ECLI:NL:RBDHA:2026:20579
Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De minister heeft de asielaanvraag mogen afwijzen maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de schrijnendheid of artikel 8 van het EVRM. Beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39391 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.H. Hekman), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.A.A. Willems). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Met het besluit van 31 juli 2025 heeft de minister eiser (tijdelijk) uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vw. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, Por Konos Jamalabad als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op achtjarige leeftijd uit Afghanistan is gevlucht voor de oorlog. Onderweg naar Iran is hij de rest van zijn familie kwijtgeraakt. Na ongeveer 2,5 jaar hebben eiser en zijn broer elkaar teruggevonden. De broer van eiser verblijft in Nederland. Eiser wil in Nederland een nieuw en veilig leven opbouwen met zijn broer en vreest bij een terugkeer naar Afghanistan voor de oorlog, de taliban en de dood. Hij stelt dat hij niemand in Afghanistan heeft en dat hij daar niet in zijn eentje als minderjarige kan overleven. In zijn aanvullende zienswijze van 18 juli 2025 heeft eiser verder aangevoerd dat hij niet uit Afghanistan is gevlucht vanwege de oorlog, maar vanwege zijn oom, behorend tot de Taliban, die zijn vader zou hebben neergeschoten en zijn broer ontvoerd en onmenselijk behandeld zou hebben. Daarnaast stelt eiser dat de taliban vijandig staat tegenover mensen met de Tadzjiekse etniciteit en dat zij gediscrimineerd worden. Verder stelt eiser dat hij hoogstwaarschijnlijk in de negatieve belangstelling van de taliban zal staan vanwege zijn vader en broer [naam] , die al in de negatieve belangstelling van de taliban zouden hebben gestaan. Het bestreden besluit 3.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst Dat de broer van eiser genaturaliseerd is, heeft de minister niet als asielmotief aangemerkt omdat dit geen verband houdt met vluchtelingschap of ernstige schade. 3.2. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat niet is gebleken dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat eiser een risico loopt op vervolging of ernstige schade omdat hij Afghanistan op achtjarige leeftijd heeft verlaten, heeft eiser namelijk niet onderbouwd. In het kader van eisers vrees bij terugkeer uit het westen wijst de minister op een uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, waaruit volgt dat er geen aanknopingspunten zijn dat terugkerende Afghanen, alleen al wegens verblijf in een westers land, systematisch aan een vernederende of onmenselijke behandeling van een zekere ernst worden blootgesteld. Daarnaast neemt de minister de omstandigheid dat de broer van eiser een asielvergunning heeft gekregen niet mee in de beoordeling van eisers aanvraag, omdat het een individuele asielaanvraag is en eiser moet onderbouwen waarom hij gevlucht is uit Afghanistan. Verder ziet de minister niet in waarom eiser pas in de zienswijze heeft aangevoerd dat zijn oom zijn vader vermoord zou hebben en zijn broer door hem ontvoerd zou zijn en volgt de minister eiser niet in zijn vrees voor de taliban. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is. 3.3. De minister heeft verder ambtshalve getoetst of eiser op grond van artikel 8 EVRM of op grond van bijzondere humanitaire omstandigheden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Volgens de minister is er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn broer, omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang overstijgen. Daarnaast stelt de minister dat eiser een privéleven in Nederland heeft, maar valt de gemaakte belangenafweging in zijn nadeel uit. Hierdoor is de weigering van een verblijfsvergunning, volgens de minister, niet in strijd met artikel 8 EVRM. Verder stelt de minister dat eiser geen overige bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van bijzondere humanitaire omstandigheden. Met het aanvullende besluit heeft de minister op grond van artikel 64 van de Vw eiser tijdelijk uitstel van vertrek verleend. Daarnaast moet de DT&V onderzoeken of eiser adequate opvang heeft in Afghanistan. De minister heeft eiser daarom geen terugkeerbesluit opgelegd. Asielvergunning 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister het asielrelaas van zijn broer [naam] ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. De vluchtsituatie van zijn broer, een erkend vluchteling die inmiddels genaturaliseerd is, is ook de situatie waarin eiser verkeerde. De minister heeft hem ook ten onrechte tegengeworpen dat hij niet eerder heeft verklaard over zijn vrees voor de taliban vanwege wat zijn vader en broer zijn overkomen. Eiser was ten tijde van die gebeurtenissen in Afghanistan slechts zeven jaar oud en heeft tijdens zijn gehoor ook verklaard dat hij niet alle details van het verleden van zijn broer heeft gehoord. Daarnaast is het duidelijk dat eiser psychisch zeer kwetsbaar was en nog steeds is, zo blijkt ook uit het rapport van nader gehoor. 