ECLI:NL:RBDHA:2026:20254
Rechtbank Den Haag · 2026-07-17 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel; Ecuador; Los Lobos; onvoldoende documenten; terecht ongeloofwaardig; vrees niet aannemelijk; beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.5478 en NL26.16998 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres [eiser] , v-nummer: [nummer 2], eiser eisers, (gemachtigde: mr. S. Thelosen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eisers met bendeleden van Los Lobos namelijk terecht ongeloofwaardig geacht. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vrees van eisers voor de moordenaar van hun (schoon)broer onaannemelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 19 maart 2026 deze aanvragen afgewezen als ongegrond. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.2. De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eisers hebben de Ecuadoraanse nationaliteit. Zij leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers zijn ex-echtgenoten van elkaar. Zij ontvangen al sinds 2014 bedreigingen van Los Lobos. De bedreigingen waren volgens eisers in eerste instantie niet specifiek gericht op hen, maar op de familie van eiser. Sinds hun (schoon)broer is vermoord worden eisers persoonlijk bedreigd, zowel telefonisch als door middel van pamfletten. Op 31 juli 2023 is het huis van eisers overvallen door Los Lobos en zijn er spullen van hen gestolen. Hiervan hebben eisers aangifte gedaan. Eisers hebben vervolgens besloten dat zij samen met hun kinderen Ecuador moesten verlaten. Bij terugkeer naar Ecuador vrezen eisers voor hun leven en dat van hun gezin. Ook vrezen eisers voor de vrijgelaten moordenaar van hun (schoon)broer. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - problemen met bendeleden; - vrees voor de vrijgekomen moordenaar van hun (schoon)broer. 4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig zijn. De problemen van eisers met bendeleden zijn echter niet geloofwaardig. De vrees van eisers voor de vrijgekomen moordenaar van hun (schoon)broer kan volgens de minister niet worden beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister heeft vervolgens beoordeeld of de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers reden geven om aan hen een asielvergunning te verlenen. Dat is volgens de minister niet het geval. Hetzelfde geldt voor hun vrees voor de vrijgekomen moordenaar van hun (schoon)broer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen ongegrond zijn. Zijn de problemen van eisers met bendeleden terecht ongeloofwaardig gevonden? 5. Eisers hebben niet betwist dat zij hun problemen met bendeleden niet volledig hebben onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers onvoldoende documenten hebben overgelegd en daarvoor geen goede verklaring hebben , zij geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun aanvragen te staven en hun verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 5.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers onvoldoende documenten hebben overgelegd en daarvoor geen goede verklaring hebben, zij geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun aanvragen te staven en hun verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen van het asielmotief die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eisers daartegen hebben aangevoerd. Hebben eisers onvoldoende documenten overgelegd zonder goede verklaring, en geen oprechte inspanning geleverd om hun aanvragen te staven? 6. Eisers betogen dat de minister hen ten onrechte tegenwerpt dat zij onvoldoende documenten hebben overgelegd en geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun aanvragen te staven. Op grond van de samenwerkingsplicht had de minister eisers concreet sturing moeten geven in wat van hen verwacht werd. De minister heeft dan ook ten onrechte tegengeworpen dat eisers aan de hand van de informatiefolder over het overleggen van documenten hadden moeten begrijpen dat zij alle originele documenten die zij zouden kunnen bemachtigen hadden moeten laten overkomen uit Ecuador, en niet alleen kopieën. Bovendien heeft de minister volgens eisers niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij zoveel waarde hecht aan de originelen van de documenten