← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20219

Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.54614
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.368 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Jordanië, geloofwaardigheid identiteit en nationaliteit, overige asielmotieven niet besproken, beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54614 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Pater), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de identiteit en nationaliteit van eiser terecht ongeloofwaardig heeft bevonden, en dat daarom de overige asielmotieven van eiser niet beoordeeld hoeven te worden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 31 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld samen met zaak NL25.54615. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met vooraankondiging niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt [naam] te heten. Hij stelt van Jordaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995 in Al Aqabah in Jordanië. Eiser stelt dat hij homoseksueel is en dat hij een afvallige is van de islam omdat hij atheïst is. Hij vreest bij terugkeer naar Jordanië een risico te lopen op ernstige schade of vervolging. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen door eisers afvalligheid; Problemen door bekering tot het atheïsme; Problemen door homoseksualiteit. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. De minister heeft dit asielmotief daarom verder op geloofwaardigheid getoetst. De minister stelt zich daarover op het standpunt dat eisers herkomst uit Jordanië geloofwaardig is, maar dat eisers identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig zijn. De minister legt aan dit standpunt ten grondslag dat eiser geen oprechte inspanning heeft gedaan om dit asielmotief te staven, dat eiser onvoldoende documenten heeft overlegd en daarvoor geen afdoende verklaring heeft, dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser ook op grote lijnen niet als geloofwaardig is te beschouwen. De minister heeft daarom de overige asielmotieven niet beoordeeld. De minister concludeert dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de minister heeft willen misleiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit. De minister legt eiser een terugkeerbesluit op waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van Jordanië als land van herkomst. Heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit geheel onderbouwd met objectieve documenten? 5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Volgens eiser heeft de minister miskend dat hij weliswaar niet zijn originele paspoort heeft overgelegd, maar daarvan wel foto’s heeft overgelegd die overeenstemmen met eisers verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit. De minister heeft aan deze kopieën ten onrechte geen waarde gehecht. Eiser wijst op het arrest van het arrest LH van het Hof van Justitie waaruit volgt dat kopieën van documenten niet alleen buiten beschouwing mogen worden gelaten louter omdat het kopieën zijn die niet op echtheid zijn te controleren. 5.1. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een kopie van een paspoort niet kan gelden als objectief document, omdat het niet op echtheid kan worden gecontroleerd. Daarmee heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit niet onderbouwd met objectieve documenten. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat de minister in strijd heeft gehandeld met het LH-arrest, omdat de minister de foto’s niet geheel buiten beschouwing heeft gelaten, maar daaraan slechts niet de waarde heeft gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De minister stelt zich daarover namelijk op het standpunt dat de kopie eisers identiteit niet onderbouwt, omdat hij ook nog wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en nationaliteit en omdat eiser volgens de minister geen oprechte inspanning heeft geleverd om het origineel, waarvan eiser aangeeft dat het bestaat, te laten overkomen vanuit het Verenigd Koninkrijk (VK). Op deze standpunten gaat de rechtbank hierna in. Heeft eiser een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven? 6. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Volgens eiser heeft hij zijn paspoort en zijn ID-kaart bij vrienden liggen in het VK, en heeft hij deze door geldproblemen niet kunnen laten overkomen. Eiser heeft nog steeds last van geldproblemen. Eiser heeft daarom foto’s laten maken en heeft die overgelegd. Daarmee heeft eiser naar eigen zeggen alle inspanning geleverd die van hem verwacht kon worden. 6.1. Het betoog slaagt niet. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor van 25 september 2024 reeds verklaard dat er een paspoort en een ID-kaart bestaan, dat deze bij vrienden in het VK liggen, en dat hij deze zal laten overkomen. De minister wijst er terecht op dat hij al tijdens het aanmeldgehoor heeft aangegeven dat eiser deze documenten over zijn identiteit en nationaliteit moest overleggen en dat eiser inmiddels ruimschoots de tijd heeft gehad om dat te doen. Eisers verklaring dat hij financiële problemen heeft ontslaat hem niet van de plicht om desondanks pogingen te wagen deze documenten vanuit het VK te doen overkomen, desnoods met behulp van derden. Niet is gebleken van enige poging van eiser daartoe. Eisers verklaring dat geldgebrek daarvoor de oorzaak is, heeft hij niet onderbouwd en is overigens op zichzelf ook onvoldoende. Heeft eiser voor het ontbreken van voldoende documenten een goede verklaring? 7. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij eisers verklaring niet volgt dat hij zijn paspoort heeft achtergelaten op advies van zijn vrienden, om verlies van het paspoort te voorkomen. 7.1. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich in de besluitvorming terecht op het standpunt dat de keuze om zijn documenten in het VK achter te laten niet verschoonbaar is. De minister wijst er terecht op dat eiser vaker heeft gevlogen en dat hij had moeten weten dat de autoriteiten belang zouden hechten aan identificerende documenten bij een asielaanvraag. Dat hij makkelijk beïnvloedbaar zou zijn is geen verschoonbare reden om dat nu niet te doen. Vormen eisers verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel? 8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn identiteit. Eiser wijst erop dat hij makkelijk is te beïnvloeden en onder invloed van drugs zijn asielaanvraag heeft gedaan. Eiser heeft hier enorm veel spijt van en heeft zijn onjuiste verklaringen over zijn identiteit en geboorteplaats ook rechtgezet bij het aanmeldgehoor. Deze eenmalige fout kan volgens eiser echter niet betekenen dat zijn gehele asielaanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Eiser wijst erop dat hij een kopie-paspoort heeft overgelegd en wijst op het LH- arrest. 9. De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit niet samenhangend en aannemelijk zijn. De rechtbank bespreekt haar oordeel hieronder puntsgewijs. Wisselende verklaringen over eisers identiteit en nationaliteit 9.1. De minister werpt eiser terecht tegen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn identiteit en nationaliteit. Hij heeft zijn aanvraag ingediend onder de naam [eiser] en heeft aangegeven te zijn geboren in Jeruzalem. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser aangegeven [naam] te heten en te zijn geboren in Al Aqabah in Jordanië. Dat hij naar eigen zeggen tijdens het aanmeldgehoor onder invloed was van XTC is geen rechtvaardiging voor deze tegenstrijdigheid. De minister werpt eiser verder terecht tegen dat hij wisselend heeft verklaard over de nationaliteit die op zijn paspoort zou moeten staan. Eiser heeft verklaard de Palestijns-Jordaanse nationaliteit te bezitten en een Jordaans paspoort te hebben, maar heeft ook verklaard alleen de Jordaanse nationaliteit te bezitten. Weer later verklaart eiser dat hij in het bezit is van een Palestijns paspoort. Later weer verklaart eiser dat hij een visum voor het VK had speciaal voor Jordaanse onderdanen. Eisers herkomst in relatie tot zijn identiteit en nationaliteit 9.2. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eisers geloofwaardig bevonden Jordanese herkomst niet bijdraagt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, omdat iemands herkomst niet noodzakelijkerwijze iets zegt over iemands officiële nationaliteit. Daar komt bij dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn nationaliteit. 9.3. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd wijst de rechtbank op het onder 5.1, 6.1 en 7.1 overwogene. Kan eiser op grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd? 10. De minister werpt gezien voorgaande terecht tegen dat eiser op grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden aangemerkt, omdat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd. Had de minister de overige asielmotieven van eiser moeten toetsen? 11. De minister heeft de overige door eiser ingebrachte asielmotieven gezien voorgaande dan ook niet inhoudelijk hoeven behandelen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt namelijk dat asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. Conclusie en gevolgen 12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 29a, eerste lid, van de Vw 2000 (voorheen artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000). Daarmee heeft eiser volgens de minister niet voldaan aan de vereisten van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, b, c, en e, van de Vw 2000 (zoals dit tot 12 juni 2026 luidde). Artikel 30b, eerste lid, onder d, van de Vw 2000. HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Hof van Justitie, 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478. Artikel 31, zesde lid onder e Vw 2000. Bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061) en 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265)