Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:29409

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-10-02
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.35126 en NL26.35127
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
8.934 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Peru. Opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk. Beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.35126 en NL26.35127 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1979, van Peruaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. B. Snoeij), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.F. Aly). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 juni 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 2.1. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 juni 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiser niet uit Nederland mag worden verwijderd totdat de rechtbank op zijn beroep heeft beslist. 2.3. De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond 3. Eiser verblijft sinds juli 2022 in Nederland. Hij heeft drie keer eerder asiel aangevraagd. 3.1. De eerste asielaanvraag heeft de minister met een besluit van 5 augustus 2024 kennelijk ongegrond verklaard. Eiser is niet in beroep gegaan tegen dit besluit. 3.2. De tweede asielaanvraag heeft de minister met een besluit van 16 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is in beroep gegaan tegen dit besluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit beroep in een uitspraak van 21 juli 2025 ongegrond verklaard. 3.3. De derde asielaanvraag heeft de minister met een besluit van 12 februari 2026 buiten behandeling gesteld. Eiser is niet in beroep gegaan tegen dit besluit. Asielrelaas 4. Eiser heeft aan zijn vierde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn moeder in Peru op 5 maart 2026 opnieuw is bedreigd door mannen die achter eiser aan zitten. Ze intimideren zijn moeder omdat ze willen dat eiser terugkomt naar Peru zodat ze hem wat kunnen aandoen. De moeder van eiser is naar de politie gegaan om aangifte te doen. Bestreden besluit 5. In het bestreden besluit verklaart de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk. Eiser heeft nieuwe informatie gegeven, maar deze informatie is niet belangrijk genoeg om nu anders te oordelen dan in het besluit op de eerdere asielaanvraag van eiser. De nieuwe informatie is een onvertaalde kopie van een aangifte die de moeder van eiser heeft gedaan op 5 maart 2026. Eiser heeft verklaard dat deze aangifte te maken heeft met de problemen waarover hij tijdens zijn eerste asielaanvraag heeft verteld. Deze problemen zijn in de beschikking van 5 augustus 2024 ongeloofwaardig bevonden. Eiser heeft geen beroep ingediend tegen deze beschikking. Daarom staat nu in rechte vast dat de problemen van eiser ongeloofwaardig zijn. Met de kopie van de aangifte van zijn moeder toont eiser niet aan dat de problemen wél gevolgd moeten worden. De kopie kan niet op echtheid worden onderzocht. Bovendien heeft eiser de aangifte onvertaald aangeleverd, terwijl hij wel voldoende tijd heeft gehad om de aangifte te laten verlaten. De gemachtigde van eiser heeft bij het indienen van de correcties en aanvullingen aangegeven dat een vertaling volgt, maar heeft daarbij geen termijn aangegeven. Daar komt bij dat de aangifte gedaan is door de moeder van eiser. De aangifte bestaat uit haar woorden. De moeder van eiser is geen onafhankelijk persoon, en daarmee is de aangifte geen onafhankelijke of verifieerbare bron. Uit de verklaringen van eiser blijkt ook dat de politie geen terugkoppeling heeft gegeven op de aangifte. Bovendien blijkt uit de verklaringen van eiser dat de aangifte niet wezenlijk anders is dan de aangifte die eiser heeft overgelegd bij zijn herhaalde asielaanvraag van 20 maart 2025. Beroepsgronden eiser 6. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. In beroep legt eiser een vertaling van de aangifte over. Hij voert aan dat hij hiermee wel degelijk nieuwe elementen heeft overgelegd. Uit de diverse aangiften blijkt dat de bedreiging tegen eiser nog steeds bestaat. Het feit dat in een eerdere uitspraak is geoordeeld dat de problemen niet geloofwaardig zijn, heeft geen eeuwigheidswaarde. Juist de accumulatie van aangiften zorgt voor de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde bedreiging. Dat de aangever de moeder is van eiser is daarbij niet van belang, omdat juist het feit dat het de moeder van eiser betreft, reden is geweest voor de aanvallers in Peru om haar te bedreigen. Verder is in de beschikking ten onrechte overwogen in het nadeel van eiser dat de aangifte niet anders is dan de aangifte die hij eerder heeft overgelegd. Juist de overeenkomst tussen de aangiften leidt ertoe dat de nieuwe aangifte de juistheid van de eerdere aangifte ondersteunt. Er is sprake van een voortdurende bedreiging tegen eiser. Toetsingskader 7. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 26 januari 2022 heeft overwogen, volgt uit het arrest LH dat de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag aan de hand van twee fasen moet worden beoordeeld. In de eerste fase moet worden onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet de minister beoordelen of die nieuwe elementen of bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit. Het oordeel van de rechtbank 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de nieuwe aangifte niet relevant is, omdat op voorhand is uitgesloten dat deze aangifte kan afdoen aan de overwegingen in het besluit van 5 augustus 2024. De stellingen van eiser dat sprake is van meerdere overeenkomstige aangiften en dat dit maakt dat de bedreigingen geloofwaardig zijn, volgt de rechtbank niet. In het besluit van 5 augustus 2024 heeft de minister geconcludeerd dat de bedreigingen van de groepering waarvoor de broer van eiser drugs smokkelde, niet geloofwaardig zijn. De nieuwe aangifte is onvoldoende om af te doen te aan deze conclusie. De aangifte betreft namelijk een kopie die niet op echtheid kan worden onderzocht. Ook is de aangifte niet afkomstig van een onafhankelijke of verifieerbare bron. Bovendien heeft de politie geen terugkoppeling gegeven op de aangifte. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.35126: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.35127: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zaaknummers NL25.18643 en NL25.18644 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2022:208, overweging 5.1 en verder. Hof van Justitie van de Europese Unie, LH v Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...