← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20508

Rechtbank Den Haag · 2026-07-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.28686
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
8.879 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin België, terugkeer als alleenstaande, niet-kwetsbare man, opvolgende asielverzoeker, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 20 Opvangrichtlijn, beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28686 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. E.N. Hanks-Spijkerman). Procesverloop Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen als tolk [tolk] . Overwegingen 1. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2002. Eiser heeft op 11 februari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit Eurodac blijkt dat eiser op 31 januari 2025 een asielaanvraag in België heeft ingediend. Verweerder heeft op 6 maart 2026 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef onder d, van de Dublinverordening. België heeft dit verzoek op 10 maart 2026 aanvaard. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt daartoe als volgt. Ten aanzien van België kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Verweerder heeft ten onrechte vastgesteld dat België de verantwoordelijke lidstaat is. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat België het Unierecht niet naleeft en dat hiertegen geen effectief rechtsmiddel bestaat. Voorts volgt uit de brief van de van de Belgische autoriteiten van 5 februari 2026 niet dat de garantie bestaat op een opvangplaats. De cijfers in de brief worden niet onderbouwd en hadden, mede gelet op de eerdere vaststelling door de Afdeling dat de autoriteiten van België onverschillig zijn, niet aan het besluit ten grondslag gelegd mogen worden. Uit de brief volgt volgens eiser verder dat de opvangcapaciteit nog niet conform de eerdere toezegging van de Belgische autoriteiten is uitgebreid. Verder blijkt uit de brief op geen enkele wijze dat de Belgische autoriteiten zich anders of meer hebben ingespannen ten opzichte van de uitspraak van de Afdeling. Een dalende instroom is nog geen inspanning, er worden dan ook geen structurele oplossingen geïmplementeerd ten aanzien van de opvang. Eiser zal naar België moeten terugkeren om aldaar een opvolgende asielaanvraag in te dienen, de verwachting is dat het recht op opvang in België wordt afgewezen en de asielaanvraag van eiser wordt afgedaan met een algemene beslissing. Nu de Afdeling heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel, kan de motivering van verweerder niet op dat dit niet langer nodig is omdat de Belgische autoriteiten stellen dat er geen problemen meer zijn in de opvang. 4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van België weer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is geen informatie dat België zich in de situatie van eiser niet aan de internationale regels houdt. Daarbij heeft verweerder nog verwezen naar de brief van Fedasil en is ingegaan op de huidige opvangsituatie in België. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de (opvolgende) asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser na overdracht aan België zal terugkeren als alleenstaande, niet-kwetsbare man. 6. Het uitgangspunt is dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. De Afdeling is bij uitspraak van 23 juli 2025 zoverre teruggekomen van haar eerdere oordeel in de uitspraak van 13 maart 2024. Volgens de Afdeling kan voor alleenstaande, niet-kwetsbare mannen niet langer uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De Afdeling heeft daarbij betekenis toegekend aan de langdurige opvangproblemen in België en de omstandigheid dat voor deze groep geen effectief rechtsmiddel beschikbaar was. 7. De rechtbank acht van belang dat eiser terugkeert naar België als opvolgende aanvrager en dat hij daar reeds twee asielprocedures heeft doorlopen zonder dat dit heeft geleid tot verlening van een asielvergunning. 8. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 13 maart 2024 geoordeeld dat het tijdelijk onthouden van de materiële opvangvoorzieningen aan opvolgende aanvragers door de Belgische autoriteiten, voordat op de ontvankelijkheid van de aanvraag is beslist, onvoldoende is om aan te nemen dat zij daardoor in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht te komen, zoals bedoeld in het arrest Jawo. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat deze beperking in lijn is met de Opvangrichtlijn en dat tegen een weigering van opvang rechtsmiddelen open staan. Deze beoordeling is gebaseerd op de toen beschikbare landeninformatie. Uit het rapport van AIDA van 24 juni 2025 volgt dat de Belgische autoriteiten geen opvang verlenen aan asielverzoekers die een opvolgende aanvraag indienen, totdat is beslist op de asielaanvraag ontvankelijk is. Het rapport beschrijft dat de mogelijkheid bestaat voor opvolgende aanvragers om over de toegang tot opvang te klagen bij de Belgische autoriteiten en dat procedures bij de bevoegde instanties ertoe hebben geleid dat betrokkenen alsnog opvang hebben gekregen. Daarnaast volgt uit het AIDA-rapport dat de situatie van Dublinclaimanten die terugkeren als opvolgende aanvrager naar België verschilt van de opvangproblematiek voor alleenstaande, niet-kwetsbare mannen die een eerste asielverzoek indienen. 9. De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat opvolgende aanvragers structureel van opvang zijn uitgesloten of dat zij geen mogelijkheid om tegen een weigering van opvang op te komen. De rechtbank ziet in de informatie van de Belgische autoriteiten uit de brief van 5 februari 2026 over de actuele opvangsituatie voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers geen aanleiding voor een ander oordeel. De brief biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat opvolgende asielaanvragers structureel geen toegang hebben tot opvang. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de tekortkomingen die de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 aanleiding hebben gegeven om ten aanzien van België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan, zich ook voordoen in de situatie van eiser als opvolgende asielaanvrager. 10. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) Nr. 604/2013. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:3305. Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers. ECLI:NL:RVS:2024:896. ECLI:NL:RVS:2024:1050. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (C- 163/17:ECLI:EU:C:2019:218. Dit betreft het rapport van 21 april 2023: Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Belgium (2022 update)’. Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Belgium (2024 update)’. Pagina 125 van het AIDA-rapport van juni 2025. Pagina 126 van het AIDA-rapport van juni 2025. Pagina 128 van het AIDA-rapport van juni 2025. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4169.