waarvan eisers al de kopieën hebben overgelegd, nu de feiten die deze documenten onderbouwen niet door de minister ter discussie zijn gesteld. Daarbij zijn de kopieën die eisers wel hebben overgelegd onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Voor zover de minister hierom een strengere geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt betogen eisers dat de strikte formulering en toepassing van Werkinstructie 2024/6, waarbij een volledige onderbouwing met originele documenten van een asielrelaas wordt geëist, in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. Eisers verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond , het standpunt van de United Nations High Commissioner for Refugees over de prejudiciële vragen die daarin zijn gesteld en rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Verder kan eisers niet worden verweten dat zij de pamfletten, waarmee zij zijn bedreigd, niet hebben overgelegd, nu dit zich afspeelde vóór hun vlucht en vóór de ingediende asielaanvragen, en eisers er om die reden niet aan hadden gedacht dat zij deze ooit nodig zouden hebben. Daarbij komt dat de pamfletten simpele briefjes waren die iedereen – waaronder eisers – zelf kan opstellen. Het getuigt dan ook juist van hun oprechtheid dat zij volharden in hun antwoord dat zij deze pamfletten niet hebben bewaard en nu niet kunnen achterhalen. 6.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers onvoldoende documenten hebben overgelegd zonder goede verklaring, en geen oprechte inspanning hebben geleverd om hun aanvragen te staven. Eisers hebben namelijk slechts kopieën van documenten overlegd, terwijl zij hebben aangegeven dat zij de originelen vanuit Ecuador kunnen verkrijgen. Dat eisers zich naar eigen zeggen niet bewust zijn geweest van het belang van originele documenten, heeft de minister terecht niet als een verschoonbare reden hiervoor gezien. Eisers hebben van de minister de brochure over het inleveren van documenten ontvangen, waarin uitdrukkelijk wordt benoemd dat originele documenten van belang zijn. De minister heeft eisers tijdens het aanmeldgehoor gevraagd of zij naar aanleiding van het lezen van deze brochure vragen hebben, wat zij ontkennend beantwoordden. Ook in de gehoren van eisers heeft de minister het belang van originele documenten benadrukt door meermaals naar de originele exemplaren van de overgelegde documenten te vragen. Het is niet gebleken dat eisers vervolgens inspanningen hebben verricht om deze documenten naar Nederland te krijgen. Aangezien het in de eerste plaats aan eisers is om hun asielrelaas te onderbouwen, heeft de minister hiermee naar het oordeel van de rechtbank van zijn kant voldaan aan de samenwerkingsplicht. Eisers worden daarom ook niet gevolgd in hun betoog dat de minister meer sturing had moeten geven in wat voor documenten zij moesten overleggen. De samenwerkingsplicht gaat niet zo ver dat de minister eisers in detail moet instrueren welke documenten zij moeten overleggen om hun asielrelaas te onderbouwen. Eisers worden daarnaast niet gevolgd in hun betoog dat de minister dit ten onrechte tegenwerpt, omdat de gebeurtenissen die deze documenten onderbouwen niet door hem ter discussie zijn gesteld. De minister heeft terecht gesteld dat het erom gaat dat eisers hun kant van de samenwerkingsplicht niet zijn nagekomen. Uit die plicht volgt dat het aan eisers is om alle relevante documenten die aan hun asielrelaas raken zo snel mogelijk te overleggen. Dat eisers dit niet hebben gedaan, kan vervolgens aan eisers worden tegengeworpen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van hun relaas. Verder worden eisers niet gevolgd in hun betoog dat de kopieën die zij wél hebben overgelegd onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Zo blijkt uit het besluit dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling is ingegaan op de inhoud van de kopie van de aangifte. Ten slotte wordt het betoog van eisers dat Werkinstructie 2024/6 in strijd zou zijn met Kwalificatierichtlijn ook niet gevolgd door de rechtbank. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025. In deze uitspraken is geoordeeld dat Werkinstructie 2024/6 in lijn is met het Unierecht. 