ECLI:NL:RBDHA:2026:26230
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-04
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring; gronden; ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.49476 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. M. Luijendijk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 2. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-verordening. In de AMB-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 2.1. Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-verordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen. 2.2. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 3. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-verordening en een onderduikrisico bestaat. 3.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de AMB-verordening; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.2. Eiser betwist alle gronden. Grond a 3.3. Eiser voert ten eerste aan dat de grond a hem niet tegengeworpen kan worden. Het gebeurt vaker dat vreemdelingen niet op de voorgeschreven wijze een land binnenkomen. In eisers geval is van belang dat hij zich in Nederland direct bij de autoriteiten heeft gemeld nadat hij een aantal dagen in Slovenië is geweest. Verder is eiser nooit eerder met onbekende bestemming vertrokken. Ook heeft eiser zich nooit aan het toezicht onttrokken. 3.3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De tegengeworpen grond a is namelijk feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over een geldig paspoort of een geldig visum. Dat is voldoende. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat grond a zich feitelijk voordoet door te motiveren dat eiser niet beschikt over een geldig paspoort of ander identiteitsbewijs om Nederland in te reizen. De stelling van eiser dat hij zich na zijn aankomst in Nederland direct heeft gemeld, nooit eerder met onbekende bestemming is vertrokken en zich nooit aan het toezicht heeft onttrokken, maakt de feitelijke juistheid van deze tegenwerping niet anders. Grond k 3.4. Ten aanzien van grond k voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij geen medewerking heeft verleend aan de overdracht. Eiser heeft in de nacht voor zijn geplande uitzetting op 19 augustus 2026 bij de bewaking van het AZC gemeld dat hij ziek was. Het feit dat eiser ziek was heeft ook geleid tot de omstandigheid dat hij niet in de taxi is gestapt om zijn vlucht te halen. Eiser is hierna in het AZC gebleven. Eiser heeft zich dus niet aan het toezicht onttrokken. 3.4.1. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Ook grond k is feitelijk juist. De minister heeft eiser tegengeworpen dat aan hem op 11 augustus 2026 is medegedeeld dat voor hem een vlucht was gepland op 19 augustus 2026 en op welke tijd hij hiervoor die dag werd opgehaald. Eiser is niet verschenen. Dat eiser aan de bewaking in het AZC zou hebben medegedeeld dat hij ziek was en hierdoor niet heeft kunnen vertrekken is door eiser niet met stukken onderbouwd. De minister stelt op zitting terecht dat eiser dit had kunnen melden bij de taxi die hem naar het vliegveld zou brengen of bij de regievoerder. Dat eiser dit heeft geprobeerd is niet gebleken. 3.5. Nu de gronden a en k feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Lichter middel 4. Eiser betoogt dat aan hem een lichter middel had moeten worden opgelegd. Eiser betoogt als eerst dat minister onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming dat hij tijdens zijn eerste geplande vertrek op 19 augustus 2026 met een goede reden niet is verschenen. Verder betoogt eiser dat hij vliegangst heeft en wil uitreizen met de trein. 4.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. 4.2. De rechtbank overweegt verder dat de wijze van uitzetting in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Dit beroep ziet enkel op de maatregel van vreemdelingenbewaring. Indien gewenst kan eiser bezwaar maken tegen de uitvoering van de overdracht. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister op zitting heeft toegelicht dat als de overdracht dichterbij komt – en hiervoor aanleiding is – eiser fit to fly gekeurd kan worden. Ambtshalve toetsing 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-verordening Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb 2000. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb 2000. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...