← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20584

Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.8312
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.784 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

AA; Senegal; opvolgende asielaanvraag Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat het haar in gesprekken met hem duidelijk is geworden dat eiser homoseksueel is en dat zij dit geloofwaardig vindt. Uit eisers dossier volgt dit echter niet. Ook tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser hier niets over gezegd, en juist andere omstandigheden naar voren gebracht. Pas in de zienswijze is voor het eerst beperkt over eisers homoseksualiteit gerept. Voor zover de gemachtigde van eiser tijdens de zitting heeft willen stellen dat eisers homoseksualiteit als asielmotief had moeten worden beoordeeld door verweerder, ziet de rechtbank hiertoe dan ook geen enkele aanleiding. Eiser heeft tijdens de eerste asielprocedure juist nadrukkelijk verklaard dat hij niet homoseksueel is. Het is bovendien aan eiser om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Helemaal bij een opvolgende asielaanvraag mag daarbij worden verwacht dat eiser volledig is en alles wat relevant kan zijn voor zijn asielaanvraag naar voren te brengen. Verder stelt eiser dat verweerder geloofwaardig heeft bevonden dat hij afvallig is. Vanwege deze afvalligheid zal hij in Senegal problemen krijgen. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser niet verklaard dat hij uit Senegal is gevlucht vanwege afvalligheid. Pas in een later stadium van de procedure heeft eiser gesteld dat hij afvallig is, zonder dit te onderbouwen. Verweerder heeft dit in het voornemen noch het bestreden besluit gevolgd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers afvalligheid niet geloofwaardig is. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8312 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum). Procesverloop Bij besluit van 20 december 2024 heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 3 april 2025 (NL24.51806) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser opnieuw als kennelijk ongegrond afgewezen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.8313, op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Inleiding 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Senegalese nationaliteit. Op 20 november 2024 heeft hij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij is bedreigd en dat hem homoseksualiteit is toegedicht omdat hij een homoseksuele vriend onderdak had geboden. Deze asielaanvraag heeft verweerder bij besluit van 29 november 2024 als kennelijk ongegrond afgewezen. Ook heeft verweerder met dit besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend. 2. Op 13 december 2024 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze tweede asielaanvraag - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft problemen met zijn familie en zijn tante heeft hem met de dood bedreigd. Dezelfde tante heeft ook aangifte tegen hem gedaan sinds hij het land heeft verlaten. Dit omdat er een familieruzie is die gaat over de erfenis van eisers opa, en de verkoop van een woning. De familie van eiser zegt dat eiser zijn oma heeft bedreigd. Eisers tante heeft veel connecties op belangrijke hooggeplaatste posities in Senegal, waardoor hij niet de bescherming kan inroepen van de autoriteiten. De familieproblemen van eiser zijn levensbedreigend. De uitspraak van 3 april 2025 3. In het eerdere afwijzende besluit van 20 december 2024 heeft verweerder de asielaanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op de grond dat Senegal een veilig land voor eiser is en eiser niet behoort tot de uitzonderingscategorie van lhbti. In de uitspraak van 3 april 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geoordeeld dat de aanwijzing van Senegal tot veilig land van herkomst zich niet verdraagt met de Procedurerichtlijn. De rechtbank heeft artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen daarom onverbindend verklaard. Verweerder heeft Senegal als gevolg hiervan volgens de rechtbank niet kunnen aanwijzen als veilig land van herkomst. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet zonder nadere motivering heeft mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen bescherming tegen zijn familie kan krijgen in Senegal. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. 5. Volgens verweerder bevat eisers asielrelaas de volgende asielmotieven: 1. De identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Eisers problemen met zijn familieleden. 6. Het eerste asielmotief vindt verweerder geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet. Eisers verklaringen over zijn problemen met zijn familieleden zijn volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Eiser heeft tijdens de eerste asielprocedure geen melding gemaakt van de problemen met zijn familie. Eiser heeft verder ongerijmde verklaringen afgelegd over de rol van zijn vader. Verweerder vindt het opmerkelijk dat eisers vader geen problemen heeft ondervonden en in Senegal heeft kunnen blijven wonen, terwijl eiser met de dood zou zijn bedreigd door zijn familie. Verder heeft eiser tegenstrijdig en onsamenhangend verklaard over de problemen met zijn tante en het document dat zijn oma in haar bezit zou hebben gehad. Ook kan eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw). Hij heeft in de huidige asielprocedure een geheel ander asielrelaas naar voren gebracht dan tijdens de eerste asielprocedure. De gestelde problemen met de familie zouden volgens eiser al wel aanwezig zijn geweest tijdens de eerste asielaanvraag. De gestelde (toegedichte) homoseksualiteit is al beoordeeld tijdens de eerste asielprocedure. Eiser heeft verweerders standpunt toen niet gemotiveerd bestreden. Dat eiser stelt afvallig te zijn, wordt door verweerder niet gevolgd. Eiser heeft dit immers pas in de gronden van 3 januari 2025 naar voren gebracht, terwijl hij eerder de mogelijkheid heeft gehad om hierover te verklaren. 