← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20174

Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.62574
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
18.503 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Nigeria, referentiekader, geloofwaardigheid problemen, problemen met ex-echtgenoot, humanitair tijdelijk, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.62574 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres mede namens haar minderjarige kinderen [naam kind 1], v-nummer: [nummer 2] en [naam kind 2], v-nummer: [nummer 3] (gemachtigde: mr. L.I. Siers), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres en het tweede asielmotief van eiseres terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft verder voldoende gemotiveerd dat de eerdere problemen met de ex-man van eiseres onvoldoende zwaarwegend zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres komt uit Nigeria. De vader van eiseres is vermoord vanwege een ruzie over de (ver)koop van een stuk grond. Eiseres is hiervan getuige geweest. Na deze moord hebben de familieleden van eiseres ook problemen ondervonden van de degene die de vader van eiseres hebben vermoord. Later zijn de twee broers en één zus van eiseres ook vermoord. In 2022 zijn degenen die dit gedaan hebben naar het huis van eiseres gekomen. Eiseres was op dat moment niet thuis, maar deze mensen hebben alles vernield. Eiseres is toen vertrokken naar Qatar, waar haar (inmiddels ex-) man verbleef en werkte. Vanwege problemen met haar ex-man is eiseres vervolgens ook uit Qatar vertrokken. Eiseres vreest dat zij bij terugkeer naar Nigeria vermoord zal worden door de personen die haar familieleden hebben vermoord en zij vreest voor haar ex-man. Daarnaast is eiseres bekeerd tot het christendom en loopt zij ook om deze reden gevaar in Nigeria. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen vanwege conflict over stuk land; 3. problemen met ex-man; 4. problemen met familie vanwege bekering. De minister acht het eerste, derde en vierde asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief is niet geloofwaardig geacht. Eiseres heeft haar asielrelaas namelijk niet voldoende onderbouwd met objectieve documenten. Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres volgens de minister namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel waarmee niet voldaan is aan artikel 31, zesde lid, en onder c, van de Vw 2000. Daarbij heeft de minister eiseres tegengeworpen dat de verklaringen van eiseres over de (ver)koop van het stuk land vaag zijn, zij niet concreet heeft kunnen maken voor wie zij daadwerkelijk vreest, zij geen navraag heeft gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot de moorden op de familieleden van eiseres, haar verklaringen over de gebeurtenissen ongerijmd zijn en de inbraak in het huis van eiseres en de aanval op haar moeder gebaseerd zijn op aannames. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Het enkele feit dat zij uit Nigeria komt, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast heeft eiseres haar vrees voor vervolging vanwege haar bekering tot het christendom niet aannemelijk gemaakt. De vrees om vermoord te worden door haar ex-man heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt waardoor zij, volgens de minister, geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiseres? 5. Eiseres betoogt dat de minister bij de beoordeling van haar aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Al in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor is namelijk aangegeven dat eiseres laag intelligent overkomt en dit heeft invloed op wat van haar verwacht mag worden qua verklaringen. In het nader gehoor zijn ook aanknopingspunten te vinden voor het laagintelligent overkomen. De hoormederwerker heeft namelijk veel moeten doorvragen voordat eiseres de vraag begreep en antwoord kon geven. Om deze reden is eiseres minder in staat om samenhangend te verklaren en kan haar asielrelaas minder snel ongeloofwaardig worden geacht op grond van artikel 31, zesde lid, en onder c, van de Vw 2000. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het besluit voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat zij laagintelligent is, heeft de minister er terecht op gewezen dat eiseres dat niet heeft onderbouwd. Daarbij komt dat zowel uit het aanmeldgehoor als uit het nader gehoor blijkt dat eiseres van 2015 tot 2017/2018 heeft gestudeerd aan de universiteit. Verder wijst de minister op het medisch advies. Daaruit blijkt dat eiseres medisch-psychische klachten heeft waarvoor zij medicatie gebruikt en onder behandeling staat, maar dat deze klachten niet van invloed zijn op het gehoor. Daarnaast heeft eiseres tijdens het nader gehoor verklaard dat zij niet meer onder medische behandeling staat van een psycholoog en dat er medisch gezien niets meer aan de hand is, los van het feit dat eiseres af en toe last heeft van haar rug. Dit beeld blijkt ook uit de medische informatie. Verder blijkt nergens uit het gehoor dat eiseres niet in staat was om voldoende te verklaren, of dat zij de tolk niet begreep. Mocht de minister het tweede asielmotief ongeloofwaardig achten? 