ECLI:NL:RBDHA:2026:20182
Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Somalië; MedTadvies; referentiekader; problemen vanwege de uithuwelijking ongeloofwaardig; ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48145 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. M.F. van den Brink), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. C.R. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 8 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft op 11 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag. De minister heeft vervolgens met het bestreden besluit van 16 januari 2026 de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiseres tegen het niet-tijdig beslissen heeft daarom mede betrekking op dat alsnog genomen besluit. Eiseres heeft laten weten dat zij het niet eens is met het besluit op zijn asielaanvraag en heeft beroepsgronden tegen dat besluit ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiseres nog een belang bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen? 3. De minister heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiseres genomen. Het is de rechtbank daarom niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet-tijdig beslissen. Eiseres heeft dit in haar beroepschrift ook erkend. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Wel zal de rechtbank voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit de minister in de proceskosten van eiseres veroordelen. Met het alsnog nemen van een besluit is de minister namelijk wel aan eiseres tegemoetgekomen en tevens is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het asielrelaas 4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. Zij is door haar oom uitgehuwelijkt aan een man van Al Shabaab, genaamd [persoon A]. [persoon A] heeft haar mishandeld en in haar gezicht gesneden, waarna zij bij hem is weggelopen. Toen zij vervolgens in Mogadishu verbleef, heeft haar oom de scheiding geregeld. Na de scheiding is zij bedreigd door [persoon A] en heeft zij Somalië verlaten. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen vanwege de uithuwelijking. 5.1. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Eiseres heeft geen documenten overgelegd die dit asielmotief onderbouwen, maar de minister gaat uit van de gegevens die eiseres heeft opgegeven. De minister acht de problemen vanwege de uithuwelijking niet geloofwaardig. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dit is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiseres op grond van haar nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is. Mocht de minister uitgaan van het advies van MedTadvies? 6. Eiseres betoogt dat het advies van MedTadvies, waaruit volgt dat zij zonder beperkingen kon worden gehoord, onvoldoende inzichtelijk is. Volgens eiseres kan niet worden gecontroleerd of al haar medische omstandigheden, waaronder haar geheugenverlies, medicijngebruik en epilepsie, zijn betrokken bij de totstandkoming van dit advies. Zij verwijst naar haar overgelegde medische stukken waaruit blijkt dat sprake is van een infectie in haar hersenen, dat zij opgenomen is geweest vanwege epileptische aanvallen en dat zij structurele hersenschade heeft als gevolg van een abces. De conclusie in het MedTadvies dat eiseres voor haar medische problemen wordt behandeld en dat daarom voor het horen geen beperking wordt aangenomen, deugt niet. Daar komt volgens eiseres bij dat het advies ten tijde van het nader gehoor al een jaar oud was. Eiseres voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en opnieuw een medisch expert had moeten raadplegen. 6.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister ervan mag uitgaan dat een advies van een medisch deskundige voldoet aan de eisen van deskundigheid en zorgvuldigheid. Wel moet de minister zich er altijd van vergewissen dat het advies daadwerkelijk zorgvuldig tot stand is gekomen en de inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien de vreemdeling na het uitbrengen van het advies, maar voorafgaand aan het afnemen van het gehoor, medische informatie overlegd die bij het opstellen van het advies niet bekend was, vereist de zorgvuldigheid dat de minister onderzoekt wat deze nieuwe informatie betekent voor het horen van de vreemdeling en zo nodig de medisch deskundige opnieuw raadpleegt. Daarnaast moet de gehoorambtenaar tijdens het horen alert zijn op signalen dat de vreemdeling niet in staat is zijn of haar asielrelaas naar voren te brengen of vragen daarover te beantwoorden en bij twijfel de vreemdeling verwijzen voor nader medisch onderzoek. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van het advies van MedTadvies en ziet geen aanknopingspunten dat de minister niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. De rechtbank stelt vast dat eiseres voorafgaand aan het nader gehoor geen medische informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat zij lijdt aan geheugenverlies of medische problemen heeft die van invloed zijn op haar manier van verklaren. De door eiseres in beroep overgelegde medische stukken waren ten tijde van het opstellen van het advies en het afnemen van het gehoor dan ook niet bij de minister bekend. Deze stukken kunnen daarom geen aanleiding vormen voor het oordeel dat de minister voorafgaand aan het nader gehoor nader medisch onderzoek had moeten doen. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken in beroep weliswaar volgt dat eiseres wordt behandeld voor een hersenabces en medicijnen gebruikt voor haar epilepsie, maar zoals de minister terecht stelt uit deze overgelegde stukken niet blijkt dat er als gevolg hiervan sprake is van geheugenverlies bij eiseres en/of dat dit eiseres beperkt in het afleggen van verklaringen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres met deze stukken ook geen andersluidend advies heeft overgelegd dat concrete twijfel oproept over het advies van MedTadvies. Ook om deze reden had de minister ook op een later moment geen nader medisch onderzoek hoeven vragen. 6.3. Dat de conclusie van het MedTadvies, namelijk dat eiseres voor haar medische problemen wordt behandeld en dat daarom geen beperking voor het horen wordt aangenomen, ongelukkig is geformuleerd, zoals de minister ook heeft erkend op zitting, maakt niet dat het advies niet inzichtelijk is. De kernconclusie is dat eiseres zonder beperkingen kon worden gehoord. Dat het advies ten tijde van het nader gehoor ongeveer een jaar oud was, leidt ook niet tot een ander oordeel. Niet is gesteld of gebleken dat de medische situatie van eiseres in de tussentijd was verslechterd. 6.4. Verder acht de rechtbank nog van belang dat eiseres zelf in haar correcties en aanvullingen van het aanmeldgehoor heeft aangegeven tijdens het onderzoek door MedTadvies te hebben gesproken over haar operatie en medicijngebruik. Verder heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard zich, ondanks haar medische problemen, lichamelijk en geestelijk in staat te voelen om het gehoor te kunnen afleggen en de vragen te kunnen beantwoorden. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt verder ook niet dat eiseres de vragen niet heeft begrepen of dat eiseres dusdanig vaag heeft verklaard dat moet worden aangenomen dat zij niet in staat zou zijn om gehoord te worden. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres? 7. Eiseres betoogt dat de minister tijdens de gehoren en de besluitvorming onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Volgens eiseres wordt in het bestreden besluit vermeld dat daarmee rekening wordt gehouden, maar is niet duidelijk hoe daarmee rekening is gehouden. Eiseres voert aan dat de minister moet motiveren hoe haar lage scholing, de culturele achtergrond en de twijfels over haar geheugen zijn meegewogen in het geloofwaardigheidsoordeel. Verder voert eiseres aan dat haar verschillende inconsistenties worden tegengeworpen in de data die zij heeft genoemd, terwijl is aangegeven dat niet van haar verwacht wordt dat zij exacte data kan noemen. 7.1. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. Dat het referentiekader niet expliciet is beschreven in het voornemen, betekent niet dat daar geen rekening mee is gehouden. De minister heeft in de besluitvorming opgenomen dat niet van eiseres verwacht wordt dat zij exacte data kan noemen. Dit is volgens de rechtbank dan ook niet aan haar tegengeworpen, in die zin dat zij precies kan zeggen op welke datum iets is gebeurd. Wel mag de minister van haar verwachten dat zij consistent kan verklaren over de gehele tijdlijn van gebeurtenissen, dus het tijdsverloop en dat deze gebeurtenissen in dezelfde volgorde worden verteld en dat geen inconsistenties plaatsvinden van jaren. Eiseres heeft verder ook niet onderbouwd op welke manier haar lage scholing, culturele achtergrond en de twijfel over haar geheugen onvoldoende zijn meegewogen. Bovendien heeft eiseres, zoals hiervoor overwogen, niet onderbouwd dat zij lijdt aan geheugenverlies en dat dit van invloed is op haar manier van verklaren. De rechtbank verwijst ter volledigheid naar dat wat is overwogen onder 6.2 en verder. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de problemen vanwege de uithuwelijking terecht ongeloofwaardig geacht? 8. De minister stelt zich op het standpunt dat de uithuwelijking van eiseres ongeloofwaardig is. Niet in geschil is dat eiseres haar verklaringen daarover niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarvoor een aantal redenen gegeven die eiseres betwist. De rechtbank bespreekt die hieronder. Eiseres verklaart tegenstrijdig over het tijdsverloop van gebeurtenissen 8.1. