ECLI:NL:RBDHA:2026:20159
Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel (Bangladesh); geloofwaardigheid homoseksualiteit; vluchtelingschap vanwege toegedichte homoseksualiteit en afvalligheid; ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14090 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.A. Berghuis) en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister vindt de homoseksuele gerichtheid van eiser terecht ongeloofwaardig en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet vanwege zijn afvalligheid van de islam verdragsvluchteling is. De minister mocht de asielaanvraag van eiser daarom afwijzen, wat van rechtswege tot gevolg heeft dat de minister tegen eiser een terugkeerbesluit moet uitvaardigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 21 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 1998. Hij legt in de eerste plaats aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is. Eiser had een relatie met [persoon A], een jongen uit zijn klas. Op enig moment werden zij samen op school betrapt en werd een video van hen gemaakt, die uiteindelijk is getoond aan de ouders van [persoon A]. Daarna is [persoon A] om onbekende oorzaak overleden en heeft eiser problemen gekregen met de ouders van [persoon A], omdat zij hem van de dood van [persoon A] beschuldigden. Verder heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet langer in de islam gelooft (en dus afvallig is) en dat hij kritiek op de islam uit door video’s op YouTube te plaatsen. Bij terugkeer naar Bangladesh vreest eiser voor de ouders van [persoon A] en voor fundamentalisten die zijn homoseksualiteit en zijn afvalligheid van de islam niet accepteren. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven: (1) Identiteit, nationaliteit en herkomst; (2) Seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen; (3) Afvalligheid van de islam. 4.1. De minister stelt zich hierover op het volgende standpunt. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig en vindt ook de afvalligheid van de islam geloofwaardig. De minister vindt de seksuele gerichtheid van eiser echter niet geloofwaardig. Daarom heeft de minister alleen beoordeeld of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst of zijn afvalligheid in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft hij de asielaanvraag afgewezen. Zijn de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen (het tweede asielmotief) ongeloofwaardig? 5. Eiser betoogt dat de minister zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig vindt. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. 5.1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser dit asielmotief niet (volledig) met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd, en eiser heeft dat standpunt niet betwist. De minister heeft daarom aan de hand van de verklaringen van eiser en de andere overgelegde bewijsstukken beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde uit artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals deze gold tot 12 juni 2026). Omdat eiser tegen dat standpunt wel beroepsgronden heeft gericht, zal de beoordeling van de rechtbank zich tot dat standpunt beperken. Nader gehoor niet op juiste wijze verlopen 6. Eiser betoogt dat het nader gehoor met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid niet op juiste wijze is verlopen. In de eerste plaats zijn tijdens het gehoor voornamelijk gesloten vragen gesteld en is eiser niet, zo nodig door middel van het stellen van open vragen, in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas in eigen woorden toe te lichten (het zogenoemde ‘vrije relaas’). Dat is niet alleen in strijd met de werkinstructies van de minister over het nader gehoor en de behandeling van asielaanvragen met een lhbti-motief (waarin expliciet is vermeld dat de vreemdeling een vrij relaas mag doen), maar ook met rechtspraak die er veel waarde aan hecht dat de vreemdeling een vrij relaas mag doen. 6.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het nader gehoor op juiste wijze is verlopen. De rechtbank stelt voorop dat de minister in de WI 2021/13 heeft vastgelegd hoe het nader gehoor verloopt. Uit deze werkinstructie volgt, anders dan eiser betoogt, niet dat de vreemdeling aan het begin van het nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zijn gehele asielrelaas in eigen woorden te vertellen. Uit deze werkinstructie volgt slechts dat de vreemdeling aan het begin van het nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om in eigen woorden te vertellen wat de directe reden(en) van zijn vertrek uit zijn land van herkomst zijn. Omdat aan het begin van het nader gehoor aan eiser is gevraagd wat de directe aanleiding voor zijn vertrek uit Bangladesh was, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat het nader gehoor op dit punt is verlopen in strijd met de WI 2021/13. De rechtbank ziet evenmin reden voor het oordeel dat het nader gehoor is verlopen in strijd met de WI 2019/17, die specifiek gaat over de behandeling van asielaanvragen waarin een lhbti-motief naar voren is gebracht. Hoewel