← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20782

Rechtbank Den Haag · 2026-07-13 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL24.50828
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.688 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asielaanvraag ingewilligd, leeftijdsvaststelling, leeftijdsschouwen, nader onderzoek d.m.v. onderzoek bij NFI, onaannemelijke verklaringen, verweerder gaat terecht uit van meerderjarige leeftijd.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.50828 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. G.H.P. Buren), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L.G. de Rooij). Procesverloop Eiser heeft op 19 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend. Bij besluit van 21 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover dat ziet op de leeftijdsvaststelling. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Zemed als tolk en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 1. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op 2 juni 2006 (minderjarig ten tijde van de asielaanvraag). Eiser heeft bij aankomst in Nederland geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn leeftijd. Daarom heeft er een leeftijdsschouw plaatsgevonden (paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)). 1.1. Eiser is zowel door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geschouwd. De conclusie van de schouw van de AVIM is dat unaniem wordt geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. De conclusie van de schouw van de IND is dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd en dat er verder onderzoek naar de leeftijd van eiser zal plaatsvinden. Verweerder heeft vervolgens een informatieverzoek bij de Italiaanse autoriteiten ingediend. Hieruit is gebleken dat eiser niet bekend is bij de Italiaanse autoriteiten. Daarnaast heeft er een medisch leeftijdsonderzoek plaatsgevonden door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waarbij twee radiologen onafhankelijk van elkaar radiologische opnamen van het linker hand-polsgebied en de sleutelbeenderen hebben beoordeeld. De conclusie van dit onderzoek is dat eiser een leeftijd van minimaal 14 jaar, en maximaal 32 jaar heeft. 1.2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit ingewilligd. Verweerder volgt eiser echter niet in zijn gestelde geboortedatum (2 juni 2006), en daarmee dat eiser minderjarig was ten tijde van de asielaanvraag. Verweerder gaat uit van 1 juli 2005 als geboortedatum (meerderjarig ten tijde van de asielaanvraag). Beoordeling door de rechtbank Wat vindt eiser in beroep? 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgaat van 1 juli 2005 als geboortedatum. Volgens eiser had hem daarom het voordeel van twijfel moeten worden gegeven. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor en het verhoor bij de AVIM namelijk consistent verklaard over zijn leeftijd en levensloop. Verder kan uit de constateringen die tijdens de schouwen zijn gemaakt niet worden geconcludeerd dat eiser meerderjarig is. De uitgevoerde schouwen zijn daarmee onzorgvuldig. Ook uit het leeftijdsonderzoek volgt niet dat de door eiser opgegeven leeftijd onjuist is omdat hier enkel uit volgt dat eiser hooguit 32 jaar kan zijn. 2.1. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hem niet kan worden verweten dat de Italiaanse autoriteiten hem niet hebben geregistreerd. Ook wordt hem ten onrechte verweten dat hij zijn schoolpas (of andere documenten) niet heeft overgelegd. Het is namelijk algemeen bekend dat asielzoekers uit Eritrea nauwelijks documenten voorhanden hebben en dat verweerder vaak geen waarde hecht aan documenten uit Eritrea. Dat eiser een niet echt bevonden doopakte heeft overgelegd kan hem daarom ook niet worden tegengeworpen. Eiser wijst er verder op dat hij de doopakte niet heeft overgelegd om verweerder om de tuin te leiden. Hij heeft de doopakte bij zijn familie opgevraagd en heeft geen rol gespeeld bij de afgifte ervan. 2.2. Eiser ziet verder niet in waarom zijn verklaringen minder zwaar wegen dan de verklaringen van zijn broer in 2014. Eiser en zijn broer hebben elkaar al heel lang niet gezien en kennen elkaar namelijk nauwelijks. Daarnaast is het verschil tussen de verklaringen van eiser en de broer over eisers geboortedatum zo groot, dat er niet van de verklaringen van de broer kan worden uitgegaan. 2.3. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de door verweerder aangehouden geboortedatum willekeurig is omdat niet duidelijk is waar verweerder dit op heeft gebaseerd. Het is volgens eiser opvallend dat de door verweerder aangehouden geboortedatum hem net meerderjarig maakt ten tijde van zijn asielaanvraag. Volgens eiser is er daarom sprake van misbruik van bevoegdheden. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086), volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde leeftijd. Verweerder heeft daarom leeftijdsschouwen uitgevoerd. Naar aanleiding van die leeftijdsschouwen is er bij verweerder twijfel ontstaan over de door eiser opgegeven geboortedatum (2 juni 2006). 