← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20218

Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.358
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
19.468 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Geloofwaardigheid en zwaarwegendheid, Somalië, bekering christendom, afvalligheid, beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.358 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven . De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers bekering en de problemen met zijn familie ongeloofwaardig zijn en dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Somalië gevaar loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 december 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld samen met zaak NL26.359. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Voorgaande procedures 3. Eiser is, naar eigen zeggen, in 1994 Nederland binnengekomen. Eiser is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘gezinshereniging bij ouder(s)’met ingang van 9 mei 1996. De vergunning is laatstelijk verlengd tot 9 mei 2011. Eiser heeft op 9 februari 2012 een aanvraag om verlenging ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 7 februari 2013 afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast omdat eiser daartegen niet in beroep is gegaan. Vervolgens is aan eiser op 22 november 2013 een inreisverbod opgelegd voor de duur van vijf jaren. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend zodat dit besluit in rechte vaststaat. Eiser heeft daarna in 2014 asiel gevraagd. Eiser heeft tegen de afwijzing van deze aanvraag geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze afwijzing in rechte vaststaat. Eiser heeft in 2023 een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning regulier op grond van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Deze aanvraag is bij besluit van 5 oktober 2023 afgewezen, onder meer vanwege het feit dat eiser een groot aantal strafbare feiten heeft gepleegd. Deze afwijzing is bij besluit op bezwaar van 5 juni 2025 in stand gelaten en het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 27 maart 2026 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 5 december 2025 verzocht om het opheffen van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod. Bij uitspraak van 27 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen het beroep tegen de instandlating van de afwijzing daarvan gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen in stand gehouden. Eiser heeft op 24 september 2025 zijn tweede en huidige asielaanvraag ingediend. Het asielrelaas 4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser verblijft al sinds zijn vijfde of zesde levensjaar in Nederland. Hij stelt dat hij vanaf ongeveer 2014 afvallig is en dat hij zich vanaf ongeveer 2021 heeft bekeerd tot het christendom, en dat hij daarom gevaar loopt bij terugkeer naar Somalië. Zijn familie weet van zijn afvalligheid en bekering en hij is om die reden al bedreigd. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Afvalligheid; Bekering tot het christendom; Problemen met zijn familie. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook gelooft de minister dat eiser afvallig is. De minister gelooft echter niet dat eiser is bekeerd tot het christendom of dat hij problemen met zijn familie heeft gehad. Volgens de minister heeft eiser deze asielmotieven niet volledig met objectieve documenten onderbouwd, en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt zich tot slot op het standpunt dat eisers Somalische afkomst en zijn afvalligheid niet maken dat eiser in Somalië te vrezen heeft voor vervolging als bedoeld in het vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de minister betreft het een opvolgende aanvraag en vormt eiser een gevaar voor de openbare orde. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader? 6. Eiser betoogt ten eerste dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader. Eiser verblijft van zijn vijfde of zesde jaar in Nederland en heeft op een school gezeten voor zeer moeilijk opvoedbare en moeilijk lerende kinderen (ZMOLK). Eiser is verstandelijk gehandicapt en zou een Wajong-uitkering krijgen. De minister moet de verklaringen van eiser in dit licht beoordelen. 