← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20210

Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.52184
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.640 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Guinee; problemen met oom ongeloofwaardig; buitenschuldvergunning; ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52184 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J. Eizenga), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. C.S. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 6 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Namens Nidos zijn: [persoon A] en [persoon B] verschenen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij komt uit Guinee en is minderjarig. Hij heeft verklaard dat zijn vader in 2020 is overleden. Eiser vermoedt dat zijn oom, van vaderszijde, de oorzaak is van het overlijden van zijn vader, omdat zij onderlinge problemen hadden. Na het overlijden van zijn vader heeft zijn oom zich de landbouwgrond van het gezin toegeëigend. Eiser, zijn moeder en broertjes weigerden om deze grond af te staan, waarna zijn oom eiser heeft mishandeld en heeft bedreigd met een pistool. Eiser is vervolgens gevlucht uit Guinee, omdat hij bang is dat zijn oom hem gaat vermoorden. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met oom van vaderszijde. 4.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met de oom zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen hierover niet met objectieve documenten onderbouwd. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eisers verklaringen over de verantwoordelijkheid van zijn oom voor het overlijden van zijn vader zijn gebaseerd op vermoedens die hij niet aannemelijk heeft gemaakt, eiser heeft het startpunt en de duur van zijn problemen met zijn oom van vaderszijde niet aannemelijk gemaakt, eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de gevolgen van het (onrechtmatige) landeigendom van zijn oom van vaderszijde, eisers verklaringen over de ruzie en mishandelingen met/door zijn oom van vaderszijde zijn summier en eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de duur van zijn verblijf in Guinee na zijn vertrek uit zijn woonplaats [woonplaats]. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. Heeft de minister de problemen van eiser met zijn oom van vaderzijde terecht ongeloofwaardig geacht? 5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn problemen met zijn oom ongeloofwaardig zijn. Ten aanzien van de tegenwerping van de minister dat eisers verklaringen over de verantwoordelijkheid van zijn oom voor het overlijden van zijn vader zijn gebaseerd op vermoedens die hij niet aannemelijk heeft gemaakt, voert eiser het volgende aan. De problemen met zijn oom zijn ontstaan nadat zijn vader in 2020 is overleden en volgens eiser is de oorzaak van het overlijden niet relevant voor de beoordeling van zijn asielrelaas. Volgens eiser kan hij, gelet op zijn minderjarigheid, geen bewijsstukken overleggen ten aanzien van het overlijden van zijn vader en doet hij daarom een beroep op bewijsnood. Ten aanzien van de tegenwerping van de minister dat eiser het startpunt en de duur van de gestelde problemen met zijn oom niet aannemelijk heeft gemaakt voert eiser aan dat het in het aanmeldgehoor genoemde overlijdensjaar 2022 een onjuiste vertaling van de tolk is. Ten aanzien van de overige tegenwerpingen van de minister over dit asielmotief verwijst eiser naar dat wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. 5.2. Het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig zijn. De rechtbank volgt de minister erin dat eisers verklaringen over de verantwoordelijkheid van zijn oom voor het overlijden van zijn vader, zijn gebaseerd op vermoedens die hij niet aannemelijk heeft gemaakt. De verklaring van eiser dat zijn oom betrokken zou zijn geweest bij het overlijden van zijn vader door middel van zwarte magie, is enkel gebaseerd op vermoedens. Uit eisers verklaringen blijkt namelijk dat hij niet zeker weet of zijn oom zwarte magie heeft gebruikt en ook al zou zijn oom zwarte magie hebben gebruikt, dan nog valt niet feitelijk te zeggen dat zijn vader daardoor is overleden. Bovendien heeft eiser ook verklaard dat zijn vader door ziekte is overleden. Dat de oorzaak van het overlijden niet relevant zou zijn, volgt de rechtbank niet. De minister heeft terecht gesteld dat het overlijden van zijn vader het startpunt vormt van de door eiser gestelde problemen met zijn oom en de omstandigheden rondom het overlijden zijn daarom essentieel voor de beoordeling van het asielrelaas. Het beroep van eiser op bewijsnood leidt niet tot een ander oordeel, nu eiser de gestelde betrokkenheid van zijn oom op geen enkele andere wijze heeft onderbouwd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister, in het kader van de tegenwerping dat eiser het startpunt en de duur van zijn gestelde problemen met zijn oom niet aannemelijk heeft gemaakt, terecht stelt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van het overlijden van zijn vader. Zo heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat zijn vader eind 2022 is overleden, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat zijn vader eind 2020 is overleden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van een onjuiste vertaling door de tolk. Tijdens het gehoor is namelijk gebruikgemaakt van een registertolk en eiser heeft niet aangegeven dat hij de tolk niet kon begrijpen. Hoewel eiser zijn verklaring later heeft gecorrigeerd, heeft hij niet uitgelegd hoe deze vergissing is ontstaan. Van eiser mag, ook gelet op zijn referentiekader, worden verwacht dat hij over voor hem belangrijke jaartallen en gebeurtenissen consistent kan verklaren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 5.3. Eiser heeft in beroep ten aanzien van de overige tegenwerpingen van de minister verwezen naar de zienswijze. De rechtbank overweegt dat deze enkele verwijzing, zonder nadere toelichting op welke concrete punten de reactie van de minister daarop in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om ten aanzien van deze tegenwerpingen af te wijken van het standpunt van de minister. Had de minister aan eiser een buitenschuldvergunning moeten verlenen? 6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning. Hij voert aan dat eerst onderzoek moet worden gedaan naar de concrete opvangmogelijkheden in Guinee. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). 6.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiser op dit moment niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid, omdat het onderzoek naar adequate opvang in Guinee nog niet is afgerond. Anders dan eiser betoogt, volgt volgens de rechtbank uit het bestreden besluit niet dat eiser definitief niet in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning. De minister heeft slechts een voorlopige conclusie ingenomen. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.I.S. Pruijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Nader gehoor, p. 24. Aanmeldgehoor p. 9. Nader gehoor, p. 8. Aanmeldgehoor, p. 9 en nader gehoor, p. 11. Aanmeldgehoor, p. 2 en p. 13. ABRvS 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3033.