← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20427

Rechtbank Den Haag · 2026-07-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.8891
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
13.863 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Eiser heeft geen documenten. Eiser is gepresenteerd bij de Libische vertegenwoordiging en zijn nationaliteit is niet bevestigd. Ook kan eiser geen gedetailleerde antwoorden geven bij het herkomstonderzoek en heeft hij in Zwitserland en Italië een andere naam en geboortedatum opgegeven. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst terecht niet geloofwaardig geacht. De minister hoefde daarom geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas uit te voeren.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8891 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en het opgelegde inreisverbod van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Hierbij heeft de minister ook een inreisverbod opgelegd van tien jaar. Op dezelfde datum is aanvullend een besluit tot signalering uitgevaardigd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Libië vreest voor milities. Eiser heeft problemen met de Krauwda militie en is eerder door hen ontvoerd voor vier maanden. Zijn broer en neef zijn door deze militie gedood. Vervolgens heeft eiser hun huis laten ontploffen met een raketwerper. Eiser vreest daarom bij terugkeer door de Krauwda militie vermoord te worden. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen met de milities. 4.1. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig en heeft daarom het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser heeft verklaard dat hij uit Libië komt, maar geen enkel identificerend document overgelegd. Verder is eiser bij een presentatie aan het consulaat van Libië niet erkend als Libiër, is tijdens een taalindicatie gebleken dat hij het Libische dialect niet beheerst en heeft hij tijdens het herkomstonderzoek alleen algemene en veelvoorkomende locaties genoemd. De minister rekent eiser aan dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt en dit blijft aanhouden in zijn asielaanvraag. Zo heeft eiser in Zwitserland en Italië gezegd dat hij uit Marokko komt en een andere naam en geboortedatum opgegeven. In beide landen heeft eiser opgegeven dat hij [naam 2] is, geboren op [geboortedatum 2] of [geboortedatum 3]. Volgens de minister wekt het gebruik van andere aliassen de indruk dat eiser niet is wie hij stelt te zijn. In Nederland stelt hij namelijk [naam] geboren op [geboortedatum] met de Libische nationaliteit te zijn. 4.2. Daarnaast is eiser in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar voor poging tot doodslag. Vanwege het gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid dat eiser vormt, wijst de minister eisers asielaanvraag af als kennelijk ongegrond en wordt aan hem een inreisverbod opgelegd van tien jaar. Ook is een besluit tot signalering genomen. Wat vindt eiser? 5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig acht. Eiser vindt dat hij een geloofwaardige verklaring heeft gegeven voor de ontbrekende documenten. Hij heeft de documenten namelijk vanwege onmiddellijke en ernstige veiligheidsoverwegingen in Libië weg moeten doen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat uit het verslag van de presentatie bij een (diplomatieke) vertegenwoordiging niet blijkt dat is uitgesloten dat eiser de Libische nationaliteit bezit. In het verslag staat namelijk alleen dat de nationaliteit niet is vastgesteld. De gemachtigde benadrukt dat er twee regeringen in Libië actief zijn, waardoor de erkenning van eiser als Libische staatsburger afhankelijk kan zijn van het consulaat waar hij is gepresenteerd. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de taalindicatie, waaruit zou blijken dat eiser de Libische taal niet spreekt, overgelegd had moeten worden. Vanwege zijn uitgebreide en gedetailleerde relaas die past bij de huidige situatie in Libië, had zijn asielrelaas volgens eiser inhoudelijk beoordeeld moeten worden. Identiteit, nationaliteit en herkomst Inzage taalindicatie 6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet met een Libisch dialect spreekt, omdat dit volgt uit een afgenomen taalindicatie. Deze taalindicatie is een intern document en wordt niet aan eiser verstrekt. De minister wil namelijk niet prijsgeven hoe op bepaalde onderdelen wordt getoetst. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de taalindicatie niet aan eiser is verstrekt. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van de minister dat zij niet alle informatie wil prijsgeven, maar het kan niet zo zijn dat eiser niet weet waartegen hij zich moet verdedigen. Hoewel de conclusie van de taalindicatie is opgenomen in de besluitvorming, is geen afschrift van deze conclusie verstrekt. Voor zover de taalindicatie al als een deskundigenadvies kan worden aangemerkt, is het dus in dit geval voor de rechtbank - en eiser - niet na te gaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daar komt bij dat de minister op de zitting niet heeft kunnen toelichten waarom de uitkomsten van een taalanalyse wel schriftelijk worden verstrekt, maar dit voor een taalindicatie niet het geval is. Dit betekent dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. 6.2. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. De rechtbank legt dat hierna uit. Documenten (artikel 31, zesde lid, onder b, Vw) 7. De bewijslast voor het aannemelijk maken van de identiteit, nationaliteit en herkomst ligt in eerste instantie bij eiser. Hoewel eiser al sinds 2020 in Nederland verblijft, heeft hij geen documenten overlegd. De minister heeft terecht gesteld dat in redelijkheid van hem verwacht mag worden dat hij in staat is geweest om de benodigde documenten te verstrekken. Eiser verklaart echter dat hij niet heeft geprobeerd deze documenten aan te vragen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn documenten. Zo zegt eiser eerst dat hij de documenten in zee heeft gegooid , maar verklaart hij later dat hij vanwege zijn problemen in Libië geen documenten heeft gehad. Tegen deze achtergrond hoefde de minister niet mee te gaan in eisers stelling dat hij de documenten vanwege onmiddellijke en ernstige veiligheidsoverwegingen in Libië weg moest doen. De verklaringen van eiser (artikel 31, zesde lid, onder c, Vw) 8. De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser bij de Libische vertegenwoordiging fysiek is gepresenteerd en zijn nationaliteit niet is bevestigd. De minister heeft in beroep het verslag van de presentatie bij de Libische vertegenwoordiging overgelegd. Uit het verslag volgt dat de vertegenwoordiger de nationaliteit van eiser niet heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt dat er geen aanwijzingen zijn dat de inhoud van het verslag van de presentatie bij de (diplomatieke) vertegenwoordiging onjuist is. Eiser heeft namelijk alleen gesteld dat onduidelijk is aan welke Libische regering eiser is gepresenteerd en dat geen of onvoldoende onderzoek in Libië is gedaan door de Libische vertegenwoordiging, maar dit niet onderbouwd. 8.1. Daarnaast heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat hij verkeerde antwoorden heeft gegeven op vragen over zijn herkomst zodra de vragen gedetailleerder werden. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister toegevoegd dat eiser de naam van een ziekenhuis en universiteit in zijn woonplaats niet juist heeft benoemd. De rechtbank neemt dit niet mee in haar beoordeling, omdat dit in strijd is met de goede procesorde. Doordat de minister dit pas op de zitting naar voren heeft gebracht, is eiser namelijk belemmert om hier adequaat op te reageren. 8.2. Desondanks hoefde de minister naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie te komen over de herkomst van eiser. Op de minister rust de plicht om te motiveren waarom de resultaten van het herkomstonderzoek niet bijdragen aan de onderbouwing van de herkomst van eiser. Dit heeft de minister gedaan door aan te geven dat de meeste herkenningspunten die eiser noemt niet te verifiëren zijn. Bovendien kan eiser algemene dingen benoemen, maar geen specifieke kenmerken. Hierbij wijst de minister er terecht op dat eiser de snelweg van Tripoli naar Misratah niet juist heeft benoemd. 8.3. Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser in Zwitserland en Italië een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven. Bovendien heeft hij daar aangegeven dat hij uit Marokko komt. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door eiser in Nederland afgelegde verklaringen die daarmee niet overeenkomen. (Deel) conclusie 9. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen in stand laat. Geen inhoudelijke beoordeling asielrelaas 10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn asielrelaas niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit had wel gemoeten vanwege zijn uitgebreide en gedetailleerde relaas. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat uit de Vreemdelingencirculaire blijkt dat de minister per asielmotief de geloofwaardigheid van het relaas moet beoordelen. 10.1. De beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter heeft een asielmotief slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. De minister hoefde dus geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas uit te voeren. Dit betekent dat de minister de geloofwaardigheid van het relaas ook niet per asielmotief had hoeven beoordelen. Inreisverbod 11. Eiser is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag. Omdat eiser een ernstige bedreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid vormt, is hem door de minister een inreisverbod van tien jaar opgelegd. 11.1. Eiser voert aan dat hij veel spijt heeft van wat hij gedaan heeft. Volgens eiser vormt hij vanwege een behandeling bij een psychiatrische kliniek geen actuele bedreiging meer voor de openbare orde en nationale veiligheid. Om die reden is het inreisverbod van tien jaar ten onrechte opgelegd. 11.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser een inreisverbod van tien jaar wordt opgelegd. Eiser is veroordeeld voor een zeer ernstig geweldsdelict. Hierbij betrekt de minister terecht dat de enkele verklaring van eiser dat hij spijt heeft, onvoldoende is om niet meer uit te gaan van een actuele bedreiging voor de openbare orde en nationale veiligheid. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Gelet op het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten. Omdat het beroep gegrond is heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Nader gehoor, p. 4. Aanmeldgehoor, p. 4. Nader gehoor, p. 4. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw en artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000. WI 2022/12. Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht.