← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20718

Rechtbank Den Haag · 2026-07-21 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.36072
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.666 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag afgewezen. Ongeloofwaardig asielrelaas.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36072 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Indiase nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is verslaafd aan online gokken en heeft om aan zijn verslaving te kunnen voldoen geld geleend van geldschieter [naam 1] die in zijn dorp woont en een belangrijk persoon met politieke macht is. Toen eiser de rente van de lening niet meer kon betalen, is hij na maanden van achterstallige betalingen op 9 april 2025 door de geldschieter met de dood bedreigd. Eiser is twee dagen later naar Thailand vertrokken. In Thailand is hij door dorpsgenoten herkend en daarom is hij twee dagen later naar Taiwan gereisd. Vanaf Taiwan is eiser naar Europa gevlogen, omdat een vriend geregeld had dat hij op een schip zou kunnen werken dat vanuit Dublin in Ierland vertrekt. Toen eiser op [luchthaven] aankwam, mocht hij niet verder reizen en heeft hij asiel aangevraagd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: -identiteit, nationaliteit en herkomst en -problemen met de geldschieter. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister vindt de problemen met [naam 1] niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen over de problemen met [naam 1] niet onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister getoetst aan artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister concludeert dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, onder b en c van de Vw. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen. De overeenkomst van lening 5. Eiser voert aan dat de gestelde leenovereenkomst met [naam 1] in het bezit is van [naam 1] en hij die niet kan verkrijgen. Hij kan ook niet, zoals de minister stelt, daarover contact opnemen met zijn ouders. Zijn ouders willen hem niet helpen, want zij hebben hem het huis uitgezet. Ook wekt het bevreemding dat de minister stelt dat als de vriend van eiser de geldschieter zou benaderen over de leenovereenkomst, de geldschieter niet achter eisers verblijfplaats zou willen komen. 6. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser tegenwerpt dat hij de ondertekende leenovereenkomst met de geldschieter niet heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde problemen met die geldschieter en daarvoor geen goede verklaring heeft. De rechtbank overweegt het volgende. Eiser heeft verklaard dat de geldschieter zijn ouders vertrouwde en daarom geld aan eiser heeft geleend. Volgens eiser is de geldschieter ook bij zijn ouders langs geweest in verband met achterstallige betalingen op de lening. Eiser is zelf partij bij de leenovereenkomst. Onder deze omstandigheden mag de minister van eiser verwachten dat hij een kopie van de leenovereenkomst kan overleggen. Dat het wellicht niet voor de hand ligt dat hij zijn vriend daarvoor benadert, doet aan het vorenstaande niet af. Eisers stelling dat zijn ouders hem niet willen helpen, omdat ze hem uit huis hebben gezet, hoefde de minister niet te volgen. Eiser heeft wisselend verklaard over de uithuiszetting en heeft nog tot in ieder geval twee dagen voor zijn vertrek bij zijn ouders gewoond. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Telefoon 7. Eiser voert aan dat hij zijn telefoon waarop het bewijs met betrekking tot zijn gokverslaving stond niet langer in zijn bezit heeft en dat zijn gokgeschiedenis niet op een andere telefoon zichtbaar is. De foto die eiser van zijn identiteitskaart heeft, staat hier los van, want die foto had eiser opgeslagen buiten zijn telefoon. 8. