Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29666

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-07
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.41626 + NL26.41627
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
11.807 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Kroatië. Geschil over welk recht van toepassing is. Beroep ongegrond, AMbV van toepassing omdat claimakkoord en bestreden besluit van na 12 juni 2026 zijn. Eiser hoefde niet te worden gehoord en heeft voldoende gelegenheid gehad zijn bezwaren tegen overdracht naar voren te brengen. Minister heeft terecht geen gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.41626 (beroep) NL26.41627 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2007, van Jordaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. C.J. Ullersma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn overdracht aan Kroatië te verbieden totdat op het beroep is beslist. 1.3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer A. Abdulla als tolk in de Arabische taal (Palestijns) en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. Eiser is afkomstig uit Jordanië. Hij heeft op 23 april 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat op 15 april 2026 in Kroatië een asielverzoek van eiser is geregistreerd. De minister heeft op 22 juni 2026 een kennisgeving inzake terugname bij Kroatië gedaan. De Kroatische autoriteiten hebben deze kennisgeving op 2 juli 2026 bevestigd. Vervolgens heeft de minister de aanvraag met het besluit van 16 juli 2026 niet in behandeling genomen met toepassing van de Asiel- en migratiebeheer verordening (hierna: AMbV) . Welk recht is van toepassing? 3. Tussen partijen is in geschil of het besluit van 16 juli 2026 kon worden gebaseerd op de AMbV. 3.1. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de Dublinverordening en niet de AMbV, het toetsingskader vormt. Eiser wijst op artikel 84, tweede lid van de AMbV waarin is bepaald dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening neergelegde criteria. 3.2. De minister heeft daartegenover gesteld dat artikel 84, tweede lid van de AMbV enkel ziet op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, maar dat in het geval van eiser de verantwoordelijke lidstaat (Kroatië) al bekend is omdat er sprake is van een terugnameverzoek. Verder zijn het claimakkoord en het bestreden besluit van na 12 juni 2026, terwijl de Dublinverordening per die datum is komen te vervallen. 3.3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Tot 12 juni 2026 stond die in de Dublinverordening. Op 12 juni 2026 is de AMbV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. 3.4. Omdat zowel het claimakkoord (de bevestiging van kennisgeving inzake terugname) als het bestreden besluit van na 12 juni 2026 zijn, is gelet op het bovenstaande de AMbV in principe van toepassing. Dit is alleen anders wanneer het overgangsrecht dat bepaalt. In artikel 84 van de AMbV zijn overgangsbepalingen opgenomen. Artikel 84, tweede lid van de AMbV bepaalt dat voor verzoeken om internationale bescherming die vóór 12 juni 2026 zijn gedaan, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. De rechtbank neemt aan dat hiermee de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening (artikel 7 t/m 15) en de bepalingen over afhankelijke personen en discretionaire bepalingen uit hoofdstuk IV (artikel 16 en 17) van de Dublinverordening worden bedoeld. De toepassing van laatstgenoemde bepalingen betreft immers ook de vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Dit sluit ook aan bij bijlage XII van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 over overnameverzoeken die vallen onder de reikwijdte van artikel 84, tweede lid, van de AMbV. In bijlage XII zijn ook de artikelen 16 en 17, tweede lid, van de Dublinverordening vermeld. 3.5. De asielaanvraag van eiser in Nederland is gedaan vóór 12 juni 2026. Gelet op het voorgaande heeft de minister het besluit terecht genomen met toepassing van de AMbV, met dien verstande dat hoofdstuk III en IV van de Dublinverordening van toepassing zijn. Het beroep tegen het besluit wordt beheerst door de AMbV. Eiser hoefde niet te worden gehoord en heeft voldoende gelegenheid gehad zijn bezwaren naar voren te brengen 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord. Dit levert volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek op. Ten onrechte is in het besluit gesteld dat eiser geen bezwaren naar voren heeft gebracht tegen zijn overdracht. Hij is namelijk niet behoorlijk in staat gesteld om dergelijke bezwaren kenbaar te maken. Er heeft namelijk geen gehoor plaatsgevonden en er is geen voornemen uitgebracht. De periode voorafgaand aan het besluit was