← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20741

Rechtbank Den Haag · 2026-07-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.48377
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.320 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Turkije, niet aannemelijk gemaakt dat eiser wegens zijn betrokkenheid bij de DEM-partij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten, militaire dienstplicht, beroep ongegrond

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48377 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. I. van der Vegt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2004. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Battaloglu als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. Eiser is een Koerdische Turk en heeft daarom zijn hele leven te maken gehad met discriminatie. De zus van eiser is in 2015 vermoord en was lid van de YPS, een subgroep van de PKK. Zij wordt door de Turkse autoriteiten gezien als terrorist en daarom wordt ook eiser als familielid lastiggevallen. Zo werd hij in maart 2022 aangehouden bij een controle-post en werd hem daar verteld dat hem hetzelfde lot zou treffen als zijn zus. Ook werd hij uitgescholden en kreeg hij een klap. Eiser zelf is ook actief bij en lid van de HDP (nu: DEM). Toen andere bij eiser bekende HDP-activisten werden aangehouden door de Turkse autoriteiten, kreeg eiser van zijn ouders het advies om Turkije te verlaten. Na zijn vertrek zijn de Turkse autoriteiten nog een aantal keer bij zijn ouderlijk huis langsgegaan op zoek naar eiser. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat ook hij zal worden aangehouden of dat hij zal worden gedwongen als spion voor de Turkse autoriteiten te fungeren. Eiser heeft daarnaast ook aangegeven niet in militaire dienst te willen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:  Nationaliteit, identiteit en herkomst;  Politieke problemen als gevolg van betrokkenheid bij de HDP-partij;  Discriminatie vanwege Koerdische etniciteit. 5. De minister vindt zowel de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser als de discriminatie vanwege zijn Koerdische etniciteit geloofwaardig. De politieke problemen als gevolg van betrokkenheid bij de HDP-partij heeft de minister deels geloofwaardig geacht. De minister volgt niet dat de zus van eiser door gericht geweld om het leven is gekomen. Ook vormen de verklaringen van eiser over de arrestatie van vrienden en een buurman geen samenhangend en aannemelijk geheel en heeft eiser weinig specifiek verklaard over de huisbezoeken en de ondervraging van zijn broer. 6. De vrees van eiser om bij terugkeer problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de HDP-partij, acht de minister op grond van de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser niet aannemelijk. Niet is gebleken dat hij op grond van op de persoon van eiser betrekking hebbende feiten of omstandigheden in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Ook de overige asielmotieven zijn naar de mening van de minister onvoldoende om voor een asielvergunning in aanmerking te komen. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd. Wat vindt eiser? 7. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk en samenhangend heeft verklaard over de arrestaties van HDP-activisten en de huisbezoeken aan zijn familie. Eiser stelt dat de minister bij de beoordeling van deze verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Ook is eiser van mening dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser wijst erop dat hij als Koerd en actief HDP-lid in Turkije constant wordt blootgesteld aan discriminatie, onderdrukking en vervolging. In dit verband wijst eiser op algemene landeninformatie . Ook stelt eiser dat de omstandigheid dat hij legaal het land heeft verlaten niets zegt over de vraag of hij in de negatieve belangstelling staat. Eiser is verder van mening dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zich bij terugkeer niet zou inzetten voor de HDP en de rechten van de Koerden. Tenslotte heeft eiser erop gewezen dat in het bestreden besluit een motivering ontbreekt met betrekking tot de dienstplicht. Het oordeel van de rechtbank 8. In het arrest van 4 juni 2026 in de zaak Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol. Referentiekader 9. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn gronden van beroep niet betwist dat zijn verklaringen op punten geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen of weinig concreet zijn. Hij heeft echter in dit verband aangevoerd dat niet blijkt hoe de minister bij deze beoordeling rekening heeft gehouden met zijn minderjarige leeftijd, zijn opleidingsniveau en zijn culturele achtergrond. 10. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Zo is in het bestreden besluit voor wat betreft de dood van zijn zus kenbaar betrokken dat eiser ten tijde van deze gebeurtenis nog jong was. Daarom is hem ook niet tegengeworpen dat hij hier beperkt over kan verklaren. Daarbij had eiser ten tijde van de gebeurtenissen direct voorafgaand aan zijn vertrek, zijn vertrek en de gehoren de meerderjarige leeftijd bereikt , zodat zijn stelling dat in dat hierbij geen rekening is gehouden met zijn minderjarigheid geen hout snijdt. Verder heeft eiser scholing gehad en is ook overigens niet gebleken dat er redenen zouden zijn waarom hij geen concrete of eenduidige verklaringen zou kunnen afleggen over de reden(en) van zijn vertrek. Dit blijkt niet uit het medisch advies van Medifirst of uit zijn gehoren. Ook blijkt dit niet uit de verklaring van een medisch specialist die eiser voorafgaand aan de zitting heeft overgelegd. In deze verklaring worden immers geen conclusies voor wat betreft de mogelijkheden van eiser met betrekking tot het afleggen van verklaringen benoemd of getrokken. Eiser heeft verder ook niet onderbouwd of concreet gemaakt wat de minister met het oog op zijn Koerdische culturele achtergrond in de besluitvorming anders had moeten doen. Deze beroepsgrond faalt. Negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten 11. Partijen zijn het erover eens dat eiser, omdat hij lid was van de HDP en activiteiten voor deze partij heeft verricht, valt onder een risicoprofiel. Dit neemt echter niet weg dat eiser nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk moet maken dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. 