ECLI:NL:RBDHA:2026:28817
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-28
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Turkije - verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat de verklaringen over de bloedvete niet geloofwaardig zijn, gelet op het tijdsverloop en de uitleg over de verschillen in verklaringen tussen eiser en zijn broer - discriminatie vanwege Koerdische etniciteit behelst geen vervolging - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gewetensbezwaarder is - de verklaringen van eiser over het (direct en indirect) niet willen bijdragen aan de onderdrukking van Koerden door het Turkse leger, heeft verweerder ten onrechte niet betrokken in de beoordeling van zijn gewetensbezwaren - beroep gegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53648 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. N. Wouters), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 2 december 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de broer van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen E. Aydin. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest om vermoord te worden vanwege een bloedvete met een rivaliserende familie. Eiser heeft verklaard dat de vete is begonnen na een conflict over een stuk grond, ongeveer 50 jaar geleden. Ook heeft eiser verklaard dat leden van de rivaliserende familie eisers moeder hebben mishandeld en hebben gedreigd eiser, zijn broer of hun vader te zullen vermoorden. Eiser heeft verder verklaard dat een Turks parlementslid betrokken is bij de vete, waardoor de autoriteiten geen bescherming zullen kunnen bieden. Eiser heeft verder aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij discriminatie heeft ervaren in Turkije vanwege zijn Koerdische achtergrond en dat hij de dienstplicht niet wil vervullen als hij daarvoor opgeroepen wordt in de toekomst. 2.1. De oudere broer van eiser heeft ook een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Het beroep tegen de afwijzing van die aanvraag heeft de rechtbank op dezelfde zitting behandeld onder zaaknummer NL25.35227. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit drie asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. de bloedvete binnen de familie van eiser. 3. de ondervonden discriminatie als zijnde Koerdisch; 3.1. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder heeft de discriminatie die eiser stelt te hebben ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft geconcludeerd dat deze discriminatie niet leidt tot gegronde vrees voor vervolging omdat niet is gebleken dat de discriminatie een dusdanig ernstige beperking heeft opgeleverd van eisers bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. 3.2. Verweerder vindt de bloedvete en de daaruit voortkomende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd van de lopende rechtszaak over het stuk grond waar de vete mee is ontstaan. Eisers verklaringen over de vete komen volgens verweerder niet overeen met de verklaringen die zijn broer heeft afgelegd. Verder vindt verweerder eisers verklaringen over de vete en over de mishandeling van zijn moeder vaag en inconsistent. 3.3. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege dienstweigering. Eiser is 17 en heeft de dienstplichtige leeftijd nog niet bereikt. Zijn vrees is dus gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Verweerder heeft het verder niet aannemelijk geacht dat eiser oorlogsmisdaden zal moeten begaan bij vervulling van de dienstplicht, dat hij discriminatoir of disproportioneel zal worden bestraft vanwege zijn Koerdische achtergrond of dat hij gewetensbezwaarde is. 3.4. Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV), omdat er sprake is van adequate opvang in Turkije. Eiser kan daar opgevangen worden door zijn moeder. Met eisers terugkeer naar Turkije wordt volgens verweerder ook gehandeld in het belang van het kind, nu hij daarmee herenigd zou worden met zijn ouder. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert ten eerste aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bloedvete en daaruit volgende problemen ongeloofwaardig zijn. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser meer documenten had moeten overleggen. Eiser kan geen documenten overleggen van de rechtszaak omdat hij daar geen partij bij is en het niet mogelijk is gebleken om stukken te ontvangen van zijn familieleden die de rechtszaak voeren. Verder heeft verweerder ten onrechte tegenworpen dat eiser verklaringen vaag of inconsistent zouden zijn. Eiser heeft naar zijn beste kunnen verklaard over de bloedvete en heeft uitgelegd dat hij zoveel mogelijk buiten de problemen is gehouden door zijn moeder en oudere broer en daarom niet op de hoogte is van de situatie. Verweerder houdt volgens eiser onvoldoende rekening met de verschillen in perspectief, leeftijd, kennis en herinnering tussen eiser en zijn broer. Bovendien zien de vermeende tegenstrijdigheden in hun verklaringen niet op de kern van hun relazen. 