ECLI:NL:RBDHA:2026:29730
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-06
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring – eerste beroep – verblijfsrecht Italië – gronden – beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.57309 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. N. den Ouden), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.J. Westendorp). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 25 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.A. Ochieng als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Verblijf(srecht) in Italië 3. Eiser stelt dat hij in Italië een medische identiteitskaart heeft gekregen van de gemeente waar hij verbleef. Met deze kaart kan hij de medicatie krijgen die hij behoeft. In Gambia is deze medicatie niet voorhanden. Eiser meent dat hij met deze identiteitskaart rechtmatig verblijf heeft in Italië en wenst daarom terug te keren naar Italië. 3.1. De rechtbank verwijst naar wat hierover is overwogen in het asielbesluit van 24 september 2026. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende: “[…] U stelt in uw correcties en aanvullingen dat u in Italië een medische verblijfsprocedure hebt gehad en daar nog mag verblijven. De IND heeft hierover navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Daaruit blijkt dat uw verblijfsvergunning op 30 november 2018 is verlopen en dat geen aanvraag om verlenging is geregistreerd. Uw Italiaanse identiteitskaart is als echt beoordeeld, maar toont geen huidig verblijfsrecht aan. Bovendien is een andere Italiaanse verblijfskaart die u hebt getoond als vals beoordeeld. Volgens de Italiaanse autoriteiten hoort het nummer van die kaart bij iemand anders. Uw uitleg over Italië verandert de beoordeling van het gehoor van 15 september 2026 niet. De IND blijft daarom bij het besluit uw asielaanvraag buiten behandeling te stellen. […]” Zoals uit het voorgaande blijkt toont de door eiser aangehaalde Italiaanse (medische) identiteitskaart geen huidig verblijfsrecht aan. In deze procedure tegen de maatregel van bewaring heeft eiser niets anders of aanvullends verklaard of overgelegd waardoor toch aangenomen zou moeten worden dat de identiteitskaart wel huidig verblijfsrecht in Italië aantoont. Gelet daarop kan eiser niet terugkeren naar Italië. Dat maakt dat eiser op de juiste grondslag in bewaring gesteld en terug dient te keren (al dan niet door middel van een uitzetting) naar zijn land van herkomst. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Gronden 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.2. Eiser betwist grond c. 4.3. De minister laat grond c ter zitting vallen. 4.4. De overige (niet bestreden) gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een risico op onderduiken aan het toezicht bestaat. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...