6. Eiseres betoogt dat de minister de problemen vanwege de getuige op de moord van de vader van eiseres vanwege een stuk land en de dreigingen van de familie en haarzelf vanwege dit stuk land ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Hiertoe voert eiseres een aantal argumenten aan die hieronder apart besproken zullen worden. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres haar asielrelaas niet volledig heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a in Werkinstructie (WI) 2024/6) en dat de minister het asielrelaas van eiseres verder heeft beoordeeld in stap 2b, inhoudende de beoordeling van de vraag of eiser het voordeel van de twijfel moet krijgen, waarbij de overgelegde documenten en verklaringen van eiseres zijn betrokken. Documenten 6.2. Eiseres betoogt allereerst dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan de overgelegde documenten, namelijk: aangifte van de moord op haar vader van 19 juli 2025, aangifte van de inbraak van 10 juli 2022, aangifte van de aanval op moeder en de bedreiging van 13 juni 2023 en de overlijdensakte van vader. Dat de aangiftes zijn opgesteld op basis van de verklaringen van eiseres, maakt niet dat deze documenten helemaal geen bewijswaarde hebben. Daarnaast blijkt dat ook eigen vaststellingen van de politie die ten grondslag liggen aan de aangiftes. De documenten zijn ten onrechte niet onderzocht en niet in positieve zin betrokken bij de beoordeling. Daarbij komt dat in geval van eiseres de documenten des te belangrijker zijn, omdat zij vanwege haar referentiekader niet goed kan verklaren. 6.3. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de documenten het asielmotief van eiseres onvoldoende onderbouwen. Uit onderzoek van Bureau Documenten (BD) blijkt namelijk dat de aangiftes met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt zijn. De overlijdensakte is volgens BD mogelijk niet bevoegd opgemaakt. Om deze reden kunnen aan de documenten onvoldoende waarde worden toegekend. Daarbij komt dat uit de overlijdensakte enkel kan worden vastgesteld dat de vader van eiseres is overleden. Deze akte zegt niets over de doodsoorzaak van het overlijden. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat aan de aangiftes ook vaststellingen van de politie ten grondslag liggen, wijst de minister er terecht op dat niet duidelijk is welke feiten precies door de politie worden aangenomen. Er blijkt enkel dat de politie op het plaats delict is geweest, daar foto’s heeft gemaakt en dat de zaak onderzocht zal worden. Er blijkt dus niet dat het onderzoek al is afgerond en de politie heeft geconcludeerd dat het misdrijf, zoals eiseres heeft gesteld, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het argument van eiseres over het referentiekader, wijst de rechtbank terug naar dat wat zij heeft overwogen onder 5.1. Verklaringen 6.4. Eiseres betoogt verder dat de minister ten onrechte niet alle verklaringen heeft betrokken bij de geloofwaardigheid van dit asielmotief. In het besluit is namelijk niet bestreden dat de vader, broer en zus van eiseres zijn vermoord, dat eiseres getuige is geweest van de moord op haar vader en dat navraag naar haar is gedaan. Gelet hierop is aannemelijk dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van degene die haar vader hebben vermoord. Zij hebben namelijk gezien dat eiseres hiervan getuige was. Eiseres betoogt verder dat de minister haar verklaringen ten onrechte vaag en/of ongerijmd heeft gevonden en ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres niet concreet heeft gemaakt voor wie zij vreest en dat zij geen navraag heeft gedaan naar de stand van zaken van het onderzoek naar de moorden op haar familieleden. Hierbij is het referentiekader van eiseres van belang, waarbij past dat zij pas na doorvragen begrijpt wat de vraag is. Verder is van belang dat eiseres sinds haar huwelijk in 2012 nauwelijks contact heeft met haar familie waardoor zij ook niet meer kán verklaren over de problemen naar aanleiding van de koop van het stuk land. Eiseres heeft dus verklaard waarvan zij zelf getuige is geweest. Hoewel eiseres begrijpt dat het voor de minister logisch is dat zij navraag zou doen, meent eiseres dat het niet doen van navraag haar problemen niet ongeloofwaardig maken. Tot slot betwist eiseres niet dat de verklaringen over de inbraak in het huis en de aanval van de moeder van eiseres gebaseerd is op aannames, maar volgens eiseres moeten deze vermoedens wel plausibel worden geacht. 6.5. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. 6.6. Voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen onvoldoende de problemen vanwege getuige op moord vader aannemelijk heeft gemaakt. De gemachtigde van de minister heeft daarbij tijdens de zitting toegelicht dat, anders dan eiseres stelt, wel alle verklaringen zijn betrokken en dat enkel geloofwaardig is dat de vader van eiseres is overleden. Echter is wel betwist dat hij zou zijn vermoord en de aanleiding daarvan is ook niet geloofwaardig geacht. De rechtbank volgt deze toelichting. Verder stelt de minister terecht dat eiseres vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over de (ver)koop van het stuk land. Zij verklaart namelijk eerst dat haar vader het landgoed van de gemeenschap heeft gekocht en later dat hij dat van een familie zou hebben gekocht. Uit de antwoorden