ECLI:NL:RBDHA:2026:20545
Rechtbank Den Haag · 2026-07-21 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag van een EU-onderdaan; eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat hij geen bescherming kan krijgen van de Poolse autoriteiten; beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.24845 (beroep) en NL26.24846 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna eiser) (gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C. van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht, die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. 2.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep op 8 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Poolse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1986. Eiser is in Polen een krediet aangegaan met een criminele organisatie. Deze criminele organisatie zit achter hem aan om het geld terug te krijgen. De criminele organisatie heeft hem mishandeld en zijn familie bedreigd. Eiser kan geen bescherming krijgen van de politie, omdat de criminele organisatie erachter zou komen als hij aangifte zou doen. Bij terugkeer vreest hij mishandeling of de dood. Hij voelt zich niet veilig in Polen. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van Protocol nr. 24 van het VWEU (hierna het Protocol), omdat hij onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie. Verweerder beschouwt andere lidstaten, zoals Polen, als veilige landen van herkomst in het kader van asielzaken. Niet is gebleken dat één van de uitzonderingssituaties uit het Protocol, op grond waarvan een asielaanvraag van een EU-onderdaan toch inhoudelijk behandeld moet worden, van toepassing is. Eiser kan voor zijn problemen bescherming vragen bij de Poolse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten onmachtig of onwillig zijn om hem te beschermen. Er bestaat daarom geen aanleiding om ten aanzien van Polen af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De asielmotieven worden daarom niet inhoudelijk beoordeeld. Bespreking van de beroepsgronden 5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt waarom eisers concrete en gespecificeerde vrees in zijn persoonlijke situatie niet kan afdoen aan het door verweerders ingenomen uitgangspunt. Eiser heeft immers niet alleen in algemene termen over onveiligheid gesproken, maar heeft specifieke elementen genoemd. Van verweerder mag worden verwacht dat hij inzichtelijk maakt hoe hij deze individuele elementen heeft meegewogen. Dit blijkt ook, omdat de asielmotieven niet op geloofwaardigheid worden beoordeeld. Eiser stelt dat deze passage juist laat zien dat er geen daadwerkelijke individuele weging heeft plaatsgevonden van de relevante feiten voor de ontvankelijkheidsvraag. Daarnaast is het Protocol te strikt toegepast. Het gaat er om of eiser bij terugkeer in Polen, gelet op zijn gestelde vrees en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstig geweld en of hij daartegen effectieve bescherming kan krijgen. In het bestreden besluit ontbreekt een duidelijke uitleg waarom verweerder meent dat de door eiser gestelde risico’s niet kunnen leiden tot een uitzonderingssituatie waarin het algemene uitgangspunt wordt doorbroken. Verder is ten onrechte als doorslaggevend criterium tegengeworpen dat eiser eerst aangifte/bescherming moet zoeken. Eiser heeft gemotiveerd gesteld dat het zoeken van bescherming voor hem een concrete belemmering kent, namelijk de dreiging dat een aangifte “onmiddellijk” bekend wordt via informanten. Eiser heeft daarmee niet alleen gezegd dat hij de autoriteiten niet vertrouwt, maar ook uitgelegd waarom het zetten van die stap volgens hem juist tot een groter en direct gevaar kan leiden. Verweerder had moeten uitleggen waarom in dit specifieke geval toch van effectieve en toegankelijke bescherming kan worden uitgegaan. Ook had verweerder moeten motiveren waarom het, ondanks het door eiser gestelde escalatierisico, redelijk zou zijn om van eiser te verlangen dat hij die stap alsnog zet. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat ten aanzien van Polen van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat geen van de situaties als genoemd in sub a tot en met d genoemde omstandigheden van het Protocol zich voordoet. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat de eerder aanhangig gemaakte procedure als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het VEU in mei 2024 is gesloten. 5.2. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming van de (hogere) Poolse autoriteiten kan krijgen tegen de criminele organisatie. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan worden uitgegaan dat de rechtsgang in Polen conform internationale en Europese wet- en regelgeving verloopt en eiser is er niet in geslaagd dat te weerleggen. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat het feit dat eiser van onbekende criminelen heeft gehoord dat zij over informanten beschikken en vermoedelijk kunnen achterhalen dat hij aangifte zou hebben gedaan, niet betekent dat de Poolse autoriteiten hem of zijn gezinsleden geen bescherming kunnen bieden wanneer dit noodzakelijk blijkt te zijn. Eiser heeft enkel aangegeven dat hij niet om bescherming heeft gevraagd in Polen, omdat hij het Poolse veiligheidsapparaat niet vertrouwd. Eiser heeft dit niet onderbouwd en ook niet waarom hij geen bescherming kon vragen. Niet is gebleken dat eiser geen mogelijkheid had om bescherming te vragen. Eiser heeft nooit geprobeerd om bescherming te vragen. Daarmee is niet aangetoond dat hij geen bescherming zou kunnen krijgen. Het enkele feit dat hij in Polen vervolging vreest door een criminele organisatie vanwege een openstaande schuld is geen reden voor asiel in Nederland. Verweerder heeft hiermee ook de persoonlijke omstandigheden betrokken in de besluitvorming. 5.3. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Polen niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Nederland de asielaanvraag inhoudelijk zou moeten behandelen. 6. Verder heeft eiser aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde verwijzing naar de intrekking van zijn EU-verblijfsrecht in 2019 en de rechtsgevolgen daarvan. Nu verweerder dit (gestelde) besluit en de relevante vaststellingen en grondslag daarvan niet kenbaar bij het asielbesluit heeft gevoegd of besproken, is de motivering op dit punt volgens eiser onvoldoende controleerbaar. Ook is het onderzoek onvoldoende zorgvuldig, omdat verweerder een zwaar gevolg (onmiddellijke vertrekplicht) heeft aangenomen zonder dat duidelijk is waarop dit precies is gebaseerd. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat deze grond geen hout snijdt. Verweerder heeft op zitting erop gewezen dat het besluit met betrekking tot de intrekking van het verblijfsrecht zich in het digitale dossier bevindt. Ook zit in het dossier de akte van uitreiking. Hieruit blijkt dat eiser het besluit in persoon heeft ontvangen en aan hem is uitgelegd wat het besluit inhoudt. Conclusie en gevolgen 7. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.24845: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.24846: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Verdrag betreffende de Europese Unie.