6.2. Daarnaast heeft de minister eisers terecht tegengeworpen dat zij van de pamfletten met bedreigingen geen enkel exemplaar hebben overgelegd. Dat eisers er niet aan hadden gedacht dat zij deze ooit nodig zouden hebben toen zij Ecuador verlieten, maakt dit niet anders. Eisers hadden immers pamfletten of foto’s ervan naar Nederland kunnen laten komen. Eisers hebben verklaard dat zij geen foto’s van de pamfletten (meer) hebben en dat hun (schoon)familie ook niet meer in het bezit is van de pamfletten, maar gelet op hun stelling dat zij de pamfletten zeer regelmatig over een periode van meerdere jaren hebben ontvangen, heeft de minister het ontbreken van enig bewijs van deze pamfletten bij eisers zelf, dan wel hun (schoon)familie, terecht onaannemelijk gevonden. Dat de pamfletten weinig bewijswaarde zouden hebben omdat iedereen ze zou kunnen opstellen, leidt tenslotte ook niet tot een ander oordeel. De minister heeft terecht gesteld dat de pamfletten weliswaar niet gecontroleerd kunnen worden op echtheid, maar dat het uiterlijk, de inhoud en de vorm wel kunnen worden beoordeeld in het licht van bekende werkwijzen van Los Lobos. Vormen de verklaringen van eisers een samenhangend en aannemelijk geheel? 7. De rechtbank zal nu de redenen bespreken die de minister heeft gegeven voor zijn standpunt dat de verklaringen van eisers geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, aan de hand van dat wat eisers daartegen hebben aangevoerd. Hebben eisers tegenstrijdig verklaard over het contact met Los Lobos? 8. Eisers betogen dat hen ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd wordt tegengeworpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het contact met Los Lobos. Eisers hebben een duidelijke en geloofwaardige uitleg gegeven voor hun verklaringen, en bovendien hebben zij dit ook al meteen duidelijk gemaakt bij de correcties & aanvullingen. Eiseres was de persoon die thuis was en het gros van de bedreigingen ontving. Eiser was vanwege zijn werk vaak weg van huis en nam ook vaak de telefoon niet op. Hij was simpelweg niet overal van op de hoogte. De bedreigingen waren er voortdurend, maar aan hoe vaak precies besteedde de eiser niet veel aandacht. 8.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over het contact met Los Lobos. Eiseres heeft namelijk verklaard dagelijks telefonisch te zijn bedreigd door Los Lobos, terwijl eiser heeft verklaard dat zij één keer per maand telefonisch bedreigd werden. Ook heeft eiser verklaard dat alleen hij de telefonische bedreigingen ontving. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eisers geen goede verklaring voor deze tegenstrijdigheden hebben kunnen geven. Dat eiseres het gros van de bedreigingen ontving en eiser niet overal van op de hoogte zou zijn geweest, heeft de minister terecht onaannemelijk gevonden. Hiertoe heeft hij terecht gesteld dat het niet voor de hand ligt dat dagelijkse telefonische bedreigingen door eisers niet onderling zouden worden besproken of aan relevantie zouden verliezen. Zelfs als eiser mogelijk niet meer van élke bedreiging op de hoogte werd gesteld door eiseres, is het niet aannemelijk dat eiser er niet in het algemeen van op de hoogte zou zijn dat zijn echtgenote iedere dag telefonische bedreigingen ontving. Dat eisers hier verschillend over verklaren omdat zij het onderwerp van de bedreigingen probeerden te vermijden voor hun mentale gezondheid, zoals zij in de correcties en aanvullingen stellen, wordt daarom ook niet gevolgd. De minister heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat de bedreigingen naar eigen zeggen de voornaamste reden vormden voor eisers om samen uit Ecuador te vertrekken. Bovendien verklaart de door eisers gegeven uitleg de tegenstrijdige verklaringen over wie de telefonische bedreigingen ontving niet. Is de vermeende inbraak door Los Lobos bij eisers thuis gebaseerd op aannames? 