ECLI:NL:RBDHA:2026:23369
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-08-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
bewaring, art. 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw, Roemenië, ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.45494 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, v-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. K. Ramdhan), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. Eiser heeft op 10 augustus 2026 ook zelf beroep tegen de maatregel ingesteld. Het instellen van beroep is niet langer mogelijk, aangezien de bewaringsmaatregel sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact nog maar op één manier kenbaar kan worden gemaakt bij de rechtbank, namelijk via de kennisgeving. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam en heeft zich daar laten bijstaan door zijn gemachtigde. Op de zitting waren aanwezig de tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling alleen in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Voortraject 5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Dit heeft de minister in de beschikking van 13 april 2026 vastgesteld. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd. Gronden 7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb aanwezig. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken. Lichter middel 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. 8.1. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser en lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt dat hij op zoek was naar werk en dat Nederland hem, op grond van artikel 14 lid 4 van de Verblijfsrichtlijn , hiervoor de mogelijkheid moet bieden, maakt dit oordeel niet anders. Eiser heeft immers vanaf het moment waarop de beschikking is opgelegd (13 april 2026) tot aan moment van de uitreiking daarvan in persoon (10 juni 2026) de gelegenheid gehad om naar werk te zoeken. Ook de stelling van eiser dat hij naar Duitsland wil gaan, maakt dit oordeel niet anders. Hij heeft hier immers ook ruim de tijd voor gehad en hier geen gebruik van gemaakt. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat in de maatregel duidelijk is uitgelegd waarom geen lichter middel is opgelegd. De rechtbank volgt de beroepsgrond van eiser dan ook niet dat sprake is van een motiveringsgebrek doordat gebruik is gemaakt van standaardformuleringen. Voortvarend handelen 9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend en actief werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat hij sinds 2 augustus 2026 in strafrechtelijke detentie verblijft en dat de minister zijn uitzetting toen al had kunnen voorbereiden. Eisers identiteit en nationaliteit waren immers toen al bekend bij de minister en Roemenië dient eiser op grond van artikel 27 lid 4 van de Verblijfsrichtlijn zonder nadere formaliteiten terug te nemen. Volgens eiser heeft de minister de bewaringsmaatregel langer laten voortduren dan noodzakelijk en is dat in strijd met het evenredigheids- en subsidiariteitsbeginsel als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de Verblijfsrichtlijn. Daarnaast voert eiser aan dat uit het dossier niet blijkt dat er inmiddels al uitzettingshandelingen zijn verricht, zoals bijvoorbeeld het boeken van een vlucht. 10. De minister stelt dat eiser kort in detentie heeft gezeten en dat het voor de minister niet mogelijk was om tijdens die korte periode al uitzettingshandelingen te verrichten. De minister verwijst naar uitspraken van deze rechtbank, waaruit volgt dat geen sprake is van onrechtmatige bewaring als geen uitzettingshandelingen zijn verricht en de periode van strafdetentie heel kort was. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat er op 13 augustus 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat inmiddels bericht is ontvangen dat de Roemeense autoriteiten een laissez- passer voor eiser hebben afgegeven. Volgens de minister is de gang van zaken voldoende voortvarend. 11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank is het met de minister eens dat eiser relatief kort, van 2 augustus tot en met 10 augustus, in strafdetentie heeft gezeten en dat niet gesteld kan worden dat de minister niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan door tijdens de detentie geen uitzettingshandelingen te verrichten. Dat betekent echter niet dat de periode dat eiser in strafdetentie heeft gezeten van geen betekenis is. Doordat op dag drie van de vreemdelingenbewaring, op 13 augustus 2026, een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en op dag vier, op 14 augustus 2026, een laissez-passer voor eiser is afgegeven op basis waarvan een vlucht geboekt kan worden, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. Zicht op uitzetting 12. De rechtbank stelt vast dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Roemenië in het algemeen niet ontbreekt. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat er een laissez-passer voor eiser is afgegeven. Er is om deze reden al zicht op uitzetting. Conclusie 13. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Richtlijn 2004/38/EG. Het gaat om de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 2 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14773) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 21 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:20326). Zie paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...