ECLI:NL:RBDHA:2026:20745
Rechtbank Den Haag · 2026-07-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, Colombia, problemen als gevolg van betrokkenheid bij FARC en Autodefensas niet geloofwaardig, belang van het kind
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40391 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, mede namens zijn minderjarige kind : [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. I. van der Vegt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 1983. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw Wassens-Brown als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is als jongvolwassene meegenomen door de FARC. Na enige tijd kon eiser ontsnappen maar hij werd vervolgens opgepakt door een andere groepering, de Autodefensas. Nadat eiser ook die groepering was ontvlucht, heeft hij zich in 2003 aangesloten bij een bataljon van het leger. Hij heeft toen ook het Openbaar Ministerie van Colombia informatie gegeven over de groeperingen waarvan hij deel had uitgemaakt. Eiser heeft daarna een re-integratietraject van de overheid doorlopen en gecompleteerd. Eiser vreest voor de FARC en de Autodefensas omdat zij hem zien als een verrader. Hij heeft uit zijn omgeving vernomen dat de FARC naar hem op zoek is en hem wil doden. Ook is eiser enkele malen persoonlijk bedreigd en door mensen op een motor achtervolgd. De Colombiaanse regering heeft een beschermingsmaatregel afgegeven maar die geeft geen daadwerkelijke bescherming. Hierop is eiser naar Chili gevlucht. Ook daar voelde eiser zich niet veilig. Hij is daarom, met een tussenstop in Colombia om zijn zoon op te halen, naar Nederland gekomen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; betrokkenheid bij gewapende groeperingen in 2002 en de daaruit voortvloeiende problemen. 5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Ook zijn betrokkenheid bij de FARC en Autodefensas in 2002 zijn geloofwaardig geacht. De daardoor door hem ondervonden problemen zijn volgens de minister echter niet geloofwaardig omdat eisers verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister heeft eiser namelijk vaag en wisselend verklaard over zijn ontsnapping bij de FARC. Ook komen zijn verklaringen hierover bij de minister niet overeen met de inhoud van zijn brief aan de ombudsman waarin hij ook daarover schrijft. Eiser heeft daarbij ook vaag en wisselend verklaard over de bedreigingen, de pogingen die zijn gedaan om hem te vermoorden en over de mensen op motoren die hem in 2019 hebben achtervolgd. Eisers verklaringen over waarom hij nog te vrezen heeft voor Autodefensas zijn vaag volgens de minister. Ook heeft eiser vaag en onvolledig verklaard over de aangiftes die hij heeft gedaan. Zijn verklaringen over het verblijf in Chili en de rederering om terug naar Colombia te gaan, zijn volgens de minister eveneens vaag en wisselend. 6. De geloofwaardige asielmotieven leiden volgens de minister niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ervaren met de FARC of de Autodefensas na het verlaten van deze groeperingen. Hierdoor constateert de minister dat het gaat om een (zeer) langdurige periode zonder problemen met deze gewapende groeperingen, zodat het niet aannemelijk is dat eiser voor hen te vrezen heeft bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is en afgewezen moet worden. Ook komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier. De belangen van de minderjarige zoon van eiser geven hiertoe geen aanleiding. Er wordt een terugkeerbesluit opgelegd. Wat vindt eiser? 7. Eiser heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van zijn beroep, in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op prejudiciële vragen die de zittingsplaats Roermond heeft gesteld over de geloofwaardigheidsbeoordeling (ECLI:NL:RBDHA:2025:136). Verder heeft eiser aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uit zijn betrokkenheid bij de FARC en Autodefensas voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Eiser wijst er hierbij op hij door de Colombiaanse autoriteiten opgenomen is in een re-integratieproject en dat hij dit heeft onderbouwd met stukken. Dit hadden zij nooit gedaan als zij twijfels hadden gehad aan zijn verklaringen, waaronder zijn ontsnappingen. Ook kan van hem in redelijkheid niet verwacht worden dat hij zich zoveel jaar na dato nog elk detail kan herinneren en verwacht de minister te veel kennis, wetenschap en argumentatie van hem over de handelingen van de FARC. De minister miskent ook dat uit landeninformatie in voldoende mate naar voren komt dat de FARC tegenstanders uit de weg ruimt en dat hij gedurende lange tijd low profile heeft geleefd en van plaats naar plaats is verhuisd. Dit verklaart waarom hij in al die jaren slechts enkele keren persoonlijk is bedreigd. Verder ziet eiser gelet op het tijdsverloop en de omvang van zijn relaas niet in waarom het hem zo zwaar wordt aangerekend dat hij slechts één aangifte heeft overgelegd. Ook heeft eiser naar zijn mening voor wat betreft zijn verblijf in Chili en beweegredenen om terug te keren naar Colombia geen vage en wisselende verklaringen afgelegd. Hij heeft een en ander duidelijk uitgelegd; het betrof een combinatie van factoren. De minister heeft daarom zijn problemen met FARC en Autodefensas ten onrechte niet als uitgangspunt genomen. 