12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser persoonlijk geen concrete problemen heeft ondervonden met de Turkse autoriteiten. Eiser is sinds 2018 betrokken bij de HDP en staat vanaf mei 2022 officieel geregistreerd als lid. De Turkse autoriteiten zijn dus sindsdien op de hoogte van zijn betrokkenheid en hebben nooit laten blijken dat zij negatieve belangstelling voor eiser hebben. De staandehouding van eiser door de Turkse politie in 2022 bij een controlepost leidt niet tot de conclusie dat eiser onder verhoogde overheidsaandacht staat. Eiser werd immers na een korte onderbreking doorgelaten en kon de Newroz viering verder vervolgen. Ook heeft eiser Turkije legaal kunnen verlaten. Anders dan eiser lijkt te betogen, is het aan hem om aannemelijk te maken dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Dat (bijvoorbeeld) legale uitreis ook mogelijk is als men in de negatieve belangstelling staat kan wel zo zijn, maar die legale uitreis onderbouwt dan nog niet dat hij in de negatieve belangstelling staat. In dit geval concludeert de rechtbank dan ook dat de geschetste omstandigheden er niet op duiden dat eiser vanwege de op hem betrekkende factoren, namelijk zijn familie, zijn Koerdische etniciteit en zijn activiteiten en lidmaatschap van de HDP in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Ook de door eiser overgelegde foto’s van zijn ouderlijke woning na een gestelde huiszoeking leiden niet tot een ander oordeel in deze. Hoewel te zien is dat een huis overhoop is gehaald, valt op geen enkele manier de toedracht of context hiervan af te leiden. Aan de foto’s kan daarom niet de waarde worden toegekend die eiser hieraan gehecht wil zien. De beroepsgrond kan dan ook niet slagen. Uiting van politieke overtuiging bij terugkeer 13. Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt, is ook van belang of en in welke mate eiser bij terugkeer naar Turkije uiting zal geven aan zijn politieke overtuiging zal geven. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn politieke overtuiging voor hem dusdanig belangrijk is dat hij deze zal willen uiten bij terugkeer. Eiser kan niet aangeven waarom de HDP belangrijk voor hem is en had geen specifieke reden om lid te worden van deze partij . Ook wijst de minister er terecht op dat eiser heeft verklaard het nut van deelname HDP-activiteiten in Turkije niet in te zien . Tijdens zijn jarenlange verblijf in Nederland heeft hij daarbij ook maar eenmaal meegedaan met een demonstratie en eenmaal een Newroz-viering bijgewoond. Van overige politieke uitingen of ondersteuning van de Koerdische beweging is niet gebleken. Eiser geeft daarbij zelf ook aan dat het uiten van zijn politieke overtuiging in Nederland veel minder is geworden . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn politieke overtuiging voor hem dusdanig belangrijk is dat hij dit zal willen uiten bij terugkeer. Militaire dienstplicht 14. De rechtbank constateert met eiser dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op de militaire dienstplicht. De rechtbank oordeelt echter dat desondanks geen sprake is van motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser tot op een paar dagen voor zitting niet heeft aangegeven dat de minister hier ten onrechte geen aandacht voor heeft gehad. Ook in zijn zienswijze, hetgeen de gelegenheid is om een inhoudelijke reactie te geven op de voorgenomen afwijzing van zijn aanvraag, benoemt eiser dit niet. Daarbij geeft eiser in zijn nader gehoor zelf niet de militaire dienstplicht aan als directe reden voor zijn vertrek en bevestigt hij daarna dat hij alles heeft verteld wat voor hem van belang is. De omstandigheid dat deze militaire dienstplicht vervolgens niet in de zienswijze of de gronden van beroep maar pas een paar dagen voor zitting door eiser aan de orde is gesteld, duidt er niet op dat de angst bij terugkeer aan militaire dienstplicht te worden onderworpen dusdanig is dat dit daadwerkelijk een voor eiser relevant asielmotief betreft. 15. Daarnaast heeft de minister onder verwijzing naar algemene informatie ter zitting terecht op de mogelijkheid tot afkoop van de dienstplicht gewezen als ook op de omstandigheid dat dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet in conflictgebieden. Ook is geen informatie bekend over geweld tegen Koerdische dienstplichtigen en dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit. De verklaringen van eiser wijzen bovendien niet op onoverkomelijke gewetensbezwaren en zijn wisselend . Deze beroepsgrond kan hierom niet slagen. Conclusie en gevolgen 16. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of onder b, van de Vw. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Het algemeen ambtsbericht Turkije 2025 ECLI:EU:C:2026:448. Zie pagina 5, tweede alinea, van het bestreden besluit. Eiser heeft voorafgaand aan de gehoren steeds verklaard lichamelijk en geestelijk in staat te zijn om het gehoor te laten plaatsvinden. Eiser is ongeveer vier maanden na zijn achttiende verjaardag uit Turkije vertrokken. Uit dit advies van 15 februari 2024 blijkt dat er geen beperkingen zijn voor het horen. Wel had eiser aangegeven dat hij zich geen exacte data kan herinneren. Op pagina 7 van het nader gehoor geeft eiser aan dat hij niet precies weet waarom hij de HDP steunt en wat daarin belangrijk is voor hem. Pagina 9 van het nader gehoor. Op pagina 11 van het aanvullend gehoor geeft eiser aan deelname aan activiteiten eigenlijk ook geen zin heeft. Pagina 11 aanvullend gehoor. Zie pagina 5 van het nader gehoor. Uit het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 93. Eiser geeft in dit verband op pagina 11 van het nader gehoor aan niet in militaire dienst te willen omdat hij niet van wapens houdt en heeft gehoord dat de meeste Koerdische jongens op een of andere manier opzettelijk worden doodgeschoten. Op pagina 11 van het gehoor aanmeldfase heeft eiser in dit verband aangegeven geen broeders te willen vermoorden.