in die werkinstructie is vermeld dat na het “vrije relaas” vooral open vragen moeten worden gesteld, leidt de rechtbank hieruit niet af dat daarmee een ruimere of wezenlijk andere vraagstelling is beoogd dan de vraag aan de vreemdeling om te vertellen wat de directe reden(en) van zijn vertrek zijn. De door eiser aangehaalde rechtspraak geeft tot slot geen reden voor een ander oordeel, omdat deze het betoog van eiser niet ondersteunen. De aangehaalde uitspraak van zittingsplaats Utrecht gaat slechts over welk soort vragen aan een vreemdeling moet worden gesteld en de uitspraak van zittingsplaats Haarlem heeft betrekking op een situatie waarbij de vreemdeling tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk werd gevraagd om zijn verklaringen in te korten, wat in het geval van eiser niet aan de orde is. Geen integrale beoordeling gemaakt 7. Eiser betoogt dat de minister geen integrale beoordeling van de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft gemaakt. In het gehoor en in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft de minister te veel nadruk gelegd op de geloofwaardigheid van de relatie van eiser met [persoon A] en de problemen die daaruit zijn voortgekomen, en niet op de seksuele gerichtheid van eiser in het algemeen – terwijl volgens de WI 2019/17 het zwaartepunt juist moet liggen bij de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling, en het ongeloofwaardig achten van problemen niet vanzelfsprekend leidt tot ongeloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid. Ter illustratie wijst eiser erop dat zo’n 100 vragen zijn gesteld over zijn relatie met [persoon A] en de daaruit volgende problemen, en slechts twintig vragen over de andere aspecten van zijn seksuele gerichtheid, waarbij bovendien nauwelijks is gevraagd naar de persoonlijke ervaringen en gevoelens van eiser. Deze onderwerpen zijn – net als bijvoorbeeld de kennis over de situatie van lhbti’ers in Bangladesh en in Nederland en de vraag hoe de seksuele gerichtheid van eiser samenhangt met zijn afvalligheid – daarom onvoldoende (kenbaar) in de besluitvorming betrokken. 7.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij wel een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. Uit de WI 2019/17 blijkt dat de minister bij de beoordeling van een lhbti-motief een viertal thema’s betrekt en dat het zwaartepunt in het algemeen ligt bij de verklaringen van de vreemdeling over zijn persoonlijke beleving, maar ook dat de vier thema’s niet als een ‘checklist’ moeten worden gezien. De rechtbank leidt hieruit af dat het van het individuele relaas van de vreemdeling afhangt in hoeverre de vier thema’s van belang zijn en in hoeverre hieraan aandacht moet worden besteed in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser heeft verklaard dat hij zich voor het eerst realiseerde op mannen te vallen toen hij veertien jaar was en in de zesde klas zat, en dat [persoon A] een centrale rol in dat ontdekkingsproces speelde. Tegen de achtergrond van deze verklaring stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de ontdekking door eiser van zijn seksuele gerichtheid en zijn relatie met [persoon A] (en de problemen als gevolg daarvan) zodanig met elkaar samenhangen dat deze relatie het zwaartepunt in het asielrelaas van eiser vormt, zodat de minister in het nader gehoor en in de besluitvorming niet nog expliciet apart aandacht had moeten besteden aan het ontdekkingsproces van eiser en de vraag hoe hij het ontdekken van zijn seksuele gerichtheid heeft beleefd. Bovendien zijn de overige thema’s uit de WI 2019/17 (zoals de kennis van eiser over de situatie van lhbti’ers in Bangladesh en Nederland), zoals eiser zelf ook al stelt, niet onderbelicht gebleven en heeft de minister hieraan ook aandacht besteed in het voornemen. Zodoende ziet de rechtbank geen reden om te oordelen dat de minister het asielrelaas van eiser tijdens het nader gehoor en in het bestreden besluit niet integraal heeft benaderd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid van eiser niet uitsluitend heeft laten afhangen van de geloofwaardigheid van de problemen als gevolg van de relatie met [persoon A]. Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c) 8. Eiser betoogt allereerst dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen over (de relatie met) [persoon A] vaag en oppervlakkig zijn. Dat eiser niet precies weet waar [persoon A] woonde, kan hem niet worden tegengeworpen. Het was niet nodig om bij [persoon A] op bezoek te gaan, waardoor eiser daar ook nooit is geweest: eiser en [persoon A] kenden elkaar nog niet zo lang, zij zagen elkaar vooral op school en het huis van eiser bevond zich tegenover de school. Eiser wist alleen dat [persoon A] vijf tot tien minuten lopen van school woonde, en dat heeft hij verklaard. Verder wijst eiser erop dat hij – mede gelet op de jonge leeftijd (veertien jaar) die hij had toen hij [persoon A] leerde kennen – voldoende over [persoon A] heeft verklaard en inzichtelijk heeft gemaakt hoe de gevoelens voor [persoon A] meer waren dan een gewone vriendschap. Eiser heeft immