ECLI:NL:RBDHA:2026:20719
Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Vw 2000. Niet-ontvankelijk. Asielaanvraag. Hongarije. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij een verblijfsrecht heeft in Hongarije. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Hongarije, ondanks de houding van de Hongaarse autoriteiten jegens statushouders, de zware lat van het arrest Ibrahim haalt. Het beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL25.8824 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. B.G. Smouter), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en bepaald dat eiser onmiddellijk naar Hongarije moet gaan. 1.1 De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Deetman als tolk en de gemachtigde van de minister. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Hongarije internationale bescherming geniet. Uit informatie van de Franse autoriteiten – als reactie op een Dublinclaim van de minister – blijkt dat eiser in Hongarije internationale bescherming geniet sinds 21 oktober 2014. Eiser heeft zowel in de aanvullingen en correcties van 6 december 2024 op het aanmeldgehoor Dublin als tijdens zijn gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland van 11 december 2024 ook verklaard en bevestigd dat hij meerdere jaren in Hongarije is geweest en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen die 3-4 jaar geldig was. De autoriteiten van Hongarije hebben op 30 december 2024 – naar aanleiding van een verzoek om informatie van de minister – laten weten dat eiser nog altijd internationale bescherming geniet in Hongarije. De minister stelt – samengevat weergegeven – dat eiser, gelet op die Hongaarse asielstatus, een zodanige band met Hongarije heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Volgens de minister bestaat geen aanleiding om te concluderen dat ten aanzien van Hongarije in algemene zin niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf moet effectueren in Hongarije en dat hij – indien hij niet tevreden is – zijn beklag moet doen bij de autoriteiten van Hongarije. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Hongarije in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), aldus de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Eiser heeft nog steeds internationale bescherming in Hongarije 5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de Hongaarse autoriteiten aan eiser internationale bescherming (subsidiaire bescherming) hebben verleend en dat eiser deze internationale-beschermingsstatus nog steeds geniet in Hongarije. Eiser is nog wel bang dat zijn subsidiairebeschermingsstatus wordt ingetrokken als hij terugkeert naar Hongarije en een nieuw verblijfspasje – dat inmiddels is verlopen – moet aanvragen, omdat de Hongaarse autoriteiten dan zien dat hij in Frankrijk en in Nederland asiel heeft aangevraagd. De rechtbank volgt dit niet. Eiser heeft dit vermoeden op geen enkele wijze onderbouwd. Het betreft thans louter een door eiser verwachte onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarbij weten de Hongaarse autoriteiten waarschijnlijk al dat eiser in Frankrijk en in Nederland asiel heeft aangevraagd, omdat ook zij Eurodac kunnen raadplegen en vanuit Nederland het verzoek om informatie hebben gekregen om te laten weten of eiser nog altijd internationale bescherming geniet in Hongarije. De autoriteiten van Hongarije hebben niettemin op 30 december 2024 – naar aanleiding van een verzoek om informatie van de minister – expliciet laten weten dat eiser nog altijd internationale bescherming geniet in Hongarije. Mocht straks na terugkeer naar Hongarije toch blijken dat de subsidiaire beschermingsstatus van eiser wordt ingetrokken, dan ligt het op de weg van eiser om die intrekking in Hongarije juridisch aan te vechten. De drempel van Ibrahim wordt niet gehaald 6. De centrale vraag die beantwoording behoeft, is of eiser bij terugkeer naar Hongarije als statushouder het risico loopt op een met artikel 4 Handvest of artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, af dat de drempel voor een geslaagd beroep op artikel 4 van het Handvest – dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM – erg hoog is. Die drempel wordt eerst bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. Als een statushouder in de lidstaat waar hem asiel is verleend, geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar hij wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat, leidt dat op zichzelf niet tot het oordeel dat er een schending van artikel 4 van het Handvest is. 6.1 Eiser heeft in de correcties en aanvullingen van 6 december 2024 aangevoerd dat hij in 2014 inderdaad in Hongarije is geweest. Hij heeft daar verbleven in een verblijfplaats voor minderjarigen, waar ook Hongaren verbleven en enkele asielzoekers. Eiser geeft aan daar een vergunning te hebben gekregen die zo'n 3-4 jaar geldig was. Eiser is daar echter zo'n 2-3 jaar geweest en is toen teruggegaan naar Afghanistan omdat zijn vader overleed en hij als oudste van het gezin zijn gezin moest helpen. Eiser verklaart dat hij denkt in 2019 weer terug te zijn gekeerd naar Europa en dat hij toen enige tijd in Frankrijk is geweest. Eiser heeft deze verklaringen bevestigd in het aanmeldgehoor bescherming EU, EER of Zwitserland. In zijn beroepsgronden van 6 maart 2025 heeft eiser aangevoerd dat hij slechte ervaringen heeft met Hongarije en daar als minderjarige in beperkingen leefde. Hij is één keer mishandeld door een medebewoner. 