Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:25357

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-09-01
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.47001
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
8.804 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

vervolgberoep bewaring - beroep ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.47001 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. G.S.S. de Kok), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 4 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding. 2.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 4. Uit de uitspraak van 13 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 11 augustus 2026 rechtmatig is. Heeft de minister een onvolledig dossier overgelegd? 5. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld en dat het dossier onvolledig is. De voortgangsrapportage van 18 augustus 2026 geeft namelijk geen informatie over het handelen van de minister van na 5 augustus 2026. 5.1. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat de voortgangsrapportage van 18 augustus 2026 geen informatie bevat over de periode na 5 augustus 2026. Echter, anders dan eiser stelt maakt dit niet dat het dossier onvolledig is. Immers, de minister heeft nadien diverse stukken overgelegd die zien op ontwikkelingen van na 5 augustus 2026. Zo heeft de minister kennisgevingen overgelegd van de inmiddels geannuleerde vluchten van 17 en 25 augustus 2026, de e-mails waarin de reden van de annuleringen worden toegelicht en heeft zij in een brief van 24 augustus 2026 de laatste stand van zaken toegelicht. De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het dossier onvolledig is. Handelt de minister voldoende voortvarend? 6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. In de vorige uitspraak heeft de minister onjuiste informatie gegeven door aan te geven dat op 17 augustus 2026 een vlucht was gepland voor eiser. Deze vlucht is namelijk geannuleerd. Daarnaast kon de vlucht die gepland stond op 25 augustus 2026 niet plaatsvinden omdat in het claimakkoord is aangegeven dat de Kroatische autoriteiten claimanten na 14:00 uur niet meer ontvangen. De minister heeft hiermee de overdracht onnodig vertraagd. Immers op voorhand was al duidelijk dat deze vlucht niet kon plaatsvinden. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser aan Kroatië. De minister is sinds de oplegging van de maatregel verplicht om eiser zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf weken over te dragen aan Kroatië. Dit volgt uit artikel 44, derde lid in samenhang met artikel 45 van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). De minister heeft in zijn brief van 24 augustus 2026 toegelicht dat, hoewel uit het voortgangsrapport niet volgt dat er handelingen zijn verricht voor de vlucht van 17 augustus 2026, de minister niet heeft stilgezeten. Zo heeft de minister op 12 en 13 augustus 2026 gerappelleerd over de status van de overdracht. Pas op 14 augustus 2026 is het bericht ontvangen dat er geen mogelijkheden zijn voor overdracht op 17 augustus 2026. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat hieruit volgt dat de minister tijdens de vorige zitting onjuiste informatie heeft gegeven over de vlucht van 17 augustus 2026. De minister heeft tijdens de vorige zitting toegelicht dat in de vluchtkennisgeving van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een boekingsbevestiging mag worden gelezen. Dat deze vlucht later is geannuleerd door de vliegmaatschappij, maakt niet dat deze mededeling onjuist is. Daarbij heeft de minister op zitting toegelicht dat, anders dan eiser stelt, geen sprake is van een in zijn geheel geannuleerde vlucht maar alleen die van eiser. De minister heeft daarnaast op de zitting toegelicht dat de vlucht van 25 augustus 2026 om 16:20 uur was geannuleerd omdat het maximale aantal beschikbare plaatsen voor overdrachten was bereikt op die vlucht. Dat eiser stelt dat de Kroatische autoriteiten na 14:00 uur geen claimanten ontvangen, staat niet vast. De minister heeft op de zitting toegelicht dat het tijdvak sinds het claimakkoord is verschoven naar 16:00 uur en dat het na overleg met de Kroatische autoriteiten voor hen mogelijk is om claimanten te ontvangen na 16:00 uur. Dat volgens eiser de boeking van de vlucht van 25 augustus 2026 zinloos was, was op voorhand niet te concluderen en maakt daarom niet dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. Op 28 augustus 2026 was de eerstvolgende mogelijkheid, maar deze vlucht werd niet bevestigd. Vervolgens heeft de minister voorgesteld om een vlucht te boeken op 3 september 2026, waarna de Kroatische autoriteiten hebben aangegeven dat een vlucht op 4 september 2026 mogelijk is. De vlucht is daarom gepland op 4 september 2026. 6.2. Uit het voorgaande blijkt dat de minister meermaals heeft gepoogd om eisers overdracht aan Kroatië te laten plaatsvinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de toelichting van de minister op de zitting. Bovendien zal de termijn van vijf weken zoals benoemd in artikel 45, derde lid, van de Amb-verordening verstrijken op 8 september 2026. Dat betekent dat de minister nog tijd heeft om eiser over te dragen op 4 september 2026. Gelet op alle pogingen die zijn verricht door de minister om eisers vlucht te boeken, ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank onderkent de verwarring over de geannuleerde vluchten, maar begrijpt ook dat niet alles in de machtssfeer van de minister ligt nu hij ook afhankelijk is van de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...