← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20215

Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.24851
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.971 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Spanje, medische omstandigheden, Artikel 17 Dublinverordening, beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24851 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toepasselijk recht 4. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026. Totstandkoming van het besluit 5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard. Heeft de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen? 6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat hij vanwege medische redenen naar Nederland is gekomen. Eiser heeft namelijk een amputatie van zijn duim ondergaan. Hierdoor kan eiser zijn hand niet volledig gebruiken. Voor de behandeling hiervan is eiser naar Nederland gekomen. Verder verwijst eiser naar het aanmeldgehoor van 20 maart 2026 waarin hij heeft aangegeven dat het wenselijk is dat hij in Nederland behandeld wordt. Ook wil eiser in Nederland revalideren. Gelet hierop dient de minister volgens eiser zijn asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. 6.1. Voor zover eiser betoogt dat zijn bijzondere individuele omstandigheden meebrengen dat overdracht van eiser aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag een lidstaat als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden een asielaanvraag onverplicht in behandeling nemen. De minister maakt terughoudend gebruik van deze mogelijkheid. Uit datgene wat eiser aanvoert, blijkt niet van de aanwezigheid van zodanig bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht leidt tot een onevenredige hardheid. Eiser onderbouwt op geen enkele wijze dat hij op dit moment in Nederland onder (medische) behandeling is dan wel dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen. Daarbij verklaart eiser in het aanmeldgehoor van 20 maar 2026 dat er geen bijzondere reden is dat hij in Nederland een verzoek om internationale bescherming doet. De minister heeft in de gestelde medische omstandigheden dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken. 6.2. Voor zover eiser betoogt dat overdracht aan Spanje achterwege moet blijven omdat dat een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie zou betekenen oordeelt de rechtbank als volgt. Het ligt op de weg van eiser om dit met objectieve gegevens aannemelijk te maken. Eiser heeft geen (medische) documenten overgelegd waaruit blijkt dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Bovendien mag de minister er in beginsel op vertrouwen dat, nu Spanje ermee heeft ingestemd om eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen, zij haar internationale verplichtingen zal nakomen. Spanje is namelijk gebonden aan dezelfde internationale verplichtingen als Nederland en er is geen reden om aan te nemen dat Spanje zich daar niet aan zal houden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.