6.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze verklaring niet aannemelijk gemaakt dat hij als statushouder in Hongarije in omstandigheden heeft geleefd die de lat van het arrest Ibrahim haalt. Zoals de minister terecht in het voornemen van 12 december 2024 heeft overwogen, komt uit het gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland niet naar voren dat eiser persoonlijk slechte leefomstandigheden heeft meegemaakt in Hongarije. Integendeel, op basis van wat hij tijdens dit gehoor naar voren heeft gebracht, kan worden afgeleid dat eiser opvang heeft gehad tot aan zijn vertrek uit Hongarije en daarna niet meer terug is geweest. Uit het feit dat eiser tijdens zijn verblijf in Hongarije te maken heeft gehad had met beperkingen, zijnde dat hij de opvang voor minderjarigen niet mocht verlaten en niet mocht doorreizen, blijkt niet dat eiser onder mensonterende omstandigheden in Hongarije moest verblijven. Uit deze verklaringen blijkt niet dat de Hongaarse autoriteiten jegens eiser niet hebben voldaan aan hun verdragsverplichtingen. Uit het oogpunt van bescherming van minderjarigen kan een lidstaat besluiten tot gesloten opvang voor deze categorie vreemdelingen. Verder heeft eiser weliswaar verklaard dat hij één keer is mishandeld door medebewoners in de opvang voor minderjarigen, maar bij dit incident en na afloop heeft eiser niet om hulp gevraagd. 6.3 In de aanvullende beroepsgronden van beroep van 25 juni 2026 komt eiser ineens met een heel ander verhaal. Eiser voert nu aan dat hij nooit is teruggekeerd naar Afghanistan vanuit Hongarije. Eiser geeft aan dat hij eerder zo bang was dat hij naar Hongarije terug zou moeten, dat hij aangaf terug te zijn geweest naar Afghanistan omdat hij dacht dat dan een terugkeer naar Hongarije niet meer aan de orde zou zijn geweest. Daarom wenst eiser hij nu uit te leggen hoe zijn verblijf in Hongarije wel is verlopen. Eiser geeft aan dat hij op het moment dat hij 18 jaar werd in Hongarije uit de opvang voor minderjarigen werd gezet en alleen een adres kreeg waar hij zich moest melden om te kijken of hij opvang kon krijgen. Daar aangekomen bleek dat die opvang alleen voor Hongaren was. Hij kwam hiervoor niet in aanmerking. Eiser verbleef toen zo’n twee jaar op straat in Hongarije, hij sliep buiten en ging zich wassen in een meer. Hij probeerde wel aan het werk te komen, maar niemand nam hem aan omdat hij Afghaans was. Uiteindelijk heeft een Afghaanse man hem onderdak gegeven in ruil voor werk in zijn winkel. Als de winkel open was moest eiser de straat op, maar in de avond ging hij in de winkel schoonmaken en kon hij er dan slapen. Dit was geen officieel werk en uit pure noodzaak. Na ongeveer een jaar heeft de Afghaanse man gezegd dat hij niet meer kon helpen. Hij adviseerde eiser om te vertrekken naar Frankrijk, wat eiser toen heeft gedaan. Eiser brengt naar voren dat hij een verschrikkelijke tijd heeft gehad in Hongarije. Hij heeft geen hulp gekregen en daarom kan en wil hij absoluut niet terugkeren. 6.4 Volgens de gemachtigde van eiser zijn deze ervaringen van eiser in lijn met openbare landeninformatie over Hongarije, te weten dat er geen hulp verleend wordt aan statushouders, dat zij anders worden behandeld dan Hongaarse burgers en feitelijk sprake is van tegenwerking, wat resulteert in een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Gelet op de algemene informatie zoals beschikbaar is over Hongarije heeft eiser volgens hem aannemelijk gemaakt dat het hem niet zal lukken zich zelfstandig staande te houden in Hongarije. 6.5 De gemachtigde van de minister heeft in reactie hierop ter zitting naar voren gebracht dat de minister ervan uitgaat dat eiser niet is teruggekeerd naar Afghanistan. Van het verhaal van eiser dat hij in Hongarije op straat heeft moeten leven, gaat de minister niet uit. 6.6 De rechtbank volgt dit standpunt van de minister. Eiser heeft in eerste instantie in de Dublinprocedure ontkent in Hongarije te zijn geweest. Vervolgens heeft eiser herhaaldelijk verklaard dat hij na 2 of 3 jaar verblijf in Hongarije is teruggekeerd naar Afghanistan en nooit meer is teruggekeerd naar Hongarije. Eerst vlak voor de zitting heeft eiser zijn verklaringen hieromtrent wederom gewijzigd zonder enige nader onderbouwing. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Hongarije op straat heeft geleefd nadat hij de opvang voor minderjarigen moest verlaten. Uit dit nieuwe verhaal blijkt ook niet welke pogingen eiser heeft ondernomen om hulp te krijgen en zijn situatie te verbeteren. De niet nader onderbouwde stelling van eiser ter zitting dat kerken en ngo’s asielzoekers niet helpen, wordt niet gevolgd. 6.7 De rechtbank acht in dit kader van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 26 maart 2026 de vraag of de omstandigheden voor statushouders in Hongarije in het algemeen zo slecht zijn dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling, ontkennend heeft beantwoord. Ofschoon de houding van de Hongaarse autoriteiten zich kenmerkt door onverschilligheid naar statushouders toe en er zelfs voorbeelden zijn waarbij zij statushouders actief tegenwerken bij de effectieve toegang tot voorzieningen, wil dat nog niet zeggen dat statushouders structureel buiten hun wil om in een onmenselijke situatie belanden. De rechtbank is met de Afdeling van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat de “bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid” als bedoeld in het arrest Ibrahim is bereikt. Het AIDA-rapport van mei 2025 schetst weliswaar verschillende structurele tekortkomingen in de toegang tot voorzieningen, maar buiten incidentele meldingen van statushouders die problemen ondervonden met deze toegang, worden er geen voorbeelden genoemd van situaties die er evident op wijzen dat statushouders structureel in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. Hoewel de minister er ook niet in is geslaagd om overtuigend te schetsen dat in de praktijk statushouders wel in hun basisbehoeften kunnen voorzien, heeft hij bij de Afdeling terecht gewezen op verschillende projecten, initiatieven en ngo’s die hen daarbij kunnen helpen, waarbij voor de mogelijkheden van hulp door ngo’s niet zonder betekenis is dat er in Hongarije in absolute zin niet veel statushouders zijn. Ook lijken er - hoewel daar op dit gebied nog weinig van is gerealiseerd - in de toekomst meer projecten en vormen van ondersteuning ten behoeve van statushouders mogelijk te worden, nu financiering vanuit het AMIF weer wordt toegelaten. De hierboven geschetste onduidelijkheid over de daadwerkelijke capaciteit van deze ngo’s om statushouders bij te staan, is bij gebrek aan concrete indicaties dat deze capaciteit structureel tekortschiet, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. 6.8 Het uitgangspunt blijft daarmee dat statushouders in Hongarije, hoewel dit met grote moeite gepaard zal gaan, zich zelfstandig staande zullen kunnen houden en hun rechten kunnen effectueren. Dit betekent echter niet dat deze moeilijkheden zonder betekenis zijn in de beoordeling of een individuele statushouder bij terugkeer naar Hongarije terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. De vraag die nog beantwoord moet worden, is of eiser bijzonder kwetsbaar is. Is eiser bijzonder kwetsbaar? 6.9 Eiser heeft in zijn aanvullende beroepsgronden van 31 maart 2026 gesteld dat hij bijzonder kwetsbaar is en het hem niet zal lukken zich zelfstandig staande te houden in Hongarije. Hij heeft daarbij aangeven dat er geen voorzieningen voor vluchtelingen zijn en dat hij uit eerste hand van anderen heeft meegekregen dat het leven voor meerderjarige statushouders heel zwaar was in Hongarije. Bovendien meent eiser dat hij consistent heeft verklaard over zijn psychische problemen, die volgens hem weer naar boven zullen komen als hij op straat moet leven in Hongarije. 6.10 Eiser merkt in verband hiermee ook op dat het Hof in het arrest Ibrahim heeft verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uit 2011, inzake M.S.S. tegen België en Griekenland. Uit dat laatste arrest volgt dat asielzoekers de facto kwetsbaar zijn omdat zij tot een kwetsbare groep behoren. Volgens eiser geeft het Hof in het arrest Ibrahim onder verwijzing naar het arrest Jawo en M.S.S. eveneens aan dat een statushouder ipso facto bijzonder kwetsbaar is. 6.11 De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. In het arrest Jawo van 19 maart 2019 heeft het Hof in een Dublinprocedure bij de beoordeling of de overdacht van een asielzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat een risico van artikel 4 van het Handvest oplevert, verwezen naar het arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland . In dat arrest heeft het EHRM gezegd dat asielzoekers een kwetsbare groep vormen, niet dat een asielzoeker een bijzonder kwetsbaar persoon is, laat staan dat een statushouder die niet langer asielzoeker is een bijzonder kwetsbaar persoon is. In het arrest Ibrahim heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat personen die subsidiaire bescherming genieten in die lidstaat geen bestaansondersteunende voorzieningen genieten of voorzieningen genieten die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, alleen dan kan leiden tot de vaststelling dat die verzoeker er wordt blootgesteld aan een risico in de zin van artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Het Hof zegt dus niet dat een statushouder bijzonder kwetsbaar is. Uit de punten 86, 88 en 93 van dit arrest volgt dat de bijzonder kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij internationale bescherming hebben gekregen. 