ook te kort om uit eigen beweging bezwaren naar voren te brengen. Op 7 juli 2026 stuurde de minister een brief waarin is vermeld dat de procedure onder de AMbV viel en op 16 juli 2026 werd het besluit genomen. Het onderzoek is daarom niet zorgvuldig geweest 4.1. De verplichting tot een persoonlijk onderhoud (ook wel: gehoor) is in de AMbV beperkt tot overnameverzoeken. In dit geval is sprake van een terugnameprocedure. Dat neemt echter niet weg dat de minister het besluit, waarin eiser wordt geïnformeerd dat hij wordt overgedragen aan Kroatië (het overdrachtsbesluit), zorgvuldig moet voorbereiden. Dat vloeit voort uit het algemene zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij moet eiser daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld eventuele bezwaren tegen die overdracht naar voren te brengen. 4.2. De rechtbank oordeelt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen. De AMbV schrijft niet voor dat de minister eiser een termijn gunt om voorafgaand aan het besluit zijn bezwaren kenbaar te maken. De minister heeft er wel op gewezen dat Kroatië de kennisgeving tot terugname op 2 juli 2026 heeft bevestigd en dat deze kennisgeving in het digitale dossier is gevoegd. Dat heeft eiser niet betwist. Vanaf dat moment was dus duidelijk dat de minister van plan was eiser over te dragen aan Kroatië. Bovendien heeft de minister eiser er op 7 juli 2026 uitdrukkelijk op gewezen dat het aan hem was om bezwaren tegen de overdracht aan te voeren. Uit artikel 42, eerste lid, van de AMbV volgt dat het overdrachtsbesluit uiterlijk twee weken na de bevestiging van de kennisgeving moest worden genomen. Daarmee was eiser bekend met de (maximale) termijn om bezwaren aan te voeren. Die termijn is naar het oordeel van de rechtbank lang genoeg. Het besluit is ook daadwerkelijk twee weken na de bevestiging van de kennisgeving genomen, en niet eerder. Eiser heeft dus voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren voorafgaand aan het nemen van het besluit aan te voeren. De minister heeft terecht geen gebruikt gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid 4.3. Eiser doet verder een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft expliciet verklaard dat hij in dit verband géén beroep doet op schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar alleen op zijn persoonlijke omstandigheden. Die omstandigheden zijn dat hij homoseksueel is, dat hij ongeveer vijftien dagen in Kroatië heeft verbleven, dat hij daar is mishandeld en dat hij, toen hij kenbaar maakte dat hij homoseksueel was, werd uitgelachen en gediscrimineerd. 4.4. Artikel 43 van de AMbV bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling of: a. de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest ; er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening; of inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, eerste lid, onder a), overgenomen personen. 4.5. Omdat het overdrachtsbesluit berust op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria kan de discretionaire bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank wel in beroep worden voorgelegd. Anders zou immers geen sprake zijn van een doeltreffend rechtsmiddel. 4.6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister elke asielaanvraag inhoudelijk behandelen, ongeacht of de minister hiervoor verantwoordelijk is op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De minister had voor 12 juni 2026 in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 beleid opgenomen voor de toepassing van deze bevoegdheid. De minister maakte onder andere gebruik van deze bevoegdheid als bijzondere, individuele omstandigheden met zich meebrengen dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. 4.7. De minister heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een dergelijke situatie. Eiser had volgens de minister bij de Kroatische autoriteiten kunnen klagen over de wijze waarop hij werd behandeld. Hij heeft dit echter niet gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee terecht geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Conclusie en gevolgen 5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL26.41626: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.41627: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Jansen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer Verordening (EU) nr. 604/2013. Zie artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening: In de in artikel 84, lid 2, van Verordening (EU) 2024/1351 bedoelde gevallen wordt voor het overnameverzoek gebruikgemaakt van een standaardformulier dat in overeenstemming is met het model van bijlage XII. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...