8. Ook heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om hem in bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft onvoldoende aandacht besteed aan de belangen van zijn zoon die volledig is geïntegreerd in Nederland. Daarbij beroept eiser zich op het tijdsverloop en het vroegere zogenaamde ‘driejarenbeleid’. Het oordeel van de rechtbank Het verzoek om aanhouding 9. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van het beroep van eiser, in afwachting van de prejudiciële vragen die de zittingsplaats Roermond heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6), aan te houden. Deze zittingsplaats heeft eerder uitspraak gedaan over de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1., 7.2. en 7.3. van die uitspraak en neemt deze overwegingen hier over. Kortgezegd heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest. 10. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de problemen die eiser stelt te hebben gehad vanwege zijn betrokkenheid bij de FARC en de Autodefensas, ongeloofwaardig zijn. Hierbij is van belang dat de minister niet is gestopt bij het oordeel dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd die zijn asielrelaas volledig onderbouwen, maar ook heeft beoordeeld of de verklaringen van eiser samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank zal hierna, aan de hand van de beroepsgronden, verder uitleggen hoe zij tot de conclusie komt dat het standpunt van de minister standhoudt. De geloofwaardigheid van de verklaringen 11. In het arrest van 4 juni 2026 in de zaak Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol. 12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de FARC en de Autodefensas geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij is het volgende van belang. 13. De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiser in zijn gronden van beroep voor wat betreft de geloofwaardigheid van zijn verklaringen naar voren heeft gebracht (ook) een herhaling behelst van hetgeen hij ook al in zijn zienswijze naar voren had gebracht. Hierop is de minister ingegaan in het bestreden besluit. Uit de gronden van beroep blijkt dat eiser het niet met deze reactie eens is maar niet waarom de reactie onjuist dan wel onvoldoende is. Dit kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep. 14. Verder heeft de minister erop kunnen wijzen dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over voor hem belangrijke gebeurtenissen die aanleiding zijn geweest tot vertrek. Ondanks het tijdsverloop mocht van eiser verwacht worden dat hij hier consistente en gedetailleerde verklaringen over aflegt, nu het gaat om belangrijke gebeurtenissen die maakten dat hij zijn land heeft verlaten. Verder doet de omstandigheid dat eiser heeft geprobeerd ‘low profile’ te leven, niet af aan het feit dat het in het licht van hoe de FARC en de Autodefensas volgens eiser zelf opereren, bevreemding wekt dat eiser in een tijdsbestek van ongeveer twintig jaar slechts enkele keren persoonlijk zou zijn bedreigd, en dat de rest indirect zou zijn vernomen via anderen. Daar komt bij dat deze bedreigingen tot niets concreets hebben geleid en dat hij ongeschonden uit de confrontaties zou zijn gekomen, ondanks dat hij stelt dat de FARC verraders vermoordt. 15. Verder zegt de omstandigheid dat eiser na zijn verblijf bij de FARC en de Autodefensas in 2003 is opgenomen in een re-integratietraject op zichzelf niets over de hierna door hem gestelde ondervonden problemen. De stelling van eiser dat deze groeperingen op de hoogte zijn van zijn deelname aan het project en daarom weten dat hij informatie over hen heeft verstrekt, berust op speculatie van de zijde van eiser zonder verdere onderbouwing. Hieraan kan dan ook niet die waarde worden toegekend die eiser eraan gehecht wil zien. Tot slot overweegt de rechtbank dat als de Colombiaanse autoriteiten niet twijfelen over zijn relaas en hem hebben toegelaten tot het re-integratietraject dat niet maakt dat de Nederlandse autoriteiten ook niet zouden kunnen of mogen twijfelen aan zijn relaas. De minister moet hierin zijn eigen beoordeling maken en dat heeft hij ook gedaan. 