ECLI:NL:RBDHA:2026:29726
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-06
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring – 59b – kennisging niet onverwijld – gronden – lichter middel – beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.56874 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.J. Westendorp). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel . Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.A. Ochieng als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Kennisgeving 3. Eiser stelt dat de kennisgeving niet binnen de termijn van zes uren is verzonden naar de rechtbank. Dat maakt volgens eiser de maatregel van bewaring onrechtmatig. 3.1. De minister erkent dat de kennisgeving niet binnen de termijn van zes uur is verzonden, maar meent dat de verzending wel binnen een aanvaardbare termijn heeft plaatsgevonden. 3.2. De rechtbank is met partijen van oordeel dat geen sprake is van een onverwijlde kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat hiervan sprake is als de kennisgeving binnen zes uren na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Eiser is op 24 september 2026 om 19.28 uur in vreemdelingenbewaring gesteld en op 25 september 2026 om 10.02 uur heeft de minister de rechtbank daarvan in kennis gesteld. De minister heeft de rechtbank dus niet binnen zes uren in kennis gesteld van de bestreden maatregel. Dit gebrek leidt echter niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig moet worden geacht. De minister heeft immers wel binnen een aanvaardbare termijn kennisgegeven om het beroep tijdig te kunnen behandelen. De rechtbank heeft op 1 oktober 2026, dus zeven dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, het beroep op een zitting behandeld, en heeft veertien dagen na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak gedaan. Dat is dus binnen de termijn bedoeld in artikel 94, vijfde lid, van de Vw. Eiser heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door het niet onverwijld versturen van de kennisgeving in zijn verdediging is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Gronden 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. 4.2. De minister heeft ter zitting de door eiser betwiste gronden c en h laten vallen. Verder heeft de minister nadat grond u ambtshalve aan de orde is gesteld ook deze grond laten vallen. 4.3. De overige (niet betwiste) gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Lichter middel 5. Eiser meent dat met een lichter middel dan de maatregel van bewaring kan worden volstaan, omdat zijn geldige paspoort in de handen van de Nederlandse overheid is en hij daarvoor niet kan vertrekken. Hij wenst zijn asielprocedure waarin hij nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht af te wachten op het asielzoekerscentrum. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende kenbaar gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel naast de gronden en de motiveringen van deze gronden, ook betrokken dat eiser zich jarenlang heeft onttrokken aan toezicht en zijn eerdere terugkeerbesluit heeft genegeerd. Reeds hierom is een lichter middel al niet geïndiceerd. De minister hoeft dan ook niet het risico te lopen dat eiser toch weer onderduikt en niet verschijnt op de met hem gemaakte afspraken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...