Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:27585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-16
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.43983
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
4.971 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asielaanvraag; met onbekende bestemming; geen procesbelang; niet-ontvankelijk.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43983 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. B. Anik), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 11 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening stond gepland op de zitting van 10 september 2026. Op 7 september 2026 heeft de rechtbank een brief van de minister ontvangen met de melding dat eiser op 5 september 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft daarom de gemachtigde van eiser verzocht om een schriftelijke reactie. Gemachtigde van eiser heeft op 8 september 2026 een reactie gegeven. 2.3. De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 9 september 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiser nog procesbelang? 3. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft. 4. De minister heeft in zijn bericht van 7 september 2026 laten weten dat eiser op 5 september 2026 met onbekende bestemming vertrokken is gemeld. De rechtbank heeft op 7 september 2026 de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser. De gemachtigde van eiser heeft op 8 september 2026 laten weten dat zij geen contact kan krijgen met eiser en niet op de zitting zal verschijnen. Nadien heeft de gemachtigde niet alsnog aangegeven dat het contact is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat er daarom voldoende grond bestaat voor de conclusie dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Eiser is met onbekende bestemming vertrokken en niet is gesteld of gebleken dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.2-2.7.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...