Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:23395

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-08-20
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
—
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.45951
Rechtsgrond
—
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
—
Winnende partij
—
Herkomstland
—
Thema
—
COI-verwijzing
—
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
—
Tekstlengte
8.759 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

bewaring, 59a, inspanningsverplichting, Asiel- en Migratiebeheerverordening, Duitsland, onjuiste grondslag, gronden niet betwist, lichter middel, beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.45951 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 19 augustus 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Toetsingskader 2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (hierna AMBvo) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMBvo. In de AMBvo staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Inspanningsverplichting 3. Eiser stelt dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Eiser verbleef voor zijn inbewaringstelling namelijk in strafrechtelijke detentie en verweerder heeft in die periode geen handelingen verricht ter voorbereiding van zijn overdracht. 4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op grond van paragraaf A5/6.12 van de Vc volgt dat uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden. Eiser is echter op 9 augustus 2026 aangehouden en twee dagen later op 11 augustus 2026 overgenomen vanuit strafrechtelijke detentie. Gelet daarop kan niet worden gesteld dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden omdat hij in die korte periode geen handelingen heeft verricht gericht op de overdracht van eiser aan Duitsland. Grondslag bewaring 5. Eiser betwist de grondslag van de bewaring. Volgens eiser is geen sprake van een overdrachtsbesluit in de zin van de AMBvo. Ook is niet gebleken dat verweerder een claimverzoek heeft ingediend en dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. 6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Ten tijde van de maatregel bestonden er reeds concrete aanwijzingen dat eiser valt onder de werkingssfeer van de AMBvo. Eiser is op 13 februari 2026 op basis van een claimakkoord overgedragen aan Duitsland. Eiser is nadien teruggekeerd naar Nederland. Uit de informatie van verweerder volgt verder dat eiser op 14 augustus 2026 opnieuw in Eurodac is geregistreerd en dat op 17 augustus 2026 een kennisgeving terugname naar Duitsland is gestuurd, die inmiddels door Duitsland is geaccordeerd. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. 7. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMBvo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 8. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 9. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. 10. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. 11. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. Lichter middel 12. Verweerder heeft verder terecht aan eiser geen lichter middel dan bewaring opgelegd. Dat eiser verklaart dat hij nu wil meewerken aan overdracht aan Duitsland of terugkeer naar Algerije maakt dat niet anders. Eiser beschikt namelijk niet over de benodigde identificerende documenten om zijn overdracht dan wel terugkeer te realiseren. Bovendien is eiser in het verleden met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij eerder de mogelijkheid gehad om vrijwillig terug te keren naar Duitsland dan wel Algerije en heeft hij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Verordening (EU) 2024/1351. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Vreemdelingencirculaire 2000. Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...