ECLI:NL:RBDHA:2026:20540
Rechtbank Den Haag · 2026-07-21 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Jordanië, opvolgende asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, arrest L.H., beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.30104 (beroep) NL26.30105 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1996, van Jordaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser), (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot). Inleiding 1. Eiser heeft op 6 mei 2026 een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 1.1. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 mei 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. 1.3. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de zaken op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en meneer H. Barzizaoua als tolk in de Arabische taal. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank behandelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser heeft in 2016 voor het eerst asiel aangevraagd. Deze aanvraag is in 2017 ingewilligd. Op 14 juni 2023 is de aan eiser verleende vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot de ingangsdatum van de vergunning. Eiser heeft namelijk bij deze asielaanvraag de verkeerde nationaliteit opgegeven en een paspoort overgelegd wat niet van hem was. Tegen het intrekkingsbesluit heeft eiser destijds beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft dit beroep op 10 maart 2025 ongegrond verklaard. 4.1. Aan de huidige, opvolgende asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Jordanië vreest voor zijn familie omdat hij atheïst is geworden. Ter onderbouwing van de huidige aanvraag heeft eiser een kopie van zijn Jordaanse paspoort, een kopie van zijn verblijfsvergunning van de Verenigde Arabische Emiraten en een kopie van een UNWRA familieregistratie document overgelegd. Besluitvorming 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd en verklaart de aanvraag daarom niet-ontvankelijk. 5.1. Eiser heeft zich in 2016 aangemeld met een Syrische nationaliteit en identiteit. Met het besluit van 14 juni 2023 is echter geconcludeerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet langer geloofwaardig zijn. Eiser heeft namelijk ten overstaande van de politie verklaard dat hij eigenlijk de Jordaanse nationaliteit heeft en heeft ook een kopie van zijn Jordaanse paspoort overgelegd. 5.2. In hetgeen eiser heeft verklaard en overgelegd ten behoeve van zijn huidige aanvraag ziet verweerder geen nieuwe feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden dan in het eerder genomen intrekkingsbesluit. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst zijn nog steeds ongeloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief namelijk niet onderbouwd met authentiek bevonden documenten en heeft ook geen pogingen gedaan om deze te verkrijgen. Met de door eiser overgelegde stukken heeft hij, nu dit enkel kopieën, zijn het asielmotief niet kunnen onderbouwen. Daarnaast is eiser in grote lijnen niet geloofwaardig door alle gebeurtenissen, gedragingen en verklaringen vanaf dat eiser in 2016 Nederland is in gereisd. Dat eiser nu stelt te vrezen voor zijn ouders heeft hij niet eerder naar voren gebracht en is in zoverre nieuw, maar verweerder acht dit voor de huidige aanvraag irrelevant. De gestelde vrees kan namelijk niet worden beoordeeld omdat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet vaststaan. Aan eiser is op 14 juni 2023 al een terugkeerbesluit uitgevaardigd, dit terugkeerbesluit naar Jordanië is nog steeds geldig. Standpunt eiser 6. Eiser betoogt – samengevat – dat zijn opvolgende asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Anders dan verweerder stelt, heeft eiser wel nieuwe elementen aangedragen die relevant zijn voor de huidige asielaanvraag. Eiser heeft opnieuw asiel aangevraagd omdat hij atheïst is geworden, dit asielmotief is ten onrechte niet getoetst. Vanwege dit asielmotief is het volgens eiser voor hem zeer onveilig om terug te gaan naar Jordanië. Ook vreest eiser bij terugkeer naar dit land dat hij daar een reëel risico zal lopen als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de documenten die eiser heeft overgelegd als niet relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft kunnen beschouwen. 7.1. Gelet op de inhoud van het arrest L.H. tegen Nederland heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de overgelegde documenten niet aangemerkt als nieuwe relevante elementen of bevindingen. De in deze opvolgende aanvraag door eiser overgelegde stukken zijn immers niet in zijn eerdere asielaanvraag voorgelegd en dus ook niet onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en kon daarop ook niet worden gebaseerd. Bovendien zijn documenten die zien op de identiteit, nationaliteit en herkomst naar het oordeel van de rechtbank relevant. Verweerder had daarom de in deze procedure ingebrachte documenten moeten onderzoeken. Uit voornoemd arrest volgt bovendien ook dat het niet verenigbaar is met het Unierecht dat documenten in opvolgende asielaanvragen geacht worden geen ‘nieuwe elementen of bevindingen’ op te leveren als de authenticiteit daarvan niet vaststaat. Verweerder heeft daarom niet kunnen volstaan met de conclusie dat de overgelegde documenten kopieën zijn en dat eiser geen pogingen heeft ondernomen om authentieke documenten te verkrijgen. 7.2. Daar komt bij dat de overgelegde kopieën wellicht door Bureau Documenten niet op echtheid kunnen worden getoetst, echter navraag of verificatie van de authenticiteit van de overgelegde documenten kan ook op andere wijze plaatsvinden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 oordeelt de rechtbank dat niet op voorhand al kan worden aangenomen dat het in dit geval redelijkerwijs onmogelijk, onevenredig bezwarend of onuitvoerbaar is dat verweerder de authenticiteit van de documenten op andere manieren kan verifiëren. In het bijzonder wijst de Afdeling daarbij op de mogelijkheid om (eventueel via de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging ter plaatse) een vertrouwenspersoon in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank mag van verweerder in het kader van zijn samenwerkingsverplichting verwacht worden dat hij bijvoorbeeld navraag doet bij de Jordaanse ambassade in Nederland of zoals hiervoor genoemd door inschakeling van een vertrouwenspersoon. 7.3. De rechtbank is van oordeel dat wanneer na onderzoek door verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst zoals door eiser opgegeven komen vast komen te staan, verweerder de aanvraag inhoudelijk zal moeten beoordelen. Voor dat geval is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte niet is gehoord over zijn persoonlijke omstandigheden en de gestelde vrees bij terugkeer naar Jordanië. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij atheïst is geworden. Verweerder heeft hierover geen vragen gesteld. Dat had verweerder wel moeten doen, nu de asielprocedure bij uitstek bedoeld is om gehoord te worden over de vrees bij terugkeer, ook in het licht van het terugkeerbesluit. Dit geldt temeer nu uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de hoorplicht bij het opleggen van een terugkeerbesluit niet zo ver strekt dat een vreemdeling apart over het terugkeerbesluit moet worden gehoord als hij al eerder de gelegenheid heeft gekregen om kenbaar te maken waarom hij niet zou kunnen terugkeren. 7.4. Tot slot zal verweerder voor dat geval ook het risico van eiser bij terugkeer naar Jordanië op refoulement moeten beoordelen. 7.5. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat verweerder opnieuw een besluit moet nemen en daarbij alle door eiser overgelegde documenten kenbaar moet betrekken alsmede hetgeen hiervoor door de rechtbank is overwogen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 9. Nu reeds op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.30104: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.30105: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank, in beide zaken: - veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vreemdelingenwet (Vw), geldend tot 12 juni 2026. Zaaknummer NL23.20287. United Nations Reliefs and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2022:208. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.