4.1. De rechtbank overweegt dat de minister het asielrelaas van [naam] ten onrechte niet heeft betrokken in de beoordeling. Hoewel de beoordeling inderdaad ziet op het individuele relaas van eiser en de minister dit daarom niet heeft hoeven aanmerken als asielmotief, kan het relaas van [naam] wel van belang zijn in de beoordeling van eisers vrees. Daarnaast is de enkele omstandigheid dat eiser zijn vrees voor de taliban pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de vrees niet geloofwaardig is. Toch heeft de minister, naar het oordeel van de rechtbank, de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen. Eiser heeft namelijk geen individuele aanknopingspunten aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij te vrezen heeft voor de taliban vanwege hetgeen zijn vader en broer is overkomen. Dat [naam] te vrezen heeft en op die grond een verblijfsvergunning asiel toegekend heeft gekregen, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat ook eiser te vrezen heeft. Reguliere vergunning op grond van een schrijnende situatie 5. Eiser is het ook niet eens met het standpunt van de minister dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van bijzondere humanitaire omstandigheden (ook: schrijnende situatie). Hij stelt dat de minister daarbij onvoldoende is ingegaan op de omstandigheid dat hij na jaren met zijn oudere broer is herenigd en er geen andere gezinsleden in beeld zijn. Er is sprake van een schrijnende situatie. Hij wijst in dat kader er ook op dat hij na een dramatische vlucht uit Afghanistan zijn familie is kwijtgeraakt, waarna hij alleen op straat achterbleef en werd opgevangen door een Iraans gezin. Hij heeft door de traumatische ervaringen complexe psychotraumaklachten ontwikkeld en een geschiedenis van zelfmutilatie. 5.1. In onderhavig geval is sprake van meerdere omstandigheden die, gelet op het Informatiebericht 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de schrijnendheid. De rechtbank acht in dat kader onder meer relevant: - de medische omstandigheden (psychische gesteldheid) van eiser; - de omstandigheid dat [naam] wel is toegelaten en eiser niet, terwijl [naam] onderdeel is van zijn kerngezin, zelfs het enige lid van zijn kerngezin waarmee eiser in contact staat; - de minderjarigheid van eiser; en - de omstandigheid dat hij in Nederland zijn leven opbouwt. Eiser volgt onderwijs, krijgt begeleiding van het NIDOS en krijgt zorg en begeleiding bij zijn medische problematiek. De rechtbank betrekt hierbij ook dat een beëindiging van de zorg en begeleiding niet in het belang van eiser is. 5.2. De rechtbank merkt op dat een aantal van deze omstandigheden verband houden met de beoordelingen van de medische situatie in het kader van artikel 64 van de Vw en de adequate opvang in het kader van het buitenschuld beleid en dat deze beoordelingen nog niet zijn afgerond. Echter, deze omstandigheden kunnen ook een rol spelen in het kader van de schrijnendheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd of de toelichting dat er zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan in Nederland. De rechtbank zal de minister daarom opdragen dit opnieuw te beoordelen en motiveren. 8 EVRM 6. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte geen verblijfsvergunning heeft verleend op grond van artikel 8 van het EVRM. 6.1. De minister heeft beoordeeld of er tussen eiser en zijn broer sprake is van familie- of gezinsleven. In de beoordeling heeft de minister betrokken dat eiser en zijn broer sinds begin 2025 niet meer samenwonen en dat het niet is gebleken dat de broer van eiser de rol van de ouders heeft overgenomen of financieel verantwoordelijk is voor eiser. Volgens de minister is ook niet gebleken dat eiser praktisch zodanig afhankelijk is van zijn broer dat hij zonder zijn ondersteuning niet in staat is om zelfstandig te functioneren. De minister concludeert dan ook dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang overstijgt. 6.2. De rechtbank overweegt dat de minister, gelet op de omstandigheden waarin eiser zich bevindt, niet heeft mogen tegenwerpen dat er geen sprake is van samenwoning. Tot het moment dat het vanwege zijn medische situatie niet langer houdbaar was, hebben eiser en [naam] wel samengewoond. Dat [naam] geen dagelijkse intensieve zorg biedt aan eiser, zoals een ouder dat gewoonlijk verleend, is gelet op het begeleid wonen van eiser begrijpelijk. Dit heeft de minister dan ook niet in zijn nadeel mogen meewegen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een bijzondere emotionele afhankelijkheid. Dit beeld wordt ondersteunt door de verschillende ingebrachte verklaringen, zoals de verklaring van eisers persoonlijke begeleider van [instelling] , waar eiser sinds december 2024 verblijft. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er in het geval van eiser, ondanks het ontbreken van een financiële afhankelijkheid, het niet kunnen samenwonen en het ontbreken van dagelijkse intensieve zorg, niet alsnog sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang overstijgt. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de asielaanvraag mogen afwijzen maar heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de schrijnendheid of artikel 8 van het EVRM. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 7.1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. 8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 25 juli 2025; - draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.