ECLI:NL:RBDHA:2026:29416
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-10-02
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
P-v mondelinge uitspraak, bewaring artikel 59a, lichter middel, voortvarendheid, ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.56527 V-nummer: [v-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De vrijheidsontnemende maatregel is op 24 september 2026 opgeheven. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 23 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. 2.3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld. Beoordeling door de rechtbank 3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3.1. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 3.2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 3.3. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 5. Eiser voert aan dat er had moeten worden volstaan met een lichter middel. Volgens eiser zijn er onvoldoende gronden en is de maatregel disproportioneel. Ook is niet gebleken dat er al eerder een lichter middel is opgelegd, waarmee ten onrechte meteen voor het zwaarste middel van vrijheidsontneming is gekozen. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. 5.2. De minister stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gemotiveerd uitgelegd dat eiser gedurende enige tijd met onbekende bestemming is vertrokken en dat daardoor moet worden geconcludeerd dat eiser geen medewerking verleent aan de overdracht aan Zwitserland. Handelt de minister voldoende voortvarend? 6. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Tijdens de strafrechtelijke detentie heeft de minister al een inspanningsverplichting om voortvarend te werken aan de overdracht, maar volgens eiser is niet gebleken dat de minister daaraan heeft voldaan. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2026 . 6.1. De Afdeling heeft bepaald ten aanzien van strafrechtelijke uitspraken waarbij een vrijheidsstraf van meer dan 30 dagen wordt opgelegd, zoals in het onderhavige geval, dat de datum van de uitspraak geldt als startmoment waarop de minister bekend is, of bekend geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. Uiterlijk dertig dagen voor de einddatum van de strafrechtelijke detentie, moet het overdrachtsdossier bij DT&V zijn. De minister moet dan uiterlijk op de zevende dag na de dag waarop het DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, een eerste voorbereidingshandeling verrichten. 6.2. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet precies blijkt op elke datum het overdrachtsdossier is ontvangen door de DT&V. Er wordt uit het dossier wel duidelijk dat dit dertig dagen voor het einde van de strafrechtelijke detentie moet zijn geweest, aangezien er op 3 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd, terwijl de strafrechtelijke detentie is geëindigd op 23 september 2026. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door dit vertrekgesprek te voeren en een vlucht aan te vragen en aan te kondigen. Op 24 september 2026, een dag nadat eiser in vreemdelingrechtelijke bewaring is gezet, is eiser met deze vlucht uitgezet. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). ECLI:NL:RVS:2026:5411. Dienst Terugkeer en Vertrek. ECLI:NL:RVS:2026:5413. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...