blijkt verder niet dat eiseres de vragen niet goed heeft begrepen. Ook heeft de minister terecht gesteld dat het aan eiseres is om haar vrees aannemelijk te maken. Dat heeft eiseres met haar verklaringen niet gedaan. Dit mag echter wel van haar verwacht worden, omdat het conflict over het stuk land de kern van haar asielrelaas is. Eiseres heeft verder niet concreet gemaakt voor wie zij vreest. Dat eiseres een verslechterde band met haar familie zou hebben, volgt de minister terecht niet. Uit haar verklaringen blijkt namelijk geen verslechterde band met haar vader. Eiseres verklaart namelijk dat zij op bezoek is gegaan bij haar vader en dat hij veel van haar houdt. Om die reden mocht de minister het vreemd vinden dat eiseres niet meer kan verklaren over de aanschaf van de grond. Verder mocht de minister het niet aannemelijk achten dat eiseres in de vijf jaar na de dood van haar vader tot het verliezen van het contact in 2020 niet met haar familie heeft gesproken over de problemen, zeker gelet op het feit dat eiseres steeds moest verhuizen vanwege de problemen. Ook heeft de minister het terecht ongerijmd gevonden vinden dat eiseres stelt dat de familie voor wie zij zou vrezen erg machtig is, maar zij haar niet hebben kunnen vinden toen zij bij haar schoonouders woonde en aan de universiteit studeerde. Gelet op voorgaande heeft de minister ook de aanval op het huis van de moeder van eiseres terecht niet plausibel geacht. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Mocht de minister de problemen van eiseres met haar ex-man onvoldoende zwaarwegend achten? 7. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij geen problemen meer zal hebben met haar ex-man. Hiervoor is onvoldoende dat zij gescheiden zijn. De minister is eraan voorbijgegaan dat binnen het huwelijk veelvuldig huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, waaronder verkrachting. Daarnaast heeft de ex-man van eiseres tot op heden serieuze dreigementen naar haar geuit en ook na de scheiding zal nog een risico van hem uitgaan. Verder heeft eiseres twee kinderen met haar ex-man en zal het recht op omgang niet zomaar ontzegd worden, daardoor zal zij dus contact moeten houden met hem waarmee het risico op geweld blijft bestaan. De minister heeft ook onvoldoende de belangen van de kinderen betrokken. De verklaringen van de oudste zoon van eiseres zijn hierbij niet kenbaar betrokken. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel de minister hierbij niet heeft mogen stellen dat eiseres niet te vrezen heeft voor haar ex-man omdat tussen haar ex-man en hun kinderen geen omgangsregeling zal komen, heeft de minister wel terecht gesteld dat eiseres bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de eerdere problemen met haar ex-man. Hierbij wijst de minister er terecht op dat eiseres en haar ex-man momenteel gescheiden zijn en er geen concrete indicaties zijn waaruit blijkt dat eiseres voor een zodanige behandeling te vrezen heeft van de kant van haar ex-man. Uit de verklaringen van eiseres blijkt namelijk dat haar ex-man op geen enkel moment een poging heeft ondernomen om eiseres opnieuw geweld aan te doen sinds zij gescheiden zijn. Ook is niet gebleken van recente pogingen van haar ex-man om eiseres te vinden dan wel te bereiken. De vrees voor de ex-man van eiseres is dus gebaseerd op een toekomstige onzekere gebeurtenis. Daarbij komt dat eiseres bescherming in kan roepen van de autoriteiten in Nigeria. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij geen bescherming kan krijgen. Daarmee is niet aannemelijk dat zij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank volgt eiseres verder niet in haar betoog dat de verklaringen van haar zoon niet zijn betrokken. De zoon van eiseres heeft namelijk verklaard over het huiselijk geweld en dat is ook geloofwaardig geacht. Had de minister aan eiseres een vergunning humanitair tijdelijk moeten verstrekken? 8. Eiseres betoogt dat de minister aan haar een vergunning humanitair tijdelijk had moeten verstrekken. Zij voldoet namelijk aan de voorwaarden in het beleid, paragraaf B8/2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van huiselijk geweld en geen reële dreiging daarvan. Het is namelijk niet in geschil dat sprake was van ernstig huiselijk geweld binnen de relatie, dat deze bedreigingen zijn voortgezet na verbreking van de relatie en dat het aannemelijk is dat de dreiging zal blijven bestaan omdat eiseres en haar ex-man samen kinderen hebben. Verder wijst eiseres op het landgebonden beleid uit paragraaf C7/25 van de Vc 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026, waaruit volgt dat eiseres geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten voor het huiselijk geweld. Ook de belangen van de kinderen en de impact van het huiselijk geweld op hun leven, is onvoldoende door de minister betrokken. 8.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een vergunning humanitair tijdelijk, omdat de vrees voor huiselijk geweld niet wordt aangenomen. Daarbij verwijst de rechtbank naar dat wat onder 7.1. is geoordeeld. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden in het beleid. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat zij geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.