Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29701

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-08
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.56870
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
13.378 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bewaring art. 59 Vw. Geen schending inspanningsverplichting, refoulement-motivering voldoende. Gebreken in de ophouding (te lange duur, verkeerde artikellid) maken bewaring niet onrechtmatig. Beroep ongegrond, wel vergoeding proceskosten.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.56870 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. O. Sari). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 5. Eiser betwist niet dat bovengenoemde gronden kunnen worden tegengeworpen, maar hij betoogt dat de inbewaringstelling desondanks onrechtmatig is omdat hij mogelijk op de verkeerde grondslag in bewaring zit en vanwege een aantal gebreken in het voortraject. Zo heeft minister niet voldaan aan zijn inspanningsverplichting als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Die verplichting is volgens de hiervoor genoemde paragraaf erop gericht om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Eiser stelt dat de minister in zijn geval onvoldoende handelingen heeft verricht om dat te voorkomen. Eiser betoogt daarnaast hij voorafgaand aan de bewaring had moeten worden opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw en niet op grond van het derde lid. Ook heeft de ophouding op grond van artikel 50 van de Vw langer geduurd dan de maximale termijn van zes uren. Eiser stelt ook dat daarom sprake is van een opeenstapeling van gebreken, wat het opleggen van de bewaring op zichzelf al onrechtmatig maakt. De grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring 5.1. Eisers betoog dat hij mogelijk op de verkeerde grondslag in bewaring zit omdat Eurodac niet is geraadpleegd op mogelijke ‘Eurodactreffers’ slaagt niet. Eiser heeft desgevraagd verklaard dat hij geen procedures in België heeft lopen en er is ook geen enkele aanwijzing dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor eisers procedure. De minister kon eiser daarom in bewaring stellen op grond van artikel 59 van de Vw. De inspanningsverplichting 5.2.1. Uit het dossier blijkt dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de bestreden maatregel in strafrechtelijke detentie zat vanaf 4 mei 2026. Eiser zat tot 6 augustus 2026 in voorlopige hechtenis en van 6 augustus tot 24 september 2026 zat hij een gevangenisstraf van vijf maanden uit. 5.2.2. Uit recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de datum van het strafrechtelijke vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Met betrekking tot een strafrechtelijke detentie van meer dan 30 dagen heeft de Afdeling overwogen dat het overdrachtsdossier uiterlijk dertig dagen vóór de einddatum van de strafrechtelijke detentie bij Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) moet zijn. Uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, moet de minister een eerste voorbereidingshandeling verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval. 5.2.3. De rechtbank overweegt dat de minister in het geval van eiser eerder dan dertig dagen voor het einde van zijn strafrechtelijke detentie (op 24 september 2026) is begonnen met het voorbereiden van de uitzetting. Op 30 juni 2026 is immers al een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarna is zowel op 4 als op 8 september 2026 nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser, is ook op 8 september 2026 de laissez passer-aanvraag verstuurd naar de Algerijnse autoriteiten en is op 15 september 2026 de laissez passer-aanvraag verstuurd naar de Tunesische autoriteiten. De minister is dus op tijd begonnen met het treffen van voorbereidingshandelingen voor de uitzetting en heeft ook daarna ook voldoende voorbereidingshandelingen verricht. Er is daarom geen sprake van een schending van de inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring zou worden gesteld. De ophouding op grond van artikel 50 van de Vw 5.3.1. Eisers betoog dat de minister hem op grond van het tweede lid van artikel 50 van de Vw had moeten ophouden slaagt wel. In het strafrecht verkregen gegevens mogen als uitgangspunt worden genomen indien voor aanvang van de ophouding aan de hand van onder meer biometrische gegevens onderzoek is verricht naar de identiteit. In dat geval moet de minister toepassing geven aan het derde lid van artikel 50 van de Vw, ondanks het ontbreken van een geldig identiteitsdocument. Een dergelijke situatie doet zich in eisers geval echter niet voor. Uit het dossier blijkt dat in het strafrechtelijk voortraject wel is getracht aan de hand van biometrische gegevens onderzoek te doen naar eisers identiteit en nationaliteit, maar dat bij eiser geen vingerafdrukken konden worden afgenomen vanwege een storing. Het enkele feit dat hij met de door hem opgegeven naam stond geregistreerd in de systemen van de politie is in dat verband onvoldoende. De minister had eiser dus moeten ophouden op grond van het tweede lid van artikel 50 van de Vw en niet op grond van het derde lid. 5.3.2. Ook eisers betoog dat de ophouding op grond van artikel 50 van de Vw te lang heeft geduurd slaagt. Eiser is op 24 september 2026 om 08:20 uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw. Op dezelfde dag is hij om 15:10 uur in vreemdelingenbewaring gesteld. De uren tussen 00:00 uur en 09:00 uur worden niet meegerekend, zodat de maximale termijn van zes uur is overschreden met tien minuten. 5.3.3. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gebrek in beide gevallen niet opweegt tegen de belangen die met de vreemdelingenbewaring gediend zijn. De overschrijding van de termijn van zes uur is slechts minimaal en niet valt in te zien op welke wijze eiser in zijn belangen is geschaad door de verkeerde wettelijke grondslag, nu de duur van de ophouding op grond van het tweede en het derde lid van artikel 50 van de Vw evenveel uren bedraagt. 5.3.4. De rechtbank is gelet op voorgaande ook van oordeel dat geen sprake is van een opeenstapeling van gebreken waardoor de belangenafweging in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen. Voor zover bij twee gebreken al kan worden gesproken van een opeenstapeling is hiervoor al overwogen dat de ernst hiervan niet opweegt tegen de belangen die met de vreemdelingenbewaring gediend zijn. Non-refoulement 6. Eisers betoogt verder dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd of het beginsel van non-refoulement aan zijn bewaring en uitzetting in de weg staat. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat eiser in het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling geen nieuwe zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden heeft benoemd op grond waarvan niet langer van het asielbesluit van 5 augustus 2026 kan worden uitgegaan en dat ten aanzien van het land waarnaar eiser dient terug te keren geen beleid wordt gevoerd waardoor zijn uitzetting zou moeten worden opgeschort. Hoewel de formulering van deze overweging in de maatregel te wensen overlaat is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is wat de minister hiermee bedoelt te overwegen. Hij kon dan ook met die motivering volstaan, gelet op het feit dat door eiser geen omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan een mogelijk refoulementrisico moest worden aangenomen. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8.1. Omdat er gebreken aan de ophouding kleven (zie 5.3.1 en 5.3.2) heeft eiser wel recht op vergoeding van de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1687. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3120. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:NL:RVS:2018:1498.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...