ECLI:NL:RBDHA:2026:26906
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-16
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, Palestijn met nationaliteit ‘onbekend’ uit Westelijke Jordaanoever. Geen actuele beoordeling risico op ernstige schade bij terugkeer naar Westelijke Jordaanoever. Beroep gegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36627 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. C.R. Stoute). Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever geen risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1 Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Palestijnse afkomst te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.2 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was S. Issa aanwezig Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser behoort tot de Abu Alwafa, een kleine stam. Hij is opgegroeid in de plaats [plaats] op de Westelijke Jordaanoever. Hij is op 12 januari 2018 gehuwd met [naam 1], zij behoort tot de Arda stam. Dit is een grotere, invloedrijke stam. In december 2022 heeft eiser een relatie met [naam 2] gekregen. Zij is van dezelfde stam is als [naam 1]. In maart 2023 heeft eiser een berichtje van [naam 2] gekregen waarin ze het contact verbreekt omdat de relatie ontdekt zou zijn. Even later wordt eiser vanwege die relatie meegenomen door stamleden van [naam 1] en [naam 2] en met de dood bedreigd. Na een uur of vijf/zes laten ze eiser gaan. Eiser en [naam 2] blijven elkaar in het geheim ontmoeten. In juli 2023 hoort eiser van [naam 2] dat haar familie en stam nu bewijzen van de relatie in handen hebben. Op 13 of 14 juli 2023 wordt eiser gebeld door ene [naam 3], een neef van [naam 2], die hem wil spreken. Eiser nodigt hem thuis uit, maar er komt niemand. De volgende dag wordt eiser gebeld door een anoniem nummer maar wordt er niets gezegd. Dan wordt eiser bang en besluit hij om te vertrekken. Op 19 juli 2023 verlaat hij de Westelijke Jordaanoever. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende drie asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - vervolging wegens onrechtmatige toe-eigening stuk grond; - problemen met familie van [naam 2] en [naam 1] en hun stam. De minister heeft de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Hij heeft eiser de nationaliteit ‘onbekend’ toegekend, omdat niet alle vereiste documenten zijn overgelegd om eiser als ‘staatloos’ aan te merken. De vervolging wegens onrechtmatige toe-eigening van een stuk grond heeft de minister ook geloofwaardig geacht. De problemen met de familie van [naam 2] en [naam 1] en hun stam heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser hierover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister vindt de verklaringen van eiser over de ontdekking van zijn relatie met [naam 2] in maart 2023 en de gevolgen daarvan niet geloofwaardig en aannemelijk. Hetzelfde geldt volgens de minister voor de verklaringen over de ontdekking van de relatie in juli 2023 en gevolgen daarvan. De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren geen vluchtelingschap op omdat vervolging vanwege een commuun delict geen verband houdt met het Vluchtelingenverdrag, tenzij sprake is van een discriminatoire behandeling of onevenredige bestraffing of een onrechtvaardige rechtsgang. Daarvan is niet gebleken. Terugkeer van eiser naar de Westelijke Jordaanoever levert ook geen risico op ernstige schade op omdat het enkele feit dat eiser afkomstig is uit de Westelijke Jordaanoever daarvoor onvoldoende is. De gronden van beroep 5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Hij heeft ten aanzien van wat in het voornemen is gesteld over de geloofwaardigheid van de ontdekking van zijn relatie met [naam 2] in maart 2023 aangevuld dat hij aan de stamleden die hem hebben ontvoerd heeft verteld dat het zijn intentie was om met [naam 2] te trouwen. Hierdoor werd de beslissing om hem te doden heroverwogen. Eiser meent dat, gelet op wat hij in beroep aanvullend heeft verklaard, de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de familie en stam van [naam 2] en [naam 1] geloofwaardig moeten worden geacht. Verder heeft eiser opgemerkt dat het trouwen met een tweede vrouw niet in strijd is met wetten of tradities. Daarnaast heeft hij toegelicht dat er sinds maart 2023 veel geruchten over zijn relatie met [naam 2] waren en dat [naam 2] in juli hoorde van het bewijsmateriaal. Omdat zij en eiser hier op vele manieren over spraken en contact over hadden, herinnert eiser zich niet precies hoe hij van [naam 2] hoorde over het bewijs. Ook heeft eiser toegelicht dat de oproep van [naam 3] niet op dezelfde dag was als het gesprek met [naam 2] over het bewijs van de relatie. Pas nadat [naam 2] had gezegd dat Ihab een slecht persoon was, die eiser mogelijk wilde schaden, besefte eiser dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. Het oordeel van de rechtbank De problemen met de familie van [naam 2] en [naam 1] en hun stam 6.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiser met de familie van [naam 2] en [naam 1] en hun stam niet geloofwaardig worden geacht. 