← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20260

Rechtbank Den Haag · 2026-07-20 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.28737
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
20.866 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Somalië, Al Shabaab, geloofwaardigheid, zwaarwegendheid, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28737 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. D.W. Beemers), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De door de minister gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling is niet in strijd met het Unierecht. De rechtbank oordeelt dat de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig heeft mogen achten. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat hij bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser was in Somalië werkzaam voor een bedrijf dat werkzaamheden verricht voor de Somalische overheid, namelijk voor de inlichtingendienst. Al Shabaab is erachter gekomen dat eiser voor de overheid werkte. Eiser is toen bij zijn huis opgewacht door twee mannen van Al Shabaab. Eiser is daarop gevlucht, waarop een van de mannen achter hem aan is gegaan en probeerde op eiser te schieten. Het pistool weigerde, waardoor eiser wist te ontkomen. Eiser heeft daarna een maand ondergedoken gezeten in zijn eigen huis, waarna hij Somalië heeft verlaten en naar Kenia is gevlucht. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. de problemen met Al Shabaab. 4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser met Al Shabaab heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet alsnog geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Het is niet duidelijk dat Al Shabaab achter de aanslag zit. Eiser heeft bovendien niet gehandeld conform de door hem gestelde angst. Eiser heeft verder geen blijk gegeven van het feit dat hij internationale bescherming nodig heeft, omdat hij niet in het eerste veilige land in de Europese Unie asiel heeft aangevraagd. Voorts stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht? 5. Eiser betoogt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid die de minister hanteert in strijd is met internationale regelgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. 5.1. De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste en in Werkinstructie 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 25 juni 2025 en van 8 september 2025. Heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten? 6. Eiser betoogt dat de minister zijn problemen met Al Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. 6.1. Niet in geschil is dat dit asielmotief door eiser niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd, zodat de minister heeft beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daar geen goede verklaring voor. Het is niet duidelijk dat Al Shabaab achter de gestelde aanslag zit 6.2. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Al Shabaab achter de aanslag zit. Eiser heeft uitgebreid verklaard, waaruit volgt dat Al Shabaab achter de aanslag op hem zit. Deze verklaringen heeft de minister ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld. Het enkele feit dat Al Shabaab niet bij eiser is binnengevallen toen hij nog in Somalië verbleef maakt niet dat eiser niet in de negatieve belangstelling van Al Shabaab staat. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de minister dat Al Shabaab geen navraag heeft gedaan bij het ouderlijk huis van eiser of interesse heeft getoond. Dit maakt niet dat eiser niet te vrezen heeft voor Al Shabaab. Hierbij is van belang dat Al Shabaab niet aan de macht is in Mogadishu, waardoor ze niet openlijk naar eiser zullen vragen. Wel heeft Al Shabaab een groot netwerk van informanten. Hierdoor heeft Al Shabaab de mogelijkheid om eiser opnieuw te vinden. Dit heeft de minister ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld, maar eiser is alleen tegengeworpen dat er een tegenstrijdigheid is. Hoewel niet in geschil is dat eiser werkzaam was voor de Somalische overheid, stelt de minister dat de kans dat Al Shabaab dit opmerkt, klein is. Vervolgens stelt de minister dat dit op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat Al Shabaab op zoek is naar eiser en hem gevonden heeft vanwege zijn werkzaamheden voor de Somalische overheid. Eiser betoogt dat deze redenering niet inzichtelijk is gemaakt door de minister. 6.3. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Het voorgaande in aanmerking nemend, stelt de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Al Shabaab achter de aanslag zit. Uit het asielrelaas van eiser blijkt het vermoeden dat Al Shabaab achter de aanslag zit. Concreet weet eiser niet wie de aanslag heeft gepleegd. Eiser heeft nimmer een bedreiging van Al Shabaab ontvangen, de twee mannen die achter de aanslag zaten hebben zich, al dan niet begrijpelijk, niet geïdentificeerd. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over hoe Al Shabaab hem gevonden kan hebben. In de brief bij de zienswijze vermeldt eiser dat Al Shabaab wist waar hij eiser zich bevindt door hun grote netwerk van informanten. In het aanvullend gehoor heeft eiser gezegd dat niemand wist dat hij thuis was. Wanneer eiser dusdanig belangrijk was geweest voor Al Shabaab had het in de lijn der verwachting gelegen dat zij, na de mislukte aanslag, alsnog een poging hadden gedaan om eiser te doden of te ontvoeren. Verder heeft de minister terecht gesteld dat het enkele feit dat bekend is dat Al Shabaab het heeft gemunt op medewerkers van de overheid, niet betekent dat Al Shabaab het ook op eiser heeft gemunt. Eiser heeft voor een zeer korte periode voor de overheid gewerkt. Dit maakt de kans dat dit is opgemerkt door Al Shabaab klein. Tot slot heeft de minister terecht gesteld dat na het vertrek van eiser geen kenbare interesse in hem is getoond door Al Shabaab. Eiser handelt niet conform de door hem gestelde angst 6.4. Eiser stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft gehandeld conform de door hem gestelde angst. Eiser heeft met zijn ouders een risico-afweging gemaakt en vervolgens een keuze gemaakt over de manier van handelen. Eiser heeft er om die reden voor gekozen om onder te duiken in zijn ouderlijk huis. Hier heeft eiser in de gehoren en in de begeleidende brief bij de zienswijze een duidelijke toelichting over gegeven. De minister heeft niet gemotiveerd welke optie eiser had die ‘veel veiliger’ was en die ‘binnen handbereik’ lag. De minister werpt eiser ten onrechte tegen dat hij ook bij zijn broer had kunnen verblijven en dan ook veilig het land had kunnen verlaten. Dit heeft de minister niet verder gemotiveerd. Hierbij miskent de minister dat wanneer een aanslag wordt gepleegd door Al Shabaab, je niet ‘opeens’ de dag erna kan vluchten. Na de aanslag was eiser in shock. De minister werpt eiser ten onrechte tegen dat hij na de aanslag nog naar een restaurant is gegaan. Eiser is op de dag van de aanslag naar een restaurant gegaan om vanuit daar zijn moeder te bellen. Toen het donker was is eiser pas weer naar huis gegaan, zodat niemand hem kon zien. Vervolgens gaat de minister er ook ten onrechte vanuit dat eiser in de periode na de aanslag nog ’s avonds nog heeft afgesproken met vrienden in een restaurant. Ook trekt de minister geen duidelijke conclusie ten aanzien van de mogelijkheid dat eiser bescherming kon inroepen bij een clan, waardoor eiser ervan uitgaat dat dit niet langer aan hem wordt tegengeworpen. 6.5. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser niet heeft gehandeld conform de door hem gestelde angst. Eiser heeft een maand ondergedoken gezeten in zijn eigen woning, terwijl die woning bekend was bij de aanslagplegers. Dit geeft geen blijk van uiting van gevaar voor eigen leven. Eiser heeft inconsistent verklaard over zijn keuze om onder te duiken in zijn eigen huis. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij heeft nagedacht over een plek en dat het gebrek aan een alternatieve plek niet kwam omdat eiser in shock was. Eiser betoogt in het nader gehoor dat Al Shabaab je niet aanvalt in je eigen huis in Mogadishu, omdat de overheid daar zit. In het aanvullend gehoor betoogt eiser vervolgens dat de overheid niet in zijn voormalige buurt aanwezig was. In het nader gehoor verklaart eiser vervolgens dat Al Shabaab alleen binnenvalt in huizen in gebieden waarin ze de controle hebben. Daarna verklaart eiser dat de kans dat ze je aanvallen in je eigen huis heel klein is. Uit deze verklaringen van eiser blijkt dat toch een kans bestaat dat Al Shabaab je in je eigen huis aanvalt. Eiser had kunnen onderduiken in het huis van zijn broer. Dit was een logisch alternatief. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij als gevolg van de keuze om in zijn ouderlijk huis te verblijven, veilig het land heeft kunnen verlaten. Dit had mogelijk ook het geval kunnen zijn wanneer eiser ervoor had gekozen om bij zijn broer te verblijven, waardoor de kans dat hij gevonden werd kleiner was en hij ook minder angst had hoeven hebben. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat bekend is dat soms bemiddeling mogelijk is door een clanoudste die contacten heeft met Al Shabaab. Wanneer dit in het geval van eiser niet mogelijk is kunnen zijn vrienden en bekenden hem alsnog helpen. Uit het relaas van eiser blijkt dat hij zijn vrienden ’s avonds heeft opgezocht in een restaurant. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zijn vrienden hebben aangegeven hem niet te willen helpen. Tot slot heeft de minister bij zijn standpunt mogen betrekken dat eiser wisselend heeft verklaard over waarom hij ’s avonds naar een restaurant is gegaan. Geen blijk van bescherming door niet in het eerste veilige land in de Europese Unie asiel aan te vragen 6.6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het feit dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Zwitserland ‘sterk afbreuk doet aan de noodzaak tot bescherming’. De enkele stelling van de minister dat eiser heeft gewacht met het verkrijgen van bescherming, wat afbreuk zou doen aan de noodzaak tot bescherming, volgt eiser niet. Eiser heeft wel degelijk om bescherming verzocht, alleen niet in Zwitserland maar in Nederland, waar zijn verzoek om bescherming in behandeling is genomen. 6.7. Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat eiser geen bescherming heeft aangevraagd in Zwitserland afbreuk aan de gestelde noodzaak tot bescherming. Het betoog van eiser dat hij hier bij zijn ex-vrouw verbleef en daarna op straat belandde, doet hier niet aan af. Eiser bevond zich in Zwitserland op basis van gezinshereniging, een veilig land. Wanneer eiser bang was om terug te moeten naar Somalië had het op zijn weg gelegen om al in Zwitserland asiel aan te vragen om zo een eigen verblijfsvergunning op asielgronden te kunnen krijgen. Het is niet logisch dat eiser het verkrijgen van veiligheid en bescherming uitstelt om door te reizen naar Nederland. Dat eiser een halfbroer heeft in Nederland maakt dit niet anders. Eiser heeft bovendien in het aanmeldgehoor verklaard dat hij een halfzus heeft in Zwitserland. Asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en geen goede reden daarvoor 6.8. Eiser betoogt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet zo spoedig mogelijk zijn aanvraag heeft ingediend en dat hij zes dagen heeft gewacht met het indienen van zijn asielaanvraag. Eiser rekende erop dat hij hulp zou krijgen van zijn halfbroer bij het indienen van zijn asielaanvraag. Dit bleek niet het geval te zijn. Hierdoor moest eiser zelf uitzoeken hoe hij asiel moest aanvragen. Iemand van de moskee vertelde eiser dat hij naar Ter Apel moest, wat hij toen meteen heeft gedaan. Hij heeft om die reden wel zo spoedig mogelijk zijn asielaanvraag ingediend. 6.9. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser zich niet onmiddellijk bij binnenkomst in Nederland heeft gemeld voor een asielaanvraag. Hier heeft eiser geen verschoonbare reden voor gegeven. Eiser heeft de keuze gemaakt om geen asiel aan te vragen in Zwitserland, maar om dit in Nederland te doen. Eiser is hoogopgeleid en is in een situatie van veiligheid in Zwitserland tot het besluit gekomen om naar Nederland te reizen voor het indienen van een asielaanvraag. Voor het indienen van een asielaanvraag mag dan worden verwacht dat hij zich binnen 48 uur meldt. Dat eiser dit niet heeft gedaan kan daarom aan hem worden tegengeworpen. Conclusie 6.10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn gestelde problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. Heeft de minister het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend mogen achten? 7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielrelaas ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht. Het individuele relaas van eiser dient te worden gezien in de algehele slechte veiligheidssituatie in Mogadishu. Naarmate de algemene veiligheidssituatie in een land of gebied slechter wordt, moet de minister eerder een persoonlijk risico op ernstige schade aannemen. Hierbij wijst eiser op het feit dat hij werkzaam is geweest voor de Somalische overheid, waardoor hij valt onder een groepering die extra risico loopt in Somalië. Eiser valt hierdoor in een door de minister in het beleid genoemd risicoprofiel, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Deze groep is regelmatig doelwit van Al Shabaab. De minister stelt ten onrechte dat hij niet hoeft te motiveren op welke wijze eiser zou kunnen ontkomen aan Al-Shabaab omdat niet geloofwaardig wordt geacht dat hij hun aandacht heeft getrokken. Eiser zal immers bij terugkeer opnieuw doelwit zijn van Al-Shabaab. Bij uitzetting loopt eiser een reëel risico op onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder a, van de Vw 2000 . Eiser valt niet valt onder de definitie van vluchteling als bedoeld in artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag. Het enkele feit dat er een risicoprofiel is opgesteld voor “personen die werken bij, of door Al Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, AMISOM/ATMIS of andere internationale actoren” betekent volgens de minister niet automatisch dat een ieder die onder die groep valt, ook daadwerkelijk een risico loopt en een verblijfsvergunning asiel krijgt. Dit wordt op individuele basis beoordeeld, waarbij de persoonlijke omstandigheden in acht worden genomen. In het geval van eiser is het asielmotief dat eiser problemen heeft met Al Shabaab zoals eerder overwogen terecht niet geloofwaardig geacht. Om die reden hoeft niet te worden gemotiveerd hoe eiser kan ontkomen aan Al Shabaab bij terugkeer naar Somalië, omdat de minister ongeloofwaardig heeft mogen achten dat eiser in de negatieve aandacht van Al Shabaab staat. Bovendien overweegt de rechtbank dat nu eiser uit Mogadishu komt, uit het beleid blijkt dat als eiser zich erop beroept dat hij door Al Shabaab geassocieerd wordt met de overheid/ATMIS/AUSSOM of een andere internationale actoren, hij dit aannemelijk moet maken. Ook moet eiser aannemelijk maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al Shabaab. Hierin is eiser ook niet geslaagd gelet op het voorgaande. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht waardoor hij niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van “ernstige schade”. Voor zover eiser met zijn stelling dat naarmate de algemene veiligheidssituatie in land slechter wordt, de minister eerder een persoonlijk risico op ernstige schade moet aannemen, een beroep heeft willen doen op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, oordeelt de rechtbank als volgt. De minister gaat ten aanzien van Mogadishu in zijn landenbeleid uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent het aan eiser is om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij daardoor een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd nu hij niet heeft toegelicht op basis van welke individuele en persoonlijke omstandigheden hij een verhoogd risico loopt. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vw 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149. Rb Den Haag, zp Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Zoals het luidde tot 12 juni 2026. Zoals het luidde tot 12 juni 2026. Paragaaf C7/30 uit Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zoals die luidde tot 12 juni 2026. Paragaaf C7/30 uit Vc 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026.