612 Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat statushouders in Hongarije kwetsbaar zijn, omdat de Hongaarse overheid niet alleen onverschillig is naar hen toe, maar hen zelfs actief tegenwerkt, wil de rechtbank daarin nog wel meegaan. Echter, dat maakt nog niet dat elke statushouder bij terugkeer het risico loopt om buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht te komen in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat zij in rechtsoverwegingen 6.7 en 6.8 heeft overwogen. 6.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij dit risico als statushouder wel loopt omdat hij bijzonder kwetsbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzondere zorg nodig heeft of is aangewezen op bijzondere behoeften. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij vanwege zijn psychische gezondheid bijzonder kwetsbaar is, maar hij heeft dat niet, zoals de minister terecht in het bestreden besluit heeft opgemerkt, met medische stukken onderbouwd. Dat eiser in Frankrijk in elkaar zou zijn geslagen door mensen op straat, betekent niet dat hij als statushouder in Hongarije bijzonder kwetsbaar is. Onduidelijk is ook onder welke omstandigheden een en ander in Frankrijk zou hebben plaatsgevonden. De minister hoeft niet te motiveren waarom hij wel of niet van zijn bevoegdheid gebruikmaakt om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren 6.14 Eiser heeft verder in zijn gronden van beroep nog gesteld dat artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 een zogenoemde ‘kan’-bepaling is, en dat de minister daarom niet verplicht is de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Er is sprake van een discretionaire bevoegdheid en in dat geval moet het besluit worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus eiser. 6.15 Deze beroepsgrond faalt. Immers, uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2024 blijkt dat geen betekenis toekomt aan de enkele omstandigheid dat de in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omschreven bevoegdheid als een ‘kan-bepaling’ is geformuleerd. De nadere vereisten om deze bevoegdheid aan te kunnen wenden, en de omstandigheden waarmee de minister daarbij rekening moet houden, zijn immers al opgenomen in artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Als de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat aan deze vereisten is voldaan, rust op hem geen afzonderlijke plicht om te motiveren waarom hij de bevoegdheid gebruikt, en er niet voor kiest daarvan af te zien. 6.16 Voorts volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat, omdat de Hongaarse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend en eiser deze internationale-beschermingsstatus nog steeds geniet, reeds om die reden is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000, namelijk dat eiser een zodanige band heeft met Hongarije, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land (terug) te gaan. Alleen als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden, moet de minister van dit uitgangspunt afwijken . Zo staat in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. 6.17 De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen, zoals door eiser is gesuggereerd in zijn beroepsgronden. Ook de rechtbank is van oordeel dat er bijzondere feiten of omstandigheden kunnen zijn die tot afwijking van bedoeld uitgangspunt kunnen nopen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze bijzondere omstandigheden zich in het geval van eiser zich niet voordoen. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat zij heeft overwogen met betrekking tot de vraag of de drempel van Ibrahim wordt gehaald en of eiser moet worden beschouwd als een bijzonder kwetsbaar persoon. Daaraan voegt de rechtbank volledigheidshalve nog toe dat de belangen van het kind in deze zaak niet spelen, nu eiser inmiddels meerderjarig is. Wat eiser overigens nog heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaak NL.25.8825. ECLI:NL:RVS:2026:1781. ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:CE:ECHR:2011;012JUD003069609. ECLI:EU:C:2019:2019. ECLI:NL:RVS:2024:2668, rechtsoverweging 7. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:442 en ECLI:NL:RVS:2022:1788. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:326 en ECLI:NL:RVS:2023:4685.