16. Verder overweegt de rechtbank dat de minister ook betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser in de door hem overgelegde brief aan de Ombudsman een andere weergave heeft gegeven van belangrijke gebeurtenissen als zijn ontsnapping, zijn tijd in Chili en zijn plannen bij terugkeer naar Colombia. Zo heeft eiser tijdens zijn gehoren verklaard dat hij Chili ook geen veilige plek vond, mede vanwege de nabijheid van Colombia . In zijn brief aan de Ombudsman schrijft eiser daarentegen dat hij zich in Chili op zijn gemak voelde, daar geen angst had en de reden van zijn vertrek alleen gelegen lag in de omstandigheid dat hij had gehoord daar geen kans te maken op een asielvergunning . Ook heeft eiser ten overstaan van de minister verklaard dat hij vanuit Chili alleen naar Colombia terugkeerde met het doel zijn kind te halen en daarna direct door te reizen naar Amerika terwijl hij in de brief aan de Ombudsman heeft aangegeven naar Colombia te zijn teruggekeerd met het idee daar weer wat van zijn leven te willen gaan maken. Dit betreft wisselende verklaringen die betrekking hebben op wezenlijke onderdelen van zijn asielrelaas, namelijk de door hem gestelde vrees en bijbehorende angstgevoelens. 17. Reeds hierom heeft de minister voldoende gemotiveerd dat het asielrelaas van eiser voor wat betreft de door hem ondervonden problemen als gevolg van zijn betrokkenheid bij de FARC en de Autodefensas ongeloofwaardig zijn. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Verblijfsvergunning regulier 18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om hem ambtshalve in bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier. Het zogenaamde ‘driejarenbeleid’ waarnaar eiser in dit verband verwijst, is al geruime tijd geleden beëindigd. Hieraan kunnen dan ook geen verblijfsaanspraken meer worden ontleend. Verder is van belang dat bijzondere omstandigheden die ambtshalve tot een reguliere vergunning kunnen leiden in ieder geval individueel van aard moeten zijn . De omstandigheid dat de asielprocedure lang heeft geduurd met de daarbij behorende onzekerheid, is dat niet. Het is immers de realiteit dat deze procedures vaak lange tijd in beslag nemen. Inherent hieraan is dat er een zekere mate van integratie plaatsvindt, wat te meer geldt voor minderjarige schoolgaande kinderen. 19. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn beroep op artikel 3 van het IVRK. Uit dit artikel volgt -kort gezegd- dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle maatregelen die kinderen betreffen en dat Nederland zich ertoe heeft verbonden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn. De minister heeft de belangen van de minderjarige zoon kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken. In dit verband heeft de minister er naar het oordeel van de rechtbank op kunnen wijzen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat terugkeer naar Colombia in strijd is met de belangen van de minderjarige zoon. Daarbij is van belang dat de problemen van eiser ongeloofwaardig zijn, zodat aangenomen mag worden dat eiser met zijn zoon terugkeert naar Colombia en in staat is hem aldaar de nodige bescherming en zorg te bieden. Eiser heeft in zijn gronden van beroep geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen die onderbouwen dat dit niet het geval zal zijn. De omstandigheid dat de zoon van eiser al langer in Nederland verblijft en is geïntegreerd, maakt daarbij op zichzelf niet dat het niet in zijn belang is om terug te keren naar Colombia maar om in Nederland te blijven. De vraag is daarbij ook niet wat het meest in het belang van het kind is. Het is niet aan de Nederlandse autoriteiten om een kind de situatie te bieden die het meest in zijn of haar belang is, waarbij het ook nog maar de vraag is of verblijf in Nederland inderdaad het meest in zijn belang zou zijn. Daar komt bij dat zijn moeder en broer zich in Colombia bevinden en hij het grootste gedeelte van zijn leven daar met hen heeft doorgebracht. Er zijn door eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat zijn zoon niet weer in Colombia zou kunnen wennen en het daarom in strijd met zijn belangen zou zijn om terug te keren. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen. Conclusie en gevolgen 20. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Uitspraak van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057. ECLI:EU:C:2026:448. Zie aanvullend gehoor, pagina 15 en 17. Zie brief aan de Ombudsman van 17 januari 2023 Zie aanvullend gehoor, pagina 17. Op grond van artikel 3.6ba, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Zie het beleid zoals opgenomen in C1/7 en B11/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).