9. Eisers betogen dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat de inbraak door Los Lobos is gebaseerd op aannames. Uit het overgelegde proces-verbaal van aangifte blijkt dat ook de politie hierin de hand van de bendes zag. Het valt niet in te zien dat de politie dergelijke uitlatingen zou doen als zij er niet ook in grote mate van overtuigd waren dat het hier inderdaad om Los Lobos ging. Ondanks dat het proces-verbaal is opgesteld aan de hand van de verklaringen van eisers, heeft het om die reden dus ook wel degelijk belangrijke waarde. Dat het een kopie is maakt dit niet anders. Verder hebben eisers aangifte gedaan toen zij nog niet op de vlucht waren en nog niet dachten over een asielaanvraag. Dat op zich maakt ook al dat hun verklaringen van destijds bewijswaarde hebben. Ten slotte heeft de woninginval weliswaar ook kenmerken van een willekeurige woninginbraak, maar de minister heeft nagelaten om het in de context van alle overige omstandigheden te beoordelen. 9.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbraak door Los Lobos bij eisers thuis is gebaseerd op aannames. Eisers hebben verklaard aangifte te hebben gedaan van de inbraak. Van deze aangifte hebben eisers een kopie overgelegd. Nog daargelaten dat deze niet op echtheid kan worden onderzocht en er daarom minder waarde aan kan worden gehecht – zoals de minister terecht overweegt – wordt de minister erin gevolgd dat uit de aangifte niet méér kan worden opgemaakt dan dat er een inbraak is geweest en dat eisers hebben verklaard dat Los Lobos hierachter heeft gezeten. Uit de aangifte blijkt niet dat de politie dit standpunt zonder meer deelt. De politie heeft eisers aan de hand van wat zij verklaarden weliswaar geadviseerd om elders onderdak te zoeken, maar de minister heeft terecht gesteld dat enkel een dergelijk algemeen, preventief advies onvoldoende is om uit af te leiden dat de politie Los Lobos als dader beschouwde. Ook als het een originele aangifte was geweest, hebben eisers daarmee dus niet aannemelijk gemaakt dat Los Lobos voor de inbraak verantwoordelijk is. Dat eisers toen zij aangifte deden nog niet van plan waren om asiel aan te vragen maakt dit niet anders, nu dat er niet aan afdoet dat de aangifte enkel is gebaseerd op de verklaringen van eisers. De minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat uit de verklaringen van eisers geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gekomen waaruit blijkt de inbraak met eisers persoonlijk te maken had of gelinkt was aan de gestelde dreigementen. De enkele verklaring van eiseres dat zij de dag ervoor een bedreiging ontving dat als zij niet zou betalen er iets ergs zou gebeuren, heeft de minister daarvoor terecht onvoldoende gevonden. Bovendien heeft de minister de bedreigingen terecht ongeloofwaardig gevonden, zodat een verband met de inbraak ook om die reden niet aannemelijk is. Ook de verklaringen van eiseres dat zij verder met niemand problemen hadden en zij niet weet wie het anders had kunnen zijn, zijn onvoldoende om een verband met Los Lobos aannemelijk te maken. Eiseres heeft zelf ook verklaard geen concrete aanwijzingen te hebben voor de betrokkenheid van Los Lobos bij de inbraak. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat de inbraak plaatsvond terwijl eisers niet thuis waren, en terecht gesteld dat dit beter past bij een ‘gewone’ woninginbraak dan een op eisers gerichte actie. Ook de verklaring van eiseres dat er tijdens de inbraak lades zijn doorzocht duidt meer op een ‘gewone’ inbraak. Ten slotte wordt de minister gevolgd in zijn standpunt dat het tijdsverloop tussen het begin van de bedreigingen en de inbraak ook niet bijdraagt aan de aannemelijkheid van een verband met Los Lobos. De persoonlijke bedreigingen zijn vanaf 2017 begonnen, terwijl de inbraak pas op 31 juli 2023 heeft plaatsgevonden. De rechtbank is het met de minister eens dat niet valt in te zien waarom Los Lobos pas na zes jaar een dergelijke actie zou uitvoeren. Is het onlogisch en niet in overeenstemming met openbare informatie dat Los Lobos nooit consequenties heeft verbonden aan hun dreigementen? 