← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20211

Rechtbank Den Haag · 2026-06-23 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.13657
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.591 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Benin, misleiding identiteit, geloofwaardigheidsbeoordeling, artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13657 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , ook bekend als: [naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Beninse nationaliteit te zijn. De minister gaat uit van de geboortedatum [geboortedatum 1] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en F. Issaou als tolk (telefonisch aanwezig) en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft vanaf zijn tiende tot zijn zeventiende op het land van zijn vader gewerkt als boer en plantte sojabonen en cashewnoten. In Benin is het door de regering verboden om sojabonen en cashewnoten te verbouwen en te exporteren, maar toch deed eiser dit samen met zijn vader. Op een dag in 2021 waren eiser en zijn vader aan het werk op het land. Een half uur nadat zij thuiskwamen hoorden zij politiesirenes en zagen zij politieauto's naar hun huis rijden. Zij zagen vervolgens hoe twee agenten het huis binnenkwamen via de voordeur. Eiser en zijn vader zijn toen over de muur achter het huis geklommen en het bos in gevlucht. Een andere politieauto stond tegenover hen op de weg en de agenten probeerden eiser en zijn vader aan te houden, maar ze konden ontsnappen. Eiser vreest bij terugkeer dat hij wordt opgepakt door de Beninse autoriteiten en dat hij wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: Uw identiteit, nationaliteit en herkomst. Uw problemen vanwege uw werk op het land. 4.1. De minister acht de identiteit van eiser niet geloofwaardig, zijn nationaliteit en herkomst zijn wel geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c Vw. Hij heeft tegenstrijdig verklaard over zijn identiteit, omdat hij in Nederland heeft verklaard dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 2006, terwijl hij in Italië heeft verklaard dat hij [naam] is, geboren op [geboortedatum 3] 1997. De AVIM heeft bij de schouw van 16 augustus 2023 geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De geboortedatum van eiser is aangepast naar [geboortedatum 1] 2005. Eiser kan verder niet in grote lijnen geloofwaardig worden beschouwd, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder e Vw. Hij heeft namelijk een alias. De problemen van eiser door zijn werk op het land zijn niet geloofwaardig. Eiser zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c Vw. Zijn verklaringen over de illegaliteit van zijn werkzaamheden zijn strijdig met openbare bronnen. De Beninse overheid stimuleert juist het verbouwen van sojabonen en cashewnoten. Vanaf april 2024 is er een exportverbod opgelegd voor deze producten. Ten tijde van de gebeurtenissen van eiser in 2021 was dit verbod dus nog niet van kracht. Dat de politie eiser kwam oppakken vanwege zijn werk is gebaseerd op vermoedens. Beoordeling gronden van beroep Misleiding identiteit 5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser hem met opzet heeft misleid over zijn identiteit. Eiser heeft verklaard dat hij een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven en dat de Italiaanse autoriteiten zijn achternaam verkeerd hebben genoteerd. De enkele vaststelling dat de registratie verschilt is onvoldoende om opzet aan te nemen. Het is innerlijk tegenstrijdig om enerzijds de herkomst en nationaliteit van eiser geloofwaardig te achten, en anderzijds de asielaanvraag in de ‘zwaarste categorie’ (namelijk: kennelijk ongegrond vanwege misleiding) af te doen. Ook heeft de minister onvoldoende het referentiekader van eiser betrokken. 6. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat deze zowel ziet op de kennelijk ongegrondverklaring van de asielaanvraag, als op de ongeloofwaardig geachte identiteit van eiser. Het gaat hierbij om de geboortedatum en de naam van eiser. 6.1. Vast staat dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen. De rechtbank stelt ook vast dat eiser in Italië een andere naam en geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland. Een essentieel verschil is hierbij verder dat eiser in Italië zei dat hij meerderjarig was, en in Nederland minderjarig. De verklaringen die hij hiervoor geeft, namelijk dat dat hij door de chaotische omstandigheden in Italië maar wat zei toen hij zijn gegevens moest opgeven en dat hij niet heeft gezien dat zijn naam verkeerd was genoteerd, hoefde de minister niet plausibel te vinden. 6.2. Verder is niet in geschil dat uit de leeftijdsschouwen verricht door de AVIM en de IND de conclusie ‘evidente meerderjarigheid’ volgde. Dat strookt niet met de leeftijd die eiser opgaf in Nederland. Bovendien heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor verklaard zeventien jaar oud te zijn, terwijl dit niet overeenkomt met de op dat moment door eiser opgegeven geboortedatum; hij zou met die geboortedatum namelijk op dat moment zestien jaar oud zijn geweest. De stelling van eiser dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, volgt de rechtbank niet. De minister heeft in het bestreden besluit onderkend dat eiser ongeschoold is. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de minister gelet op het scholingsniveau van eiser niet mag verwachten dat eiser consistent verklaart over zijn geboortedatum (of leeftijd) en achternaam. 6.3. De minister kon gelet hierop tot de conclusie komen dat eiser op het punt van zijn identiteit niet geloofwaardig is. Bovendien heeft de minister de gang van zaken terecht als misleiding geduid. Geloofwaardigheid problemen vanwege werk op het land 7. Eiser voert verder aan dat de minister het referentiekader van eiser onvoldoende heeft meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen van eiser door zijn werk op het land. Eiser is een ongeschoolde jongeman in een rurale omgeving, doordrongen door de concrete waarschuwing van zijn vader over de illegaliteit van zijn werkzaamheden. Het is daarom logisch dat eiser is gevlucht toen hij de politie zag en niet het contact met hen heeft afgewacht. De minister heeft de correcties en aanvullingen op het nader gehoor niet kenbaar betrokken. Eiser weet niet of er een arrestatiebevel is uitgevaardigd. 8. De minister heeft de beschikbare landeninformatie bij zijn beoordeling betrokken en terecht gesteld dat eisers verklaringen in het licht van deze informatie niet aannemelijk zijn. Uit de landeninformatie waar de minister naar heeft verwezen, blijkt dat voor sojabonen en cashewnoten pas vanaf 2024 een exportverbod gold, terwijl de door eiser gestelde gebeurtenissen zich in 2021 zouden hebben voorgedaan. Van een algeheel verbod op het verbouwen van deze gewassen blijkt niet, in tegendeel: de overheid stimuleerde de productie hiervan juist. Eiser heeft geen (andere) bronnen aangedragen die een ander licht hierop werpen. De stelling van eiser dat hij, vanwege zijn referentiekader, bij het zien van de politie direct is gevlucht en niet heeft afgewacht wat de politie kwam doen, vormt geen gemotiveerde betwisting van het standpunt van de minister dat hij zijn acute vlucht baseerde op ongefundeerde vermoedens. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister de problemen van eiser door zijn werk op het land ongeloofwaardig heeft mogen achten. Dat eiser niet weet of er een arrestatiebevel is uitgevaardigd maakt dit oordeel niet anders; met de minister oordeelt de rechtbank dat dit niet af kan doen aan de conclusie dat eisers relaas gegrond is op vermoedens. De beroepsgrond slaagt niet. Veiligheidssituatie – artikel 15, aanhef en onder c Kwalificatierichtlijn 9. Eiser voert ten slotte aan dat de minister ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling van de veiligheidssituatie in het herkomstgebied van eiser in de zin van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn, heeft gemaakt. De minister heeft hiermee nagelaten aan artikel 3 EVRM te toetsen. De minister is gehouden om een gebiedsspecifieke drempeltoets uit te voeren voor het concrete herkomstgebied van eiser, departement [departement] , gemeente [gemeente] . Uit uitgebreide en recente landeninformatie volgt dat er sprake is van een ernstig en escalerend gewapend conflict. Eiser verwijst ter onderbouwing onder meer naar rapporten van de ACLED en Amnesty International. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat aanleiding bestond voor deze beoordeling nu hij in zijn gehoor heeft verklaard dat hij niet terug kan naar Benin omdat het daar niet veilig is. 10. Vast staat dat er voor Benin geen specifiek landenbeleid is opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank overweegt dat, anders dan eiser stelt, de minister wel heeft beoordeeld of eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer in de zin van artikel 3 EVRM. De minister heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat er gelet op het asielrelaas van eiser en het ontbreken van landenbeleid voor Benin geen aanleiding bestond voor een beoordeling in de zin van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank volgt het primaire standpunt van de minister. Wat eiser heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt weliswaar dat er in het noorden van Benin sprake is van een toename van extremistisch geweld, maar niet dat dit geweld van zodanige omvang of intensiteit is dat het standpunt van de minister onhoudbaar is. De minister heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat het feit dat eiser uit Benin komt op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juni 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, politie eenheid Noord-Nederland. Dat wil zeggen: toepassing van de c-grond van artikel 31b, eerste lid, van de Vw. Nader gehoor, p. 4. HV12 Proces-verbaal van verhoor, p. 4. Aanmeldgehoor, p. 7. Bestreden besluit, p. 3. ACLED, New frontlines: jihadist expansion is reshaping the Benin, Niger, and Nigeria borderlands , 22 maart 2025. Amnesty International, The State of the World’s Human Rights; Benin 2025 , 21 april 2026. Zie p. 5 van het Voornemen.