6.2 De minister heeft hierbij onder meer kunnen betrekken dat niet valt in te zien dat eiser pas weer vier maanden later opnieuw problemen heeft ondervonden, terwijl de relatie met [naam 2] al in maart 2023 bekend was bij de verschillende stamleden. Ook heeft de minister hierbij kunnen betrekken dat niet valt in te zien dat eiser niet weet op welke wijze [naam 2] hem op de hoogte heeft gesteld van de ontdekking van bewijzen van hun relatie in juli 2023, gelet op de gestelde ernst van deze mededeling. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat niet valt in te zien dat eiser [naam 3] bij hem thuis heeft uitgenodigd, terwijl eiser eerdere bedreigingen heeft ondervonden van de zijde van stamleden en door hen van zijn vrijheid beroofd is geweest. 6.3 De gemachtigde van de minister heeft op zitting gereageerd op de aanvullingen van eiser in beroep. Zij heeft geantwoord dat zij niet begrijpt waarom eiser pas in beroep over de trouwintentie heeft verklaard, terwijl hij dit al in het gehoor, de correcties en aanvulling daarop of de zienswijze had kunnen aanvoeren. De aanvullingen raken de kern van het asielrelaas en de minister ziet niet in waarom dit niet eerder in de procedure naar voren is gebracht. Bovendien maken de aanvullingen het relaas van eiser volgens de gemachtigde van de minister alleen maar opmerkelijker en ziet zij niet hoe dit bijdraagt aan de geloofwaardigheid van het relaas. De minister volgt de aanvullingen dan ook niet. 6.4 De rechtbank volgt de minister hierin. De aanvullende verklaringen van eiser in beroep dragen niet bij aan de geloofwaardig van dit asielmotief. Eiser verklaart zelf dat het trouwen met een tweede vrouw niet in strijd met wetten of tradities. In dat licht bezien is het vreemd dat eiser en [naam 2] de relatie beëindigden en daarmee wordt ook niet verklaard wat dan het probleem met de familie van [naam 2] of de familie van [naam 1] is. Daarbij komt dat eiser ook heeft verklaard dat hij tegen de stamleden had gezegd dat zijn relatie met [naam 2] een vergissing is. De rechtbank begrijpt dan ook niet hoe dit dan strookt met het in beroep gestelde huwelijksvoornemen. De aanvullingen in beroep over [naam 3] laten onverlet dat het opmerkelijk is dat eiser hem bij hem thuis heeft uitgenodigd gelet op eisers eerdere ervaringen met stamleden van [naam 1] en [naam 2]. Vluchtelingschap 7.1 Vervolging vanwege een commuun delict houdt geen verband houdt met het Vluchtelingenverdrag, tenzij sprake is van een discriminatoire behandeling of onevenredige bestraffing of een onrechtvaardige rechtsgang. Daarvan is niet gebleken. 7.2 Aangezien de door eiser gestelde problemen met de familie van [naam 2] en [naam 1] en hun stam niet geloofwaardig zijn geacht, heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser om die reden ook niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap. Loopt eiser bij terugkeer naar de Westelijke Jordaanoever een reëel risico op ernstige schade? 8.1 De minister heeft hierover in het voornemen enkel overwogen dat het feit dat eiser van Palestijnse afkomst is en dat hij uit de Westelijke Jordaanoever komt op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen. 8.2 De rechtbank overweegt dat zij een volledig en ex nunc onderzoek moet doen en daarom in haar beoordeling landeninformatie zal moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. 8.2 De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit geen actuele beoordeling heeft gemaakt van de situatie voor Palestijnen die moeten terugkeren naar de Westelijke Jordaanoever. 8.3 De rechtbank heeft de gemachtigde van de minister op zitting de recente ontwikkelingen in de Palestijnse gebieden, en met name de actuele situatie op de Westelijke Jordaanoever, voorgehouden. Op zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd alleen aangevuld dat op de Westelijke Jordaanoever geen sprake is van een situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. 8.4 Gelet op de recente ontwikkelingen in de Palestijnse gebieden, waaronder het verbod van UNWRA door de Israëlische autoriteiten, het feit dat de Verenigde Naties ernstig worden beperkt in hun mogelijkheden om vluchtelingen te ondersteunen, Israëlische militaire acties en geweld van kolonisten en de goedkeuring van het Israëlische kabinet voor de bouw van nieuwe Israëlische nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever, is de rechtbank van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. 8.5 Gelet hierop is het beroep gegrond. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. 10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor tien weken. 11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan een zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2025; - draagt de minister op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. van Veen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit het arrest Ararat van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 en de conclusie van Advocaat-Generaal T. Capeta van 19 maart 2026 in de gevoegde zaken Ramodil en Karkik, ECLI:EU:C:2026:228. Algemene wet bestuursrecht. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...