Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:26774

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-10
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.47024
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
3.191 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Mondelinge uitspraak; opvolgende asielaanvraag; opheffing inreisverbod; niet-ontvankelijk.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47024 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.B. Ullah), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman). Procesverloop In het besluit van 21 september 2025 heeft verweerder de herhaalde asielaanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen beroep ingesteld tegen het aan hem opgelegde inreisverbod. De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 2. Eiser heeft zijn beroep uitdrukkelijk beperkt tot de mededeling dat geen aanleiding bestaat het eerder aan hem opgelegde inreisverbod op te heffen. Hij heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn opvolgende asielaanvraag. 3. Aan eiser is eerder, bij besluit van 22 september 2020, een terugkeerbesluit uitgevaardigd. In datzelfde besluit is hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Niet is gebleken van relevante wijzigingen in zijn verblijfsrechtelijke situatie. Evenmin is gesteld of gebleken dat eiser de Europese Unie nadien heeft verlaten. Het indienen van de opvolgende asielaanvraag heeft niet tot gevolg gehad dat het eerdere terugkeerbesluit is vervallen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2016. De opvolgende asielaanvraag heeft evenmin tot gevolg gehad dat het eerder opgelegde inreisverbod is vervallen. 4. Het inreisverbod, zoals genoemd in het besluit van 21 september 2025, is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat daartegen geen beroep openstaat. Als eiser het inreisverbod wil laten opheffen, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen op grond van artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. 5. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Partijen kunnen tegen deze mondelinge uitspraak in hoger beroep gaan zoals onderaan dit proces-verbaal staat. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier. Dit proces-verbaal zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026. ECLI:NL:RVS:2016:959.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...