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser tegenwerpt dat hij informatie over zijn online gokverslaving die op zijn telefoon zou staan en die direct verband houdt met de reden van zijn vertrek uit India niet heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank overweegt het volgende. Eiser heeft verklaard dat hij online op zijn telefoon gokte. Onder deze omstandigheden mag de minister verwachten dat eiser zijn gestelde gokverslaving onderbouwt. De minister stelt in dit verband terecht dat eiser bij aankomst op [luchthaven] nog in het bezit is van een telefoon. De minister stelt ook terecht dat niet valt in te zien waarom financiële transacties die te maken hebben met eisers gokgeschiedenis alleen inzichtelijk zouden zijn via één telefoon en niet via een andere telefoon. Bovendien heeft eiser in zijn aanmeldgehoor in antwoord op de vraag: “Waar is deze identiteitskaart nu?’, het volgende verklaard: “Ik heb wel een foto hiervan op mijn telefoon. De echte kaart ben ik kwijtgeraakt. Ik heb alleen nog een foto op mijn telefoon.” Hieruit valt op te maken dat eiser ten tijde van het aanmeldgehoor nog in het bezit was van zijn telefoon en dus ook kon beschikken over informatie over zijn gestelde gokverslaving. Verder heeft eiser nergens in zijn gehoren verklaard dat hij zijn telefoon kwijt is of dat hij een nieuwe telefoon heeft (gekocht). De enkele stelling van eiser in de zienswijze en in beroep dat hij zijn telefoon niet meer heeft, hoefde de minister dan ook niet te volgen. Hierbij merkt de rechtbank op dat het op de weg van eiser ligt om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Eiser had zijn gestelde gokverslaving ook met bankafschriften of anderszins kunnen onderbouwen. Eiser heeft immers verklaard dat hij geld overmaakte van zijn rekening naar een online game. Deze grond slaagt daarom niet. Verklaringen over de gestelde problemen met [naam 1] 9. Eiser voert aan dat hij afdoende over [naam 1] heeft verklaard. Eiser is in het nader gehoor ook maar één keer gevraagd wie de geldschieter is. Eiser heeft een helder beeld verschaft van [naam 1] , ondanks het feit dat hij op dit punt in het nader gehoor nauwelijks is bevraagd. Ook heeft eiser niet vaag verklaard over het feit dat [naam 1] een soort rechter is. De minister heeft verder niet onderbouwd waarom het ongerijmd zou zijn dat [naam 1] tot april 2025 geen contact heeft gezocht met eisers familie en gaat hierbij uit van fictieve aannames. Verder stelt eiser dat hij op 9 april 2025 door [naam 1] in een theehuis is bezocht, omdat hij niet thuis was. Het bestreden besluit snijdt op dit punt geen hout. 10. De rechtbank overweegt dat de minister eiser tegenwerpt dat zijn verklaringen over [naam 1] geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Het klopt weliswaar dat, zoals eiser stelt, er in het nader gehoor slecht één keer letterlijk wordt gevraagd toe te lichten wie [naam 1] is. Maar het is niet zo dat eiser nauwelijks is bevraagd over [naam 1] . In het nader gehoor zijn aan eiser, zoals ook in het bestreden besluit is opgesomd en terecht in het verweerschrift is gesteld, diverse vragen gesteld over [naam 1] . Eiser kan alleen maar verklaren dat [naam 1] een soort rechter is met connecties met [naam 2] en een bekende geldschieter is in het dorp, terwijl [naam 1] ook de ouders van eiser heel goed zou kennen en hen zou vertrouwen. Verder zou [naam 1] politieke macht hebben, maar eiser licht niet toe waar die macht dan uit blijkt. De minister mocht dit summier en niet eenduidig vinden. Ook heeft de minister het opmerkelijk mogen vinden dat eiser enerzijds heeft verklaard dat [naam 1] eiser en zijn familie goed kende en vertrouwde, maar dat [naam 1] tegelijkertijd de familie van eiser niet heeft benaderd en zij geen problemen hebben ondervonden in verband met de gestelde schuld van eiser. Verder heeft de minister kunnen stellen dat eisers gestelde vrees voor [naam 1] niet rijmt met eisers verklaringen dat er vanaf september/oktober 2024 problemen zijn ontstaan in verband met achterstallige betalingen en dat hij sindsdien geen enkele keer door [naam 1] thuis is benaderd, maar alleen in het theehuis is opgezocht. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet. Conclusie en gevolgen 11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister eisers gestelde problemen met een geldschieter ongeloofwaardig mocht vinden en op grond daarvan de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Pagina 17 proces-verbaal aanvraag asiel. Pagina 6 van het aanmeldgehoor. Pagina 13 nader gehoor. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.