4.1. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet te vrezen heeft vanwege discriminatie als Koerd. De discriminatie is namelijk veel ernstiger is dan verweerder aanneemt. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat hij vreest voor vervolging vanwege dienstweigering wanneer hij in de toekomst opgeroepen zal worden. Uit openbare informatie volgt dat het wél voorkomt dat het Turkse leger zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden. Ook volgt uit informatie die eiser heeft overgelegd dat Koerden aan discriminatie en problemen (waaronder verdachte sterfgevallen) blootstaan in het leger. Ook volgt uit het ambtsbericht dat dienstplichtigen worden verdeeld over Turkije op willekeurige wijze en dat niet is uit te sluiten dat Koerden worden gelegerd in mogelijke gevechtszones. Daarmee is niet uit te sluiten dat dienstplichtige Koerden worden ingezet om te vechten tegen hun eigen volk. Eiser heeft ook uiteengezet dat zijn weigering voortkomt uit gewetensbezwaren. 4.2. Ten slotte voert eiser aan dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of er adequate opvang voor hem is bij terugkeer naar Turkije, nu zijn moeder vanwege financiële en medische omstandigheden niet in staat is om voor hem te zorgen. In beroep heeft eiser stukken overgelegd van de medische situatie van zijn moeder. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. De geloofwaardigheid van de bloedvete en de daaruit volgende problemen 6. In het arrest Ebilum van 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de enigszins terughoudende toets – zoals de Nederlandse rechter die voorheen verrichte bij de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken – niet verenigbaar is met het Europese recht. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu in zijn geheel vol en zal de rechtbank niet langer beoordelen of verweerder zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de bloedvete en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 7.1. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij dit asielmotief om vier redenen niet geloofwaardig vindt. Ten eerste omdat eiser geen documenten heeft overgelegd van de rechtszaak. Ten tweede omdat niet is gebleken dat eisers broer de vete heeft getracht te beëindigen. Ten derde omdat eiser en zijn broer niet hebben kunnen verklaren over de aard van de vete en waarom die niet is geëindigd met het overlijden van zijn opa. En ten vierde omdat eiser en zijn broer afwijkend hebben verklaard over de aanval(len) op hun moeder en over van wie hun opa de grond heeft gekregen. 7.2. Eiser heeft in het nader gehoor, in beroep en ter zitting toegelicht dat hij geen stukken heeft kunnen overleggen van de rechtszaak omdat hij daar geen procespartij bij is en daarom geen toegang heeft tot stukken over de rechtszaak. Ook heeft eisers oudere broer toegelicht dat hij over sommige onderdelen van de vete geen kennis heeft, omdat de gebeurtenissen lang geleden hebben plaatsgevonden, er geen familieleden meer zijn aan wie hij details hierover kan vragen en er in de familie verschillende verhalen bestaan over het overlijden van zijn opa. Eiser heeft – net als zijn broer – verklaard dat hij uit de wind werd gehouden en pas in Nederland over de vete is ingelicht. Eiser heeft ook verklaard dat hij over veel aspecten van de vete geen kennis heeft en wat hij wél over de vete weet, hem door zijn broer in Nederland is verteld. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting aangegeven deze uitleg onvoldoende te vinden om de afwijkende verklaringen en de ontbrekende details over de bloedvete te verklaren. 7.3. De rechtbank kan verweerder niet in volgen in zijn motivering en conclusies over de bloedvete en de daaruit ontstane problemen. Hoewel eiser en zijn broer inderdaad niet een volledig beeld kunnen schetsen van de geschiedenis en het ontstaan van de bloedvete, is het beeld wat zij schetsten van de vete en het leven met de vete consistent en op meerdere onderdelen wel degelijk gedetailleerd. Het beeld wat zij schetsen van de bloedvete komt daarbij overeen met wat zij aan de hand van het ambtsbericht naar voren hebben gebracht over bloedvetes in Turkije. Eisers uitleg over waarom hij over sommige onderdelen van de vete niet kan verklaren, is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke en voldoende strekkende uitleg om het ontbreken van deze kennis te verklaren. Verweerder heeft desgevraagd geen toelichting geboden over wat maakt dat de uitleg van eiser onvoldoende zou zijn. De stelling van verweerder dat de uitleg van eiser niet gevolgd kan worden of niet voldoende zou zijn, is daarmee niet inzichtelijk geworden voor de rechtbank. Daar komt bij dat verweerder niet betwist dat de vete zo’n 50 jaar geleden zou zijn ontstaan, maar niet inzichtelijk maakt hoe rekening is gehouden met dat tijdsverloop in de weging van eisers verklaringen. Ten aanzien van de afwijkingen in de verklaringen die eiser en zijn broer hebben afgelegd over de vete en daaruit volgende incidenten, overweegt de rechtbank dat deze – hoewel opvallend – onvoldoende zijn om het geheel van het relaas niet geloofwaardig te vinden. 