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte tegenstrijdigheden en inconsistenties in data en tijdsverloop van gebeurtenissen tegenwerpt. Volgens eiseres heeft zij meerdere keren aangegeven data niet te weten en onzeker te zijn over het tijdsverloop, waardoor niet van haar kan worden verwacht dat zij voor zichzelf een compleet beeld heeft. Bovendien heeft zij in de correcties en aanvullingen bepaalde delen van het tijdsverloop genuanceerd, waardoor de verschillen volgens eiseres klein zijn en niet als tegenstrijdigheden, maar hooguit als wisselende verklaringen, moeten worden gezien. 8.2. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. 8.2.1. Het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres tegenstijdig heeft verklaard over het tijdsverloop van gebeurtenissen. In het aanmeldgehoor heeft eiseres verklaard dat zij in 2020 is getrouwd, in januari 2023 is gescheiden en in april 2023 Somalië heeft verlaten, en dat zij van mei 2020 tot februari 2023 in Mogadishu heeft gewoond. Hieruit volgt een tijdsverloop van ongeveer drie jaar. In het nader gehoor heeft eiseres vervolgens verklaard de huwelijksdatum niet precies te weten en in te schatten dat het in 2022 was, wat een korter tijdsbestek zou betekenen. Eiseres heeft voorts tegenstrijdig verklaard over waar en wanneer zij heeft verbleven in Mogadishu. Over het verblijf in Mogadishu heeft eiseres in het aanmeldgehoor verklaard dat zij eerst bij een vriendin van haar moeder is verbleven en de laatste maand voor haar vertrek bij een (eigen) getrouwde vriendin te hebben gewoond. In het nader gehoor heeft eiseres echter verklaard dat zij één maand bij een vriendin van haar moeder heeft gewoond en daarna bij de vrouw bij wie zij in het huishouden werkte. Ook heeft eiseres verklaard haar laatste werkdag in april 2023 gehad te hebben, terwijl zij ook heeft verklaard tot februari 2023 in Mogadishu te hebben gewoond. De rechtbank acht bij deze tegenstrijdigheden van belang dat eiseres haar verklaringen in het aanmeldgehoor niet heeft gecorrigeerd. Eiseres verklaart tegenstrijdig over haar verblijf bij [persoon A] en hoe hij weet dat eiseres zou vluchten. 8.3. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar verblijf bij [persoon A] en over hoe hij wist dat zij wilde vluchten. Zij voert aan dat zij in het politiegehoor niet heeft bedoeld dat zij in huis gevangen werd gehouden, maar dat zij tegen haar wil in met hem was getrouwd en in zijn huis moest verblijven, waar zij wel overdag naar buiten kon als hij niet thuis was. Daar komt volgens eiseres bij dat het politiegehoor niet bedoeld is voor het afleggen van het asielrelaas, en verklaringen daaruit alleen in samenhang met andere verklaringen mogen worden meegenomen. Eiseres voert aan dat zij haar eerdere verklaringen heeft genuanceerd en dat zij destijds nog geen advocaat had. Over de kennis van [persoon A] van haar vlucht voert eiseres aan zij ervan uitgaat dat hij dit via-via heeft gehoord. 8.4. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over haar verblijf bij [persoon A]. Eiseres heeft in het politieverhoor verklaard dat zij twee weken bij hem heeft gewoond. In het aanmeld- en nader gehoor heeft eiseres verklaard dat het om ongeveer vijf dagen tot een week ging. Deze verklaring bij de politie is in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen van eiseres bekeken, waardoor deze verklaring dan ook mag worden betrokken bij de beoordeling. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over hoe [persoon A] wist dat zij wilde vluchten. Zo heeft zij enerzijds verklaard dat de vrouw bij wie eiseres woonde het heeft doorverteld en het zo bij hem terechtkwam, maar anderzijds dat zij niet weet hoe [persoon A] erachter is gekomen. Eiseres verklaart vaag en tegenstrijdig over de scheiding 8.5. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de scheiding van [persoon A]. Eisers erkent dat zij weliswaar meerdere verschillende verklaringen heeft afgelegd, maar voert aan dat zij daarmee juist steeds meer duidelijkheid over de scheiding heeft gegeven. In eerste instantie wilde [persoon A] ook niet scheiden, maar uiteindelijk heeft hij toch de scheiding uitgesproken. De oom van eiseres heeft daarbij geholpen. 