ECLI:NL:RBDHA:2026:20280
Rechtbank Den Haag · 2026-07-21 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
bewaring, eerste beroep, 59a Vw, intrekking beroep, artikel 94 Vw, gronden maatregel niet betwist, geen lichter middel, voldoende voortvarend en zicht op overdracht, refoulementbeoordeling, beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.38383 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. A.D. Kupelian), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. Ȍ. Sari). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw . De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 9 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door het overleggen van een afstandsverklaring afgezien van het recht om ter zitting te worden gehoord. Ook eisers gemachtigde is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Intrekking beroep 3. Bij bericht van 15 juli 2026 heeft eisers gemachtigde het beroep ingetrokken, omdat eiser zal meewerken aan zijn overdracht en hij daarom geen aanleiding ziet om het beroep nog te handhaven. De rechtbank heeft de intrekking van het beroep direct bevestigd en aangegeven dat de zitting van 17 juli 2026 geen doorgang zal vinden. Op 16 juli 2026 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat, in tegenstelling tot eerdere berichtgeving, het beroep toch op zitting zal worden behandeld. In reactie hierop heeft eisers gemachtigde aangegeven dat het beroep is ingetrokken en dat hij en eiser niet op de zitting zullen verschijnen. 3.1. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59a van de Vw de rechtbank hiervan in kennis stelt. Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw. Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank namelijk onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na uiterlijk 21 dagen. De rechtbank oordeelt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte. Toetsingskader 4. De minister kan de vreemdeling op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring 5. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en er een onderduikrisico bestaat. 5.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Voortraject 6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 7. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Zo heeft Nederland op 30 april 2026 een claimverzoek ingediend bij de autoriteiten van Zwitserland. Op 6 mei 2026 zijn de Zwitserse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Gronden 8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een onderduikrisico bestaat. Lichter middel 9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Door de minister is eiser erop gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in het detentiecentrum niet voldoet. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid en zicht op overdracht 10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Refoulementbeoordeling 11. In de uitspraak van 12 februari 2026 gaat de Afdeling in op de gevolgen van het Adrar-arrest voor de minister en de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit die uitspraak volgt dat de minister voordat de bewaringsmaatregel wordt opgelegd, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting verzet. Tijdens het gehoor moeten de vreemdeling daarom vragen worden gesteld hierover en het resultaat van het onderzoek en de voorbereiding moeten in de motivering van de maatregel worden vastgesteld. Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat als er nog geen overdrachtsbesluit is genomen dat de minister dan geen refoulementbeoordeling hoeft te maken. 11.1. De rechtbank stelt vast dat de minister op 12 mei 2026 een overdrachtsbesluit heeft genomen. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling desgevraagd verklaard dat hij niet vreest voor vervolging of andere onmenselijke of vernederende behandeling waartegen de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen beschermen. Ook heeft eiser verklaard dat het beter is als hij naar Zwitserland gaat. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat bestond, omdat uit aanknopingspunten is gebleken dat eiser kan worden overgedragen op grond van de AMBV. Met deze overweging in samenhang met de hiervoor weergegeven verklaringen van eiser, heeft de minister voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement moet worden afgezien van de overdracht van eiser. Dat de minister in het bestreden besluit niet expliciet heeft verwezen naar het beginsel van non-refoulement, doet daar niet aan af. Conclusie en gevolgen 12. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in vreemdelingenbewaring zit. 13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Asiel- en migratiebeheerverordening. Zie artikel 44 van de AMBV, artikel 59a, eerste lid, van de Vw en artikel 5.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMBV en artikel 59c, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c, tweede lid, van de Vw. ECLI:NL:RVS:2026:329. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:NL:RVS:2026:3387. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1647. Zie het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.