7.4. De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat verweerder in een nieuw besluit zal moeten beoordelen wat eiser te wachten staat bij terugkeer naar Turkije vanwege de bloedvete en daaruit volgende problemen. De discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische achtergrond 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de discriminatie die eiser heeft ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst, niet dusdanig van aard is dat dit kan worden aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij naar school heeft kunnen gaan en daarbuiten geen discriminatie heeft ervaren. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij vanwege discriminatie geen medische behandeling heeft kunnen krijgen in Turkije, maar heeft dat niet onderbouwd. Onder deze omstandigheden kan de discriminatie – hoe verwerpelijk ook – niet worden beschouwd als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De stelling van eiser dat verweerder de ernst van de discriminatie niet erkent, volgt de rechtbank daarom niet. De dienstplicht en gestelde gewetensbezwaren 9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege de dienstplicht en zijn gestelde gewetensbezwaren. 9.1. In paragraaf C3/3.2.7 van de Vc staat het beleid uiteengezet op grond waarvan verweerder aanneemt dat een vreemdeling die zich beroept op dienstweigering vluchteling is. Er is daarvan sprake wanneer een vreemdeling voldoet aan minstens één van de drie alternatieve voorwaarden: (1) bij het vervullen van de dienstplicht zal de vreemdeling oorlogsmisdaden moeten plegen en het weigeren van de dienstplicht is de enige mogelijkheid om daaraan te ontkomen; (2) er is sprake van onevenredige of discriminatoire bestraffing; (3) er is sprake van gewetensbezwaren, bijvoorbeeld wanneer een dienstplichtige wordt ingezet tegen zijn eigen familie of volk. 9.2. Eiser heeft stukken en rapporten overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij voldoet aan alle drie deze voorwaarden. De rechtbank zal daarom alle drie de voorwaarden bespreken. 9.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser, zoals verweerder terecht stelt, niet voldoet aan de eerste alternatieve voorwaarde van het dienstweigeringsbeleid. Daargelaten of het Turkse leger op dit moment betrokken is bij een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan, geldt dat verweerder terecht heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser als dienstplichtige wordt ingezet bij een dergelijk conflict. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechtshandelingen, ook niet in conflictgebieden als Noord-Irak en Syrië waar de Turkse strijdkrachten actief zijn en evenmin bij anti-terreuroperaties en in risicogebieden langs de Turks-Iraakse grens waar schermutselingen kunnen plaatsvinden tussen de Turkse strijdkrachten en de Koerdische Arbeiderspartij (PKK). De informatie en stukken waar eiser op heeft gewezen zien weliswaar op acties en handelingen van het Turkse leger, maar daaruit blijkt niet dat dienstplichtigen daarbij zouden zijn ingezet of anderszins betrokken zouden zijn geweest. 9.4. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser ook niet voldoet aan de tweede alternatieve voorwaarde uit het dienstweigeringsbeleid. Eiser heeft gewezen op verschillende openbare rapporten om te onderbouwen dat Koerdische dienstplichtigen en dienstweigeraars het slachtoffer zijn geworden van discriminatie en geweld. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat deze stukken te algemeen van aard zijn en alleen daarom al niet uit deze stukken zou kunnen volgen dat eiser ook een dergelijke behandeling ter deel zou kunnen komen. De rechtbank overweegt echter ook dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het ambtsbericht vermeldt dat er geen informatie is over anti-Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen en over dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit. De rapporten waar eiser naar heeft verwezen dateren van vóór de verslagperiode van het ambtsbericht. Eiser heeft met deze verwijzingen daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij in Turkije om discriminatoire redenen het risico loopt om een zwaardere straf te krijgen wegens dienstweigering dan anderen. 