10. Eisers betogen dat de minister ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd tegenwerpt dat het vreemd is dat Los Lobos geen consequenties verbond aan hun dreigementen. Uit de bronnen waar de minister zich op baseert, blijkt niet in hoeveel gevallen Los Lobos daad bij woord voegen. Dat het vaak gebeurt en dat er veel geweld wordt toegepast door Los Lobos betekent nog niet dat het in de meeste gevallen gebeurt waarbij bedreigingen worden geuit. Bedreigingen zijn relatief makkelijk te uiten, maar om ze ook ten uitvoer te leggen is er meer mankracht nodig. Dat eisers het geluk hadden dat zij enige tijd buiten schot zijn gebleven, doet op zich niet af aan de gevaren die er ook toen al waren. Verder is het een onmogelijke en daarmee onredelijke opdracht dat eisers aannemelijk moeten maken waarom zij persoonlijk niet zijn belaagd. De minister stelt volgens eisers dan ook ten onrechte dat dit onderdeel is van hun stelplicht. Overigens is het wel degelijk geëscaleerd in de periode kort voor hun vertrek, toen de woninginbraak plaatsvond. Ten slotte werpt de minister ten onrechte tegen dat eisers hebben gecorrigeerd dat er ook nog na 31 juli 2023 bedreigingen zijn geweest. Die correctie is tijdig ingediend, en niet is gemotiveerd waarom deze correctie niet toelaatbaar is. 10.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet overeen komt met openbare informatie en onlogisch is dat Los Lobos nooit consequenties hebben verbonden aan hun dreigementen. Eisers hebben verklaard sinds 2014 te worden afgeperst door Los Lobos, waarbij ze ook aan hebben gegeven nooit aan deze dreigementen gehoor te hebben gegeven. Gelet daarop en de gestelde frequentie van de dreigementen is de rechtbank het met de minister eens dat niet valt in te zien dat Los Lobos in een tijdsbestek van bijna negen jaar nooit op enige manier gevolg zouden hebben gegeven aan de dreigementen. De minister heeft dit terecht onlogisch gevonden, gelet op hoe gevaarlijk de bende volgens eisers is. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze werkwijze niet overeen komt met het beeld dat uit openbare informatie over Los Lobos naar voren komt, nu daaruit blijkt dat het niet gehoor geven aan hun bedreigingen in de praktijk doorgaans gewelddadige consequenties heeft. Los daarvan is de rechtbank het met de minister eens dat zelfs als uit die openbare informatie niet zonder meer volgt dat Los Lobos in alle gevallen onmiddellijk de daad bij het woord voegt, het alsnog niet aannemelijk is dat eisers zó lang – bijna negen jaar – zeer regelmatig bedreigingen hebben ontvangen zonder dat Los Lobos daar ooit enige gevolgen aan heeft verbonden. De stelling van eisers dat consequenties uitbleven omdat dit meer mankracht kost dan het versturen van bedreigingen, wordt om dezelfde reden niet gevolgd. Ook wordt niet gevolgd dat de gestelde inbraak door Los Lobos een gevolg zou zijn van de dreigementen, gelet op wat eerder in deze uitspraak is geoordeeld. Is de vrees van eisers voor de moordenaar van hun (schoon)broer terecht onaannemelijk gevonden? 11. Eisers betogen dat de minister hun vrees voor de moordenaar van hun (schoon)broer ten onrechte onaannemelijk vindt. Als iets niet uitdrukkelijk ongeloofwaardig wordt gevonden door de minister, dan moet het volgens eisers voor geloofwaardig worden gehouden. De minister betwist dan ook ten onrechte dat hij de moord op de (schoon)broer van eisers geloofwaardig heeft gevonden. Verder verwijst eisers naar wat zij hierover in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht. De minister heeft daar niets tegenover gesteld, buiten het tijdsverloop en zijn overige tegenwerpingen, die al zijn weersproken. 11.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt allereerst het volgende. De minister heeft de vrees van eisers voor de moordenaar van hun (schoon)broer als een apart asielmotief beoordeeld. Eisers hebben in hun zienswijzen aangegeven dat het niet hun bedoeling is geweest om dit als een los asielmotief naar voren te brengen. Voor zover eisers hiermee betogen dat de moord op hun (schoon)broer had moeten worden beoordeeld in het kader van hun problemen met bendeleden, volgt de rechtbank de minister in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat door eisers onvoldoende duidelijk naar voren is gebracht dat de moord daar iets mee te maken had. Eisers hebben namelijk voor het eerst in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor aangegeven dat zij vrezen dat de vrijgekomen dader van de moord wraak op hen wil nemen. Een connectie met de bedreigingen door Los Lobos hebben zij daarbij niet genoemd. Ook tijdens de zitting is de bedoeling van eisers bij dit onderdeel van hun relaas de rechtbank niet duidelijk geworden. Hoewel de gemachtigde van eisers enerzijds heeft aangegeven dat eisers hiermee bedoeld hebben hun vrees voor Los Lobos verder in te kleuren, heeft hij ook aangegeven dat als de bedreigingen door Los Lobos buiten beschouwing worden gelaten, zij nog steeds te vrezen hebben voor de moordenaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht een onderscheid heeft gemaakt tussen de vrees van eisers voor de moordenaar op de (schoon)broer en hun problemen met bendeleden, en dat hij dit terecht als aparte asielmotieven heeft behandeld. 