ECLI:NL:RBDHA:2026:23398
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-08-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
bewaring – 59, eerste lid, aanhef en onder a – inspanningsverplichting – eerdere strafrechtelijke detentie – ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.45651 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Toetsingskader 1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 2. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Voortvarend handelen en inspanningsverplichting 5. Eiser voert aan dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie van eiser de op hem rustende inspanningsverplichting heeft geschonden. Eiser heeft van 10 april 2026 tot 5 augustus 2026 in voorlopige hechtenis gezeten en is daarna in vrijheid gesteld. Uit het proces-verbaal van staandehouding volgt dat eiser op 10 augustus 2026 staande is gehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Eiser is aansluitend op deze staandehouding in vreemdelingenbewaring gesteld. Volgens eiser had verweerder in de eerdere periode van strafrechtelijke detentie reeds voorbereidingshandelingen moeten verrichten voor de uitzetting van eiser. 6. Verweerder stelt dat de eerdere strafrechtelijke detentie van eiser niet ter beoordeling voor ligt in het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van 10 augustus 2026 en dat er daarom geen inspanningsverplichting is die verweerder had kunnen schenden. 7. Uit paragraaf A5/6.12 van de Vc volgt dat voorkomen moet worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie aansluitend in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Hieruit volgt dat verweerder zich, in beginsel, gedurende de strafrechtelijke detentie van een vreemdeling moet inspannen om een vreemdeling aansluitend aan het einde van zijn detentie uit te zetten. 8. De rechtbank overweegt dat de inspanningsverplichting waarop eiser zich beroept erop is gericht om te voorkomen dat iemand aansluitend, dus direct vanuit de strafrechtelijke detentie, in vreemdelingenbewaring wordt genomen. Als een vreemdeling na een periode van strafrechtelijke detentie in vrijheid is gesteld of door een andere oorzaak buiten beeld is geweest, zoals in deze zaak, is er geen sprake meer van een doorlopende keten van vrijheidsontneming. Verweerder hoeft zich in dat geval bij een latere maatregel van vreemdelingenbewaring niet te verantwoorden over welke inspanningen tijdens de eerdere strafrechtelijke detentie al dan niet zijn verricht. De periode van strafrechtelijke detentie waar eiser zich op beroept valt daarmee buiten de omvang van dit geding. 9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser naar Polen. Eiser is op 10 augustus 2026 in bewaring gesteld, waarna op 14 augustus 2026 met eiser een vertrekgesprek is gevoerd en een verzoek gedaan tot terugname van eiser bij de Poolse autoriteiten. Dit verzoek is op 17 augustus 2026 geaccepteerd. Op 17 augustus 2026 is tevens een vlucht aangevraagd voor eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of eerder uitzettingshandelingen had moeten verrichten. Lichter middel 10. Voor zover eiser met een verwijzing naar zijn medische omstandigheden een beroep heeft willen doen op het lichter middel, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Zo heeft verweerder de medische omstandigheden van eiser kenbaar meegewogen in de maatregel van bewaring. Dat eiser lijdt aan Hepatitis C en alcoholverslaving is als zodanig geen reden om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft daartoe in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ambtshalve toets 11. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Conclusie 12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Vreemdelingencirculaire 2000.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...