ECLI:NL:RBDHA:2026:26288
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-10
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn medische problemen dusdanig ernstig waren dat hij niet kon verschijnen om gehoord dan wel medisch gekeurd te worden.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.16559 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.J. de Boer), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.R. de Groot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat zijn medische problemen dusdanig ernstig waren dat hij niet kon verschijnen om gehoord dan wel medisch gekeurd te worden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c eerste lid, aanhef en onder b, Vw, omdat eiser zonder reden niet is verschenen voor zijn medische onderzoek en ook niet is verschenen bij het nader gehoor. Eiser heeft niet aangetoond dat het niet verschijnen op de afspraken niet aan hem toe te rekenen is. De minister heeft in het bestreden besluit een terugkeerbesluit opgenomen, omdat er volgens de minister een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Uit de asielaanvraag blijkt dat eiser bij terugkeer naar Marokko vreest voor vervolging of ernstige schade. Aangezien eiser zonder opgaaf van reden niet is verschenen voor het nader gehoor, stelt de minister dat de handelswijze van eiser aanleiding geeft om aan te nemen dat dit terugkeerbesluit kan worden genomen zonder schending van het beginsel van non-refoulement. 3.1 Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan. Heeft de minister terecht de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld? 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft besloten om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen. De minister heeft volgens eiser ten onrechte geconcludeerd dat het niet verschijnen van eiser aan hem toe te rekenen is. Daarbij heeft eiser vermeld dat hij nog steeds in de opvang verblijft en zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Evenmin is sprake van gedrag waaruit blijkt dat eiser zijn asielaanvraag niet wenst voort te zetten. Eiser stelt dat hij astma heeft en dat hij op de ochtend van het nader gehoor een astma-aanval had, waardoor hij niet kon reizen naar de gehoorlocatie. Volgens eiser heeft de minister nagelaten deze omstandigheden te onderzoeken en heeft hij zonder nadere motivering aangenomen dat er sprake is van toerekenbaar niet verschijnen. De minister heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom het niet verschijnen van eiser zonder meer aan hem kan worden toegerekend. Noch waarom niet is volstaan met een minder vergaande maatregel, zoals het opnieuw uitnodigen van eiser voor het nader gehoor. 4.1 De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 14, derde lid, en artikel 28, eerste lid, onder a, van de Procedurerichtlijn volgt dat de lidstaten mogen aannemen dat de vreemdeling impliciet van het verzoek om internationale bescherming heeft afgezien wanneer is vastgesteld dat de vreemdeling niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud, tenzij hij binnen een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft. Het feit dat er geen persoonlijk onderhoud met de vreemdeling heeft plaatsgevonden belet de beslisautoriteit niet het verzoek om internationale bescherming, als zij dat als ongegrond beschouwt, af te wijzen. 4.2 Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling stellen indien de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Bij het beoordelen van de toerekenbaarheid betrekt de minister of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen . 4.3 De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser de uitnodiging voor het medisch onderzoek en het nader gehoor heeft ontvangen. De rechtbank leidt uit de stukken af dat het geschil zich beperkt tot de vraag of eiser een verschoonbare reden had om niet te verschijnen bij het nader gehoor. 4.4 De rechtbank is van oordeel dat de minister in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in beroep geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat het niet verschijnen bij het nader gehoor hem niet valt toe te rekenen. Daartoe wordt overwogen dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat hij dermate ziek was op de dag van het nader gehoor, dat hij daardoor niet in staat was om te verschijnen bij het gehoor. In de uitnodiging voor de afspraken voor het medisch onderzoek en het nader gehoor staat benoemd wat de gevolgen zijn van niet verschijnen op een afspraak. Het had op de weg van eiser gelegen om contact op te nemen met één van de in de uitnodiging genoemde instanties: het COA , Vluchtelingenwerk Nederland of zijn advocaat, indien het voor hem niet mogelijk was om op de afspraak te verschijnen. Uit de overgelegde stukken is immers niet gebleken dat het voor eiser niet mogelijk was om vanuit de opvanglocatie waar hij stelt te verblijven, contact op te nemen met één van de eerdergenoemde instanties of zijn advocaat. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat namens eiser naar aanleiding van het voornemen ook geen zienswijze is ingediend. Eiser heeft meerdere keren de gelegenheid gehad om de reden van zijn afwezigheid tijdens het gehoor toe te lichten. Pas in de beroepsprocedure heeft eiser uitgelegd waarom hij niet bij het nader gehoor kon verschijnen, eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zijn afwezigheid verschoonbaar was nu hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Het standpunt van eiser dat de minister heeft nagelaten om de medische omstandigheden van hem te onderzoeken, kan de rechtbank niet volgen. Allereerst omdat eiser namens de minister is uitgenodigd voor een medisch onderzoek en eiser niet is verschenen op deze afspraak. Bovendien heeft eiser pas in de beroepsprocedure verklaard over de astma-aanval, waardoor de minister niet in de gelegenheid is gesteld om onderzoek hiernaar te verrichten. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet opnieuw uit te nodigen voor een nader gehoor. 4.5 Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling heeft gesteld. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister terecht een terugkeerbesluit opgelegd? 5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister door een terugkeerbesluit op te leggen, in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen die voortvloeien uit onder meer artikel 3 EVRM . Zonder nader gehoor kan volgens eiser namelijk niet worden vastgesteld of hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat eiser de minister niet in de gelegenheid heeft gesteld om onderzoek te verrichten naar zijn individuele vrees voor terugkeer naar Marokko. Eiser is immers niet verschenen op de afspraak voor het nader gehoor. Daarnaast heeft eiser in beroep geen enkele onderbouwing gegeven voor zijn standpunt dat er sprake is van vrees voor vervolging of ernstige schade dat hij reeds daarom een risico op schending van het verbod op refoulement loopt bij terugkeer naar Marokko. Gelet hierop mocht de minister in dit geval volstaan met het standpunt dat de handelswijze van eiser aanleiding geeft om aan te nemen dat het terugkeerbesluit kan worden genomen zonder schending van het beginsel van non refoulement. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. De minister heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond. 7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...