11.2. Eisers worden daarnaast niet gevolgd in hun betoog dat de minister de moord op hun (schoon)broer ten onrechte niet geloofwaardig heeft gevonden. De minister heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat hij de verklaringen van eisers hierover als uitgangspunt heeft genomen, en dat hij deze heeft beoordeeld op zwaarwegendheid. De minister heeft over de geloofwaardigheid van dit onderdeel van hun relaas dus een aanname gedaan in het voordeel van eisers. Of de minister de moord op de (schoon)broer van eisers geloofwaardig vindt of niet, doet dus niet ter zake. 11.3. De rechtbank is van oordeel dat de minister de vrees van eisers voor de moordenaar van hun (schoon)broer terecht onaannemelijk heeft gevonden. De minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eisers problemen hebben ondervonden met de dader van de moord. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de dader in of rond 2022 vrij kwam, maar dat zij pas in 2023 vertrokken uit Ecuador. De rechtbank is het met de minister eens dat niet is in te zien dat eisers bij terugkeer naar Ecuador problemen zouden krijgen met deze man, terwijl zij ten tijde van zijn vrijlating geen problemen van hem hebben ondervonden. Daarbij hebben eisers tijdens hun gehoren ook aangegeven dat zij geen bedreigingen hebben ondervonden in de drie jaar die intussen zijn verstreken. Voor zover eisers stellen dat de moordenaar onderdeel is van Los Lobos, heeft de minister ook terecht overwogen dat hun problemen met bendeleden van Los Lobos niet geloofwaardig zijn gevonden, zodat dit niet bijdraagt aan de aannemelijkheid van hun vrees voor de dader. Ten slotte heeft de minister terecht gesteld dat de overgelegde overlijdensakte van de (schoon)broer ook niet bijdraagt aan de aannemelijkheid van hun vrees voor de moordenaar. Nog daargelaten dat het een kopie betreft, blijkt uit deze akte namelijk niet méér dan dat de (schoon)broer van eisers is overleden. Conclusie en gevolgen 12. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Hof van Justitie 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Rb. Den Haag, zp. Roermond 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139. “UNHCR Statement on credibility assessment in asylum procedures issued in the context of the preliminary reference to the Court of Justice of the European Union in the cases of Ramadi (C-7/25) and Kirkuk (C-8/25)”, augustus 2025. EHRM 23 augustus 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612 en Hof van Justitie 23 januari 2019, ECLI:EU:C:2019:53. Verslag van het aanmeldgehoor van 2 juli 2024 van eiseres, pagina 2, en het verslag van het aanmeldgehoor van 2 juli 2024 van eiser, pagina 2. Zie bijvoorbeeld pagina 7 van het verslag van het aanmeldgehoor van 2 juli 2024 van eiseres, pagina 11 van het verslag van het nader gehoor van eiseres van 10 maart 2026, en pagina 17 van het verslag van het nader gehoor van eiser. Zie artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Zie ook artikel 4, vijfde lid onder b, van de Kwalificatierichtlijn (zoals die gold tot 12 juni 2026). Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613. Verslag van het nader gehoor van 10 maart 2026 van eiseres, pagina 20. Verslag van het nader gehoor van 10 maart 2026 van eiser, pagina 14. Verslag van het nader gehoor van 10 maart 2026 van eiseres, pagina 23. Idem, pagina 24. Idem, pagina 25. Internetartikel van Insight Crime, “Why Have Ecuador’s Drug Trafficking Gangs Turned to Extortion?”, van 20 december 2023. Vgl. ABRvS 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, rechtsoverweging 8.1. Zie ook IB 2022/102. Pagina 29 van het verslag van het nader gehoor van 10 maart 2026 van eiseres, en pagina 20 van het verslag van het verslag van het nader gehoor van 10 maart 2026 van eiser.