8.6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de scheiding van [persoon A]. In het aanmeldgehoor heeft zij verklaard dat [persoon A] in eerste instantie niet wilde scheiden, maar een aantal jaar later toch de scheiding heeft uitgesproken. Daarnaast is in het nader gehoor aan eiseres gevraagd waarom zij niet eerder van [persoon A] is gescheiden, waarna zij heeft verklaard dat zij toen geen contact had met haar oom en ook niet echt op een plek woonde. Toen eiseres is gevraagd wat dat met de scheiding te maken had, heeft eiseres verklaard dat niet te weten maar toen wel de mogelijkheid heeft gekregen. In de correcties en aanvullingen vult eiseres vervolgens aan dat zij toen pas de mogelijkheid heeft gekregen, omdat zij toen een telefoon had om haar oom te bellen. De rechtbank volgt de minister dat sprake is van verschillende verklaringen en dat eiseres niet heeft onderbouwd waarom zij niet eerder heeft verklaard over die telefoon. Eiseres verklaart vaag over het telefoongesprek met [persoon A] 8.7. Eiseres voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij vaag heeft verklaard over het telefoongesprek met [persoon A]. Eiseres voert aan dat niet duidelijk is wat van haar verwacht wordt over het ontschoten telefoongesprek. Eiseres erkent dat zij vaag kan zijn geweest, maar voert aan echt niet meer te herinneren. Daarnaast voert zij aan dat zij moeilijk de gedachtegang van [persoon A] kan verklaren over waarom hij eiseres pas na de scheiding is gaan bedreigen. 8.8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres vaag heeft verklaard over het telefoongesprek met [persoon A]. Zo heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard dat [persoon A] haar na de scheiding in januari 2023 telefonisch heeft bedreigd met dat er geen andere man in haar leven zou komen. Later geeft eiseres in dat gehoor aan dat zij zoiets niet gezegd zou hebben, om vervolgens weer te verklaren dat zij dit wel heeft gedaan. Daarnaast kan eiseres het telefoongesprek weinig concreet duiden, zoals wat [persoon A] tegen haar aan de telefoon zou hebben gezegd, en heeft zij niet onderbouwd waarom juist dit onderdeel haar is ontschoten. Eiseres kan vervolgens wel verklaren dat [persoon A] het telefoonnummer van haar oom heeft gekregen en dat hij dit tegen haar heeft gezegd. Niet valt in te zien dat eiseres zich dit onderdeel wel specifiek weet te herinneren. Van eiseres mag worden verwacht dat zij uitgebreider en gedetailleerder over haar telefoongesprek met [persoon A] kan verklaren, nu dit een essentieel onderdeel is van haar asielrelaas aangezien eiseres heeft verklaard dat zij vanwege dit dreigement Somalië heeft verlaten. Conclusie 8.9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de problemen naar aanleiding van de uithuwelijking van eiseres ongeloofwaardig is. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is, voor zover het zich richt tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Het beroep is, voor zover het zich richt tegen het besluit van 16 januari 2026, ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. 9.1. Eiseres krijgt wel een vergoeding van haar proceskosten in het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Daarom wordt een bedrag van € 467 toegekend aan proceskosten van eiseres omdat een beroepschrift is ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank is van oordeel dat die zaak licht van gewicht is, omdat die zaak alleen zou gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, zodat een half punt wordt toegekend. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, zover dat is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op de asielaanvraag, niet ontvankelijk; verklaart het beroep, zover dat is gericht tegen het besluit van 16 januari 2026, ongegrond; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.I.S. Pruijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dat staat in artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000,zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Eiseres wijst op de Werkinstructie 2021/12 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in asielprocedure’, waaruit volgt dat de minister bij twijfel of een vreemdeling kan worden gehoord, terwijl uit het medisch advies blijkt dat dit in beginsel mogelijk is, opnieuw de medisch adviseur om advies moet vragen. Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 juni 2028, ECLI:NL:RVS:2018:2084 en ABRvS 29 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3514. Volgens artikel 3:2 van de Awb. ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Verslag aanmeldgehoor, p. 5 en p. 6. Verslag aanmeldgehoor, p. 5. Verslag nader gehoor, p. 14. Verslag aanmeldgehoor, p. 8. Rechtbank Den Haag, zp. Groningen, 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12305. Proces verbaal van verhoor (HV12) van 8 december 2023, p. 2. ABRvS 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459, r.o. 2.1.1. Verslag nader gehoor, p. 13 en 14. Verslag aanmeldgehoor, p. 9. Verslag nader gehoor, p. 19. Verslag nader gehoor, p. 19. Verslag nader gehoor, p. 8. Verslag nader gehoor, p. 19.