ECLI:NL:RBDHA:2026:25356
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-09-01
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
vervolgberoep bewaring - beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.46465 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [x] , eiser (gemachtigde: mr. H.W. Omvlee), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk). Procesverloop 1. De minister heeft op 26 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. 1.2. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. den Ouden, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juli 2026 (in de zaak NL26.34596) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 30 juni 2026. Voortvarendheid 4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Uit het voortgangsrapport blijkt namelijk dat op 29 juni 2026 een positief resultaat is ontvangen van het aanvullende identiteitsonderzoek. Desondanks heeft pas op 7 augustus 2026 een schriftelijke presentatie plaatsgevonden. Het is onduidelijk waarom na de bevestiging van identiteit en nationaliteit nog een presentatie noodzakelijk werd geacht. 4.1. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank stelt vast dat uit het voortgangsrapport blijkt dat de minister op 29 juni 2026 een positief resultaat heeft ontvangen van het aanvullend identiteitsonderzoek. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat de eiser op 7 augustus 2026 schriftelijk is gepresenteerd. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de presentatie nodig was omdat de Nigeriaanse autoriteiten een (schriftelijke) presentatie verlangen voordat zij overgaan tot het verlenen van een laissez-passer. Daar komt bij dat eiser eerder gepresenteerd had kunnen worden als hij had meegewerkt aan de presentatie die gepland was op 19 juni 2026. Dit heeft hij niet gedaan. Bovendien heeft de minister op 12 augustus 2026 een vlucht aangevraagd en is deze gepland op 2 september 2026. Verder merkt de rechtbank op dat de minister, sinds de sluiting van het vorige onderzoek, tweemaal heeft gerappelleerd op 16 juli 2026 en een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser op 30 juli 2026. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...