9.5. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de derde alternatieve voorwaarde van het dienstweigeringsbeleid. De beoordeling die verweerder heeft verricht ten aanzien van het bestaan van gewetensbezwaren is namelijk niet volledig. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit de (hierboven in 9.3 aangehaalde) informatie uit het ambtsbericht volgt dat Koerdische dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechten en in gebieden waar confrontaties kunnen ontstaan tussen het Turkse leger en de PKK. De rechtbank kan verweerder dus volgen in de conclusie dat er geen sprake is van gewetensbezwaren vanwege vermeend moeten vechten tegen de PKK. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij op geen enkele manier wil bijdragen aan het Turkse leger, omdat hij daarmee ook indirect zou bijdragen aan de gestelde rol die het leger speelt bij de onderdrukking van Koerden. Eiser heeft ook verklaard dat het afkopen van de dienstplicht om die reden voor hem geen optie zou zijn. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van eisers gewetensbezwaren vooral gericht op de vraag of eiser zal worden ingezet in gevechten tegen zijn eigen volk, maar heeft dit deel van eisers gewetensbezwaren – het niet indirect willen bijdragen aan geweld tegen Koerden en het niet willen bijdragen aan andere aspecten van onderdrukking van Koerden – niet betrokken in de beoordeling. De rechtbank benadrukt daarbij dat dit niet alleen moet worden betrokken in het kader van de vraag of eiser zal worden ingezet tegen het eigen volk, maar ook in het kader van de vraag of er sprake is van gewetensbezwaren die zijn gegrond in een overtuiging. 9.6. Verweerder heeft ook de verklaringen van eiser over het niet willen dienen omdat hij dan mensen moet doden en dat niet wil, onvoldoende kenbaar betrokken in de beoordeling van de vraag of er sprake is van gewetensbezwaren. Verweerder heeft hiervoor niet kunnen volstaan met de vaststelling dat eiser nog niet is opgeroepen voor de militaire dienstplicht, nu hij inmiddels bijna de dienstplichtige leeftijd heeft bereikt en er geen aanleiding is om aan te nemen dat eiser – anders dan gebruikelijk is – niet zal worden opgeroepen. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen tegenwerpen dat eiser de dienstplicht af kan kopen en dat zijn geuite bezwaar dat hij daarmee indirect financieel bijdraagt aan het leger en de onderdrukking van Koerden, niet volstaat. Verweerder heeft namelijk niet uitgelegd waarom dat bezwaar niet zou volstaan. De beroepsgrond slaagt. Onderzoek naar adequate opvang 10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er voor hem adequate opvang aanwezig is in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij altijd bij zijn moeder heeft gewoond en hij heeft verklaard dat hij contact heeft met haar. De stelling dat eisers moeder financieel niet in staat is om voor hem te zorgen, heeft eiser niet onderbouwd. Eiser heeft ook niet onderbouwd welke feiten, omstandigheden of verklaringen aanleiding hadden moeten geven voor verweerder om nader onderzoek te doen naar de adequate opvang. De rechtbank ziet daarom niet in waarom verweerder niet ervan uit kon gaan dat eisers moeder voor hem kan zorgen, zoals ze in het verleden heeft gedaan. De in beroep overgelegde medische stukken doen niet af aan deze conclusie, nu eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de medische omstandigheden van zijn moeder maken dat zij niet voor hem kan zorgen en er daarom niet langer uitgegaan kan worden van haar zorgplicht. Ten slotte betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat verweerder de belangen van het kind kenbaar heeft onderzocht, benoemd en meegewogen en dat eiser daarbij niet heeft weersproken dat verblijf met en bij zijn moeder in zijn belang is. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 12. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2025; draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr.M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doelt zij op de Vw zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet. Voor verwijzingen naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) geldt hetzelfde. Op grond van paragraaf C3/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie ook informatiebericht 2022/102 en de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333 en ECLI:NL:RVS:2022:2332. Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw (oud). Ingevolge het beoordelingskader in paragraaf C3/3.2.7 van de Vc. Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025. Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. Algemeen Ambtsbericht Turkije, 2025, p. 93. Idem, p. 93. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...