3.1. Los van de vraag of de leeftijdsschouwen zorgvuldig zijn en verweerder deze heeft mogen betrekken bij zijn standpunt dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd, mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek doen naar de leeftijd van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801, overweging 18) en 21 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:327, overweging 3.5). Verweerder moet daarbij wel uitgaan van het vermoeden dat eiser minderjarig is. Het is aan verweerder om dat vermoeden te ontzenuwen en nader onderzoek te doen, waarbij alle feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. 3.2. Verweerder heeft nader onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten, onderzoek te doen naar de verklaringen van zijn broer, en door middel van een medisch leeftijdsonderzoek bij NFI. 3.3. In dit kader heeft verweerder terecht gewezen naar de verklaringen die de broer van eiser in 2014 heeft afgelegd. Eisers broer heeft in 2014 namelijk verklaard dat eiser toen ongeveer 16 jaar oud was en dat eiser de middelste van zijn 5 broers en zussen is. Na eiser waren er nog twee jongere zusjes van ongeveer 9 en 13 jaar oud. Eiser heeft hierover verklaard dat hij in 2014 met zijn broer heeft gesproken, dat zijn broer naar zijn leeftijd heeft gevraagd, maar dat zijn broer niet precies wist hoe oud eiser was (p. 13 nader gehoor). Verweerder heeft dit terecht geen verschoonbare reden gevonden. Uit de verklaringen van de broer zou namelijk volgen dat eiser in 1998 en niet in 2006 geboren is. Verweerder wijst er terecht op dat het verschil in de opgegeven leeftijden dermate groot is dat niet aannemelijk is dat er sprake is van een vergissing. Eiser zou volgens zijn eigen verklaringen namelijk 8 zijn geweest in 2014 en niet 16 zoals zijn broer heeft verklaard. Daarnaast zou eiser dan ook niet het middelste kind zijn, maar het jongste kind, terwijl eiser zelf heeft verklaard dat hij drie jongere zussen heeft (p. 4 aanmeldgehoor zonder schouw). Verweerder heeft dit terecht onaannemelijk geacht. Voor zover eiser stelt dat uit het grote verschil tussen zijn eigen verklaringen en die van zijn broer juist blijkt dat de verklaringen van de broer niet kunnen kloppen, volgt de rechtbank dit niet. Verweerder wijst er in dat kader terecht op dat eisers broer geen reden heeft gehad om eisers leeftijd valselijk op te geven. Verweerder heeft in de verklaringen van de broer daarom ook terecht aanleiding gezien om niet uit te gaan van de verklaringen van eiser en daarmee van de minderjarigheid van eiser. 3.4. Verweerder wijst er verder terecht op dat eiser ook niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat hij minderjarig is. De door eiser overgelegde doopakte is door Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden. Dit document maakt de minderjarigheid van eiser dus niet aannemelijk. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat, zoals eiser stelt, alle doopaktes uit Eritrea niet echt worden bevonden. Eiser heeft dit ook niet nader onderbouwd. Verder heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij een scholierenpas heeft gehad (p. 3 aanmeldgehoor met schouw), maar is niet gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om deze te overleggen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat dit niet van hem kan worden verwacht omdat er door verweerder geen waarde wordt gehecht aan Eritrese documenten. Het is namelijk in de eerste plaats aan eiser om zijn identiteit, waaronder zijn leeftijd, te onderbouwen. Dit kan eiser doen door (echte) documenten te overleggen. Het is vervolgens aan verweerder om te bepalen welke waarde hij aan deze documenten hecht. Er kan dan ook niet op voorhand al worden gezegd dat er geen waarde aan documenten wordt gehecht. 3.5. Gelet op de onder 3.3. en 3.4. genoemde tegenwerpingen heeft verweerder het vermoeden dat eiser minderjarig is ontzenuwd en is verweerder terecht uitgegaan van de meerderjarige geboortedatum van 1 juli 2005. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat er sprake is van willekeur en misbruik van bevoegdheden omdat verweerder uitgaat van de geboortedatum 1 juli 2005. Verweerder heeft in dit kader terecht gewezen op de ten tijde van het bestreden besluit geldende Werkinstructie 2023/6 waaruit volgt dat verweerder een meerderjarige geboortedatum toewijst als wordt geconcludeerd dat een vreemdeling meerderjarig is. Als er geen aanwijzingen zijn van een andere geboortedatum, begint deze geboortedatum altijd met 01-01 of 01-07, afhankelijk van welke datum de vreemdeling op dat moment 18 jaar oud maakt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van willekeur of misbruik van bevoegdheden, of om eiser het voordeel van de twijfel te gunnen. 3.6. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder terecht is uitgegaan van de geboortedatum van 1 juli 2005. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801). Vgl. met de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:20243992, overweging 7.2.) en 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801, overweging 18).