7. Omdat het hier om een opvolgende asielaanvraag gaat, heeft verweerder niet ambtshalve getoetst of uitstel van vertrek om medische redenen aan de orde is (artikel 64 van de Vw). 8. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 29 november 2024 zijn nog steeds geldig. De beroepsgronden 9. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert in beroep aan dat hij afvallig is, wat verweerder geloofwaardig heeft bevonden, en dat hij al om deze reden in Senegal wordt gediscrimineerd en bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eisers homoseksualiteit is zijn grootste probleem waardoor hij niet zal kunnen terugkeren naar Senegal. Hierover ligt er nog geen rechterlijk oordeel. Verder voert eiser aan dat verweerder zijn medische situatie wel had moeten beoordelen, ondanks dat het om een opvolgende asielaanvraag gaat. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:15434). Ook stelt eiser dat hij in Senegal niet de bescherming van de autoriteiten kan inroepen nu zijn tante in de vetekwestie de tegenpartij is, zij tot de autoriteiten behoort en een hoge functie bekleedt en veel connecties heeft. De beoordeling door de rechtbank Procesbelang 10. Eiser is met onbekende bestemming uit de opvang vertrokken en het is onduidelijk waar hij op dit moment verblijft. Omdat zijn gemachtigde echter heeft aangegeven dat zij nog contact heeft met eiser en eiser volgens zijn gemachtigde nog in Nederland bij vrienden verblijft, neemt de rechtbank desondanks procesbelang aan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662). Homoseksualiteit 11. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat het haar in gesprekken met hem duidelijk is geworden dat eiser homoseksueel is en dat zij dit geloofwaardig vindt. Uit het dossier volgt dit echter niet. Ook tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft hij hier niets over gezegd, en juist andere omstandigheden naar voren gebracht. Pas in de zienswijze van 8 januari 2026 is voor het eerst over eisers homoseksualiteit gerept. Dit beperkte zich tot de zin: “Verzoeker is nog steeds homoseksueel, hetgeen ook in Senegal grote problemen met zich meebrengt.” Hoewel verweerder hier desondanks in het bestreden besluit aandacht aan heeft besteed, wordt in beroep slechts aangevoerd: “Voor eiser is echter zijn homoseksuele geaardheid het grootste probleem op grond waarvan hij niet naar Senegal kan terugkeren.” Voor zover de gemachtigde van eiser tijdens de zitting heeft willen stellen dat eisers homoseksualiteit als asielmotief had moeten worden beoordeeld door verweerder, ziet de rechtbank hiertoe dan ook geen enkele aanleiding. Eiser heeft tijdens de eerste asielprocedure juist nadrukkelijk verklaard dat hij niet homoseksueel is (zie het gehoor veilig land van herkomst van 25 november 2024, p. 8). Het is bovendien aan eiser om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Helemaal bij een opvolgende asielaanvraag mag daarbij worden verwacht dat eiser volledig is en alles wat relevant kan zijn voor zijn asielaanvraag naar voren te brengen. Afvalligheid 12. Verder stelt eiser dat verweerder geloofwaardig heeft bevonden dat hij afvallig is. Vanwege deze afvalligheid zal hij in Senegal problemen krijgen. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft eiser niet verklaard dat hij uit Senegal is gevlucht vanwege afvalligheid. Pas in de beroepsgronden van 3 januari 2025 heeft eiser dit gesteld, maar dit heeft hij in het geheel niet onderbouwd. Anders dan eiser stelt, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zich in de uitspraak van 3 april 2025 niet uitgelaten over de (gestelde) afvalligheid van eiser, maar dit aspect uitsluitend genoemd bij de weergave van verweerders standpunt onder rechtsoverweging 4. Ook in de zienswijze van 5 februari 2026 en in de beroepsgronden van 23 februari 2026 heeft eiser enkel gesteld dat hij afvallig is, zonder dit te onderbouwen. Verweerder heeft dit in het voornemen noch het bestreden besluit gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers afvalligheid niet geloofwaardig is. Bescherming 13. De beroepsgrond dat eiser in Senegal niet de bescherming kan inroepen van de autoriteiten gezien de positie van zijn tante, slaagt ook niet. In het voornemen van 8 januari 2026 heeft verweerder uitgebreid gemotiveerd waarom eisers problemen (o.a. met zijn tante) niet geloofwaardig zijn. Of hij de bescherming van de autoriteiten in Senegal kan inroepen vanwege deze problemen heeft verweerder daarom terecht niet beoordeeld. De ambtshalve toets aan artikel 64 van de Vw 14. Eiser stelt ten slotte dat zijn medisch dossier in de beoordeling van de asielaanvraag had moeten worden betrokken. Daarvoor verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:15434, ongepubliceerd). 15. Uit artikel 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat verweerder een ambtshalve beoordeling op grond van artikel 64 van de Vw verricht bij een eerste asielaanvraag. Uit artikel 6.1e van het Vb 2000 volgt geen verplichting voor verweerder om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te beoordelen of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Dat verweerder die verplichting bij een opvolgende aanvraag niet heeft, volgt onder meer uit een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14471), maar ook uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld uitspraken van 7 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:30) en 24 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1969). In de verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 oktober 2025 (NL25.35857) ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze jurisprudentielijn af te wijken, nu onvoldoende duidelijk is waarom in die zaak wel is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van artikel 64 van de Vw, ondanks dat het in die zaak ook om een opvolgende asielaanvraag gaat. 16. Het betoog dat verweerder in de onderhavige zaak ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw slaagt daarom niet. Conclusie en gevolgen 17. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.