederland tot grote crises kunnen leiden. Het risico dat eiser onder die omstandigheden opnieuw de fout in gaat, is groter dan het nadeel voor de minister om eiser een vorm van rechtmatig verblijf in Nederland toe te staan, aldus eiser. 12. De rechtbank stelt vast dat de minister met het bestreden besluit in het kader van paragraaf C5/4.1.1. van de Vc in samenhang met paragraaf C2/10.1.1. van de Vc heeft beoordeeld of de intrekking van eisers verblijfsvergunning evenredig is. De minister heeft daarbij allereerst vastgesteld dat hij met de intrekking van de verblijfsvergunning het doel heeft om de samenleving te beschermen tegen het ernstige gevaar dat eiser vormt. Vervolgens concludeert de minister dat de intrekking van de verblijfsvergunning een geschikt middel is om dit doel te bereiken. Hoewel geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd – en eiser dus niet gedwongen kan worden uitgezet – verblijft eiser na de intrekking van zijn verblijfsvergunning illegaal in Nederland en heeft hij op grond van artikel 61 van de Vw de plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten. Ten slotte is de intrekking van de verblijfsvergunning ook noodzakelijk om het doel te bereiken, omdat is gebleken dat minder verstrekkende maatregelen niet het gewenste effect hebben gehad. 13. De rechtbank is van oordeel dat voorgaande overwegingen, voor zover zij de geschiktheid van het middel betreffen, geen stand kunnen houden, gelet op het op 26 maart 2026 gewezen arrest Tadmur van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit dit arrest volgt dat het opleggen van een vertrekplicht op grond van een nationale regel onverenigbaar is met het Unierecht op het moment dat geen terugkeerbesluit, en dus terugkeerverplichting, op grond van de Terugkeerrichtlijn kan worden opgelegd. In het verweerschrift heeft de minister erkend dat er, gelet op dit arrest, ten onrechte aan eiser een vertrekplicht is opgelegd. Dit roept bij de rechtbank de vraag op of de intrekking van de verblijfsvergunning dan nog wel een geschikt middel is om het doel, bescherming van de samenleving, te bereiken. De rechtbank overweegt daarover het volgende. 13.1. Aan eiser is geen terugkeerbesluit opgelegd, omdat dit volgens de minister in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Dit betekent dat eiser niet gedwongen kan worden uitgezet. De minister heeft in beroep erkend dat aan eiser, gelet op het arrest Tadmur, ook geen nationale vertrekplicht kan worden opgelegd. Dat betekent dat uit het bestreden besluit op geen enkele manier een vertrekplicht voor eiser volgt. De intrekking van de verblijfsvergunning leidt er enkel toe dat eiser illegaal in Nederland verblijft. Dit illegale verblijf brengt met zich dat eiser geen mogelijkheid heeft om op een legale manier deel te nemen aan de maatschappij. Hij kan niet naar school en hij kan niet werken. Dit betekent dat hij geen legale manier heeft om aan geld te komen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Uit het dossier komt verder naar voren dat eiser vanwege zijn verslavings- en psychische problematiek een hoge behoefte heeft aan zorg. Zijn illegale verblijf zal er echter voor zorgen dat hij niet of minder gebruik kan maken van de (medische) voorzieningen waarop hij nu is aangewezen. Eiser zal door het bestreden besluit dus illegaal in Nederland verblijven, terwijl zijn verslavings- en psychische problematiek voortduren en hij geen mogelijkheden heeft om op legale wijze in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank niet in dat de intrekking van de verblijfsvergunning een geschikt middel is om de Nederlandse maatschappij te beschermen tegen het gevaar dat eiser vormt. Het komt de rechtbank voor dat eiser onder deze omstandigheden juist een groter gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving. Voor zover de minister ter zitting heeft gesteld dat eiser zelf kan voorkómen in deze omstandigheden te moeten leven door Nederland op eigen initiatief te verlaten, overweegt de rechtbank dat geenszins is gebleken dat er een ander land is waar eiser naartoe kan gaan, zodat de rechtbank aan deze stelling geen waarde hecht. 13.2. Voor zover de minister nog heeft verwezen naar overwegingen 51 e.v. van het arrest Tadmur met betrekking tot het nuttig effect van de intrekking van de verblijfsvergunning overweegt de rechtbank als volgt. Uit de genoemde overwegingen volgt inderdaad dat intrekking van de verblijfsvergunning nog een nuttig effect heeft, ook als de betrokkene niet kan worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Zo heeft intrekking het gevolg dat de betrokkene niet langer beschikt over bepaalde rechten en voordelen en kan een terugkeerverplichting ook zien op andere landen dan het land van herkomst, namelijk een land van doorreis of een ander derde land waarnaar de betrokkene besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten. De rechtbank constateert echter dat in dit geval geen terugkeerverplichting naar een ander land dan het land van herkomst is opgelegd en dat het niet langer beschikken over bepaalde rechten en voordelen er in dit geval juist voor zorgt dat het doel dat de minister stelt met dit besluit te willen bereiken – de bescherming van de samenleving – niet langer wordt bereikt. 13.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat intrekking van de verblijfsvergunning een geschikt middel is om het daarmee beoogde doel te bereiken en dat de minister daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd dat de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. 14. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Bij een eventueel nieuw te nemen besluit omtrent de intrekking van eisers verblijfsvergunning dient de minister deze uitspraak in acht te nemen. 15. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.M. Celie, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenbesluit 2000. Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in samenhang met artikel 3.105f van het Vb. Paragraaf C2/10.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:877. Artikel 3.105f, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 26 maart 2026, C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257 (Tadmur), in het bijzonder r.o. 44 e.v.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...