6.1. Het betoog slaagt niet. De rechtbank ziet in de besluitvorming geen reden voor het oordeel dat de minister in algemene zin onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader. Eiser heeft in beroep veelvuldig betoogd dat zijn beperkte verstandelijke vermogens in de weg zouden staan aan meerdere tegenwerpingen door de minister maar heeft deze betogen niet met (medisch) bewijs onderbouwd en heeft deze betogen onvoldoende geconcretiseerd. De algemene stelling dat eiser minder begaafd is en op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen heeft gezeten maakt niet zonder meer dat van eiser daarom niet mag worden verwacht dat hij kan verklaren over zijn bekering en over de gestelde problemen met zijn familie. Daarbij komt dat de minister zich blijkens de besluitvorming wel degelijk rekenschap heeft gegeven van eisers referentiekader, waaronder zijn gestelde beperkte verstandelijke vermogens, maar zich desondanks op het standpunt heeft gesteld dat eiser over het derde en vierde asielmotief niet aannemelijk en samenhangend heeft verklaard. Op dit standpunt van de minister over deze asielmotieven gaat de rechtbank hieronder inhoudelijk in. Eisers bekering tot het christendom 7. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn bekering tot het christendom niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Heeft eiser samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn bekering tot het christendom? 8. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn bekering tot het christendom. Het betoog slaagt echter niet, zoals de rechtbank hieronder puntsgewijs toelicht. Aanloop naar de bekering en eisers droom 9. De minister heeft onder meer tegengeworpen dat eisers verklaringen over de aanloop naar zijn bekering oppervlakkig zijn, omdat hij heeft verklaard dat hij al in 2015 of 2016 in aanraking is gekomen met het christendom en dat dat toen fijn voelde. Toch heeft hij daarna niets met dat gevoel gedaan, totdat hij in 2021 weer in detentie zat. Toen zou hij zich wel hebben bekeerd, maar wat er toen dan anders was dan eerder heeft hij niet toegelicht. Dat sprake zou zijn geweest van een proces van bekering tussen 2015/2016 en 2021, zoals eiser stelt, blijkt ook nergens uit. Dit heeft eiser niet concreet weersproken. 9.1. Eiser heeft ook geen gronden gericht tegen het standpunt van de minister dat hij vaag heeft verklaard over een droom. De minister merkt terecht op dat het vreemd is dat eiser op zijn M35-O formulier meldde dat hij een droom over Jezus had gehad, die kennelijk dus belangrijk voor hem was, maar dat hij tijdens het gehoor vervolgens antwoordde dat hij niet precies wist wat hij had gedroomd en dat de hoormedewerker dat onderwerp maar moest vergeten. Eisers verklaringen over wat zijn bekering hem heeft opgeleverd 10. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eiser oppervlakkig verklaart over wat zijn bekering hem heeft opgeleverd. Er kon meer van hem verwacht worden dan zijn verklaring dat hij slechte dingen heeft gedaan, dat het fijn is dat die zonden hem vergeven kunnen worden en dat er een last van hem afviel. Dat zijn bekering hem veel rust heeft gebracht, dat hij probeert te veranderen en dat hij geen slechte dingen meer doet is ook onvoldoende concreet. Daarbij wijst de minister er terecht op dat eiser weliswaar zegt dat zijn bekering hem heeft geleerd geen slechte dingen meer te doen, maar uit eisers justitiële documentatie blijkt dat hij nog steeds strafbare feiten pleegt. Het betoog van eiser dat hij de hoorzitting in de Penitentiaire Inrichting niet zou hebben kunnen plaatsen door zijn verstandelijk beperking en dat aan hem abstracte begrippen zijn voorgelegd als ‘Jezus’, het christendom en de bekering heeft eiser niet onderbouwd en onvoldoende geconcretiseerd. Anders dan eiser lijkt te betogen, had de minister van hem mogen verwachten dat hij daarover persoonlijker en (enigszins) diepgaand had kunnen verklaren. Kennis van het christendom 11. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser oppervlakkig verklaart over de tien geboden en dat zijn verklaringen en verdere kennis van het christendom vaag, onpersoonlijk en oppervlakkig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij weliswaar veel kijkt naar de preken van [naam persoon 1] en dat hij deze inspirerend vindt, maar hij kan niet verklaren wat hij daaraan zo inspirerend vindt en kan de betekenis van deze preken voor hemzelf niet persoonlijk maken. Als hem daarnaar wordt gevraagd verklaart eiser dat ‘Jezus voor ons is gestorven’ en dat we ‘naar de hemel gaan als we het juiste pad volgen’. De rechtbank volgt niet het betoog van eiser dat deze tegenwerpingen onterecht zijn gezien eisers referentiekader. Een vraag naar de betekenis van de preken heeft niet zo’n abstractieniveau dat de minister daarom geen (enigszins) persoonlijk antwoord van eiser had mogen verwachten. Activiteiten in het kader van het christendom 12. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn kerkbezoek vaag en ongerijmd zijn. Eiser maakt onvoldoende inzichtelijk hoe vaak hij naar de kerk gaat. Eiser heeft daarover verklaard dat hij een paar keer naar de kerk is geweest, dat hij niet elke zondag gaat maar dat hij naar een kerk gaat waar Eritreeërs en Somaliërs komen. Volgens de minister verklaart eiser ook ongerijmd over wat hij haalde uit zijn kerkbezoeken. Eiser verklaart daarover dat hij over het geloof praatte en dingen wilde leren, maar verklaart ook dat hij niet leert over het geloof door naar de kerk te gaan en dat het gaat over saamhorigheid en samen bidden. Ook verklaart eiser dat hem niet echt iets is bijgebleven van de kerkdiensten. Dat het eiser vooral zou gaan om spirituele zingeving en saamhorigheid neemt niet weg dat eiser wel iets moet zijn bijgebleven van de kerkdiensten. Dat hij zijn kennis vooral elders haalde heeft de minister evenmin hoeven volgen omdat hij terecht tegenwerpt dat eiser ook niet veel weet te verklaren over andere manieren waarop hij met zijn geloof bezig is. Hij zegt dat hij naar preken kijkt van [naam persoon 1] en ‘[naam persoon 2] nog wat’ en dat hij iedere dag met het geloof bezig is, maar kan verder geen voorbeelden noemen. Tussenconclusie 13. Op grond van het voorgaande heeft de minister eisers bekering terecht ongeloofwaardig geacht. De problemen met eisers familie 14. Eiser heeft verder verklaard dat hij problemen heeft ondervonden met zijn familie vanwege zijn afvalligheid en bekering. Niet in geschil is dat eiser deze verklaringen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Heeft eiser samenhangend en aannemelijk verklaard over de problemen met zijn familie? 15. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over deze problemen. Het betoog slaagt echter niet, zoals de rechtbank hieronder puntsgewijs toelicht. Ongeloofwaardigheid van de bekering 16. De minister werpt ten eerste terecht tegen dat eiser verklaart dat hij vanwege zijn bekering problemen heeft ondervonden. Die bekering is echter terecht ongeloofwaardig bevonden, zoals hierboven beoordeeld. Contact met broers 17. Verder werpt de minister terecht tegen dat eisers verklaringen over het contact met zijn broers tegenstrijdig en ongerijmd zijn. Ten eerste heeft eiser enerzijds verklaard dat hij geen contact meer met zijn broers had nadat hij tegen hen had gezegd dat hij niet meer in de islam geloofde, wat ongeveer tien jaar voor het gehoor opvolgende aanvraag zou zijn geweest. Later in het gehoor heeft hij verklaard dat hij ongeveer twee jaar voor het gehoor opvolgende aanvraag zou hebben gezegd dat hij soms naar de kerk ging, waarna een broer het contact verbrak. Dat de afvalligheid en bekering in elkaars verlengde zouden liggen, zoals eiser stelt, doet er niet aan af dat eiser zowel over de reden voor, als over het moment van, het verbreken van het contact tegenstrijdig heeft verklaard. Daarbij heeft de minister ook terecht tegengeworpen dat eiser in het gehoor in het kader van zijn 8 EVRM-aanvraag in februari 2025 heeft verklaard dat zijn ‘lieve broer’ nog altijd voor hem zorgde, hem op dat moment ook kleding en leefgeld gaf en er altijd voor hem was. Dat is ook in strijd met eisers verklaring dat hij geen contact meer heeft met zijn broers. Contact met vader 17.1. De minister werpt eiser verder terecht tegen dat hij tegenstrijdig verklaart over het contact met zijn vader. Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat hij twee keer heeft gebeld met zijn vader, terwijl hij in het gehoor opvolgende aanvraag verklaart al tien jaar geen contact meer met hem te hebben. Daarmee werd eiser geconfronteerd waarop hij aangaf dat er in 2014 en 2018 twee keer contact is geweest, alwaar eiser aan zijn vader zou hebben medegedeeld dat hij was bekeerd, maar dit sluit volgens de minister weer niet aan bij zijn verklaring dat hij pas eind 2021 zou zijn bekeerd. Dat deze tegenstrijdigheden het gevolg zouden zijn van eisers referentiekader acht de rechtbank geen toereikende verklaring. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiser in zijn gehoor in het kader van zijn 8 EVRM-aanvraag slechts heeft gezegd dat hij eigenlijk geen contact met zijn vader wil. Het is voor de rechtbank niet duidelijk waarom hij op dat moment niet heeft gemeld dat zijn vader hem niet wil spreken vanwege zijn bekering of afvalligheid. Bedreigingen door ooms 18. Verder werpt de minister terecht tegen dat eiser ongerijmd verklaart over door wie hij zou zijn bedreigd. Eiser verklaart door meerdere ooms te zijn bedreigd, maar ook dat hij werd bedreigd omdat een van de ooms wilde dat hij met zijn dochter ging trouwen. Eiser heeft daarop bevestigd dat het alleen om die oom ging. Ter zitting heeft de minister verduidelijkt dat het zwaartepunt bij de tegenwerping over eisers verklaringen over zijn ooms ligt bij de reden waarom eiser naar eigen zeggen is bedreigd. Eiser verklaart daarover immers dat dat was vanwege de omstandigheid dat een van deze ooms wilde dat eiser met zijn dochter zou trouwen, terwijl hij ook verklaart dat hij is bedreigd vanwege zijn afvalligheid. Tussenconclusie 19. Gelet op het voorgaande heeft de minister eisers gestelde problemen met zijn familie ook terecht ongeloofwaardig geacht. Zwaarwegendheid - De afvalligheid 20. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn afvalligheid bij terugkeer naar Somalië niet zal belijden. Het gaat daarbij volgens eiser allereerst om het christelijke geloof. Verder kan van eiser niet worden verwacht dat hij de rest van zijn leven zal blijven acteren. Eiser wijst op zijn verstandelijke beperking en de omstandigheid dat hij daardoor niet in staat is zich iets voor te stellen bij het belijden van iemands afvalligheid en hij heeft zich van de betekenis daarvan binnen de Somalische gemeenschap niet vergewist. Eiser wijst erop dat hij bijvoorbeeld niet heeft nagedacht over het bidden en de hadj. 20.1. Het betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij bij terugkeer naar Somalië de behoefte zou hebben om zijn afvalligheid openlijk te uiten. Eiser heeft daarover aangegeven dat hij dan zal acteren dat hij islamitisch is en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk gevaar zal lopen bij terugkeer naar Somalië. De minister wijst er verder terecht op dat afvalligen niet gelden als risicoprofiel als bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat in het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 slechts staat dat afvalligheid kan leiden tot discriminatie of intimidatie. Conclusie en gevolgen 21. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBDHA:2026:6874. ECLI:NL:RBDHA:2026:6877. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Artikel 29, eerste lid Vw, van de 2000. Artikel 30b, eerste lid, onder g en j, van de Vw 2000. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9 en 10. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 11 en 12. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 20. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 10, 13 en 14. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 13 en 17. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 9, 10 en 13. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 10. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 23. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 8 en 16. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina 15. Gehoor opvolgende aanvraag, pagina’s 15 en 16. Zie het algemeen Ambtsrecht Somalië van 2025, pagina 94.