ECLI:NL:RBDHA:2026:20221
Rechtbank Den Haag · 2026-07-20 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt een andere beslistermijn op dan voorheen vanwege de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.22682 Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (V-nummer: [V-nummer] ) eiser, en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Eiser heeft op 15 februari 2025 zijn asielwens kenbaar gemaakt tegenover de Nederlandse autoriteiten. Vervolgens heeft hij op 17 februari 2025 met het formulier M35H formeel een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Op 6 maart 2025 heeft verweerder bij de autoriteiten van Zwitserland en België een informatieverzoek als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening ingediend. De autoriteiten van Zwitserland en België hebben beide op 11 maart 2025 op dit verzoek gereageerd. Op 2 april 2026 heeft verweerder een ingebrekestelling ontvangen wegens het niet tijdig beslissen op eisers aanvraag. Eiser heeft vervolgens op 22 april 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam. Overwegingen 1. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt. 2. Zoals volgt uit het procesverloop, is de aanvraag ingediend vóór 12 juni 2026. Dat heeft tot gevolg dat de procedurele voorschriften uit de Vw 2000 die in deze uitspraak worden aangehaald, zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, en de Procedurerichtlijn , in dit geval van toepassing zijn . 3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven. In artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden kan worden verlengd, indien: a. complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn; b. een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of c. de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven. In artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat, indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet in behandeling dient te worden genomen, de termijn, bedoeld in het eerste lid, aanvangt op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in deze zaak een informatieverzoek als bedoeld in artikel 34 van de Dublinverordening heeft ingediend bij de autoriteiten van Zwitserland en België. Zij beschouwt dit als een onderzoek als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000, met als gevolg dat de beslistermijn vanaf een later moment aanvangt. Verweerder had binnen twee maanden na de Eurodac-treffer (van 18 februari 2025) een over- of terugnameverzoek kunnen indienen. Nu dit niet is gebeurd is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de aanvraag op 19 april 2025 bij Nederland komen te berusten. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2019 is op die datum de beslistermijn begonnen. 5. Verweerder heeft sinds 27 september 2022 herhaaldelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid om in asielzaken de beslistermijn met negen maanden te verlengen. Dit is gebeurd met opeenvolgende besluiten tot wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Het in deze zaak toepasselijke verlengingsbesluit is echter nadien ingetrokken . Dit betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan een beoordeling van de rechtmatigheid van deze verlenging. 6. Het voorgaande betekent ook dat verweerder in dit geval binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser moest nemen. Omdat hij dit heeft nagelaten, een geldige ingebrekestelling heeft ontvangen en sindsdien (meer dan) twee weken zijn verstreken voordat beroep is ingesteld, is het beroep ontvankelijk. Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is dit beroep gegrond en moet het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag worden vernietigd. 7. De rechtbank zal verder een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de voornemenprocedure komen te vervallen. Dat betekent dat verweerder sneller tot besluitvorming kan overgaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om kortere termijnen te stellen dan voorheen. Zij hanteert thans in asielzaken in beginsel de volgende termijnen. Als de vreemdeling nog niet is gehoord over de reden voor zijn aanvraag: een termijn van acht weken om hem alsnog te horen en daarna een termijn van vier weken om te beslissen, waarbij verweerder in ieder geval binnen twaalf weken moet beslissen. Als de vreemdeling wel al is gehoord: een termijn van vier weken om alsnog te beslissen. Als de bovengrens van 21 maanden, genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, (bijna) is overschreden stelt de rechtbank de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is . 8. Omdat eiser nog niet nader is gehoord, betekent dit voor de onderhavige zaak dat de rechtbank verweerder zal opdragen om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser te horen omtrent de aanvraag en binnen vier weken na dat gehoor, in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak, het besluit op die aanvraag te nemen en bekend te maken. 9. De rechtbank zal verder bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven, waarbij zij in dit geval de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) op 21 mei 2026 vastgestelde aanbeveling over de rechterlijke dwangsom bij beroep niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken zal volgen. Zij zal de hoogte van deze dwangsom daarom vaststellen op € 50,- voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. 10. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 467,- waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 934,- wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het hierbij alleen gaat om het niet tijdig nemen van een besluit en de zaak van eenvoudige aard is. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak eiser te horen omtrent zijn aanvraag en binnen vier weken na dat gehoor, in ieder geval binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak, het besluit op de aanvraag te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; - veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 467,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser. Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 20 juli 2026 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de dag van bekendmaking verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend. Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Zie artikel IX, zesde lid, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 en artikel 79, derde lid, van de Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU. ECLI:NL:RVS:2019:838. Besluit van 23 juli 2025, nummer WBV 2025/15, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2025, 25199. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, en 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5020. Op 4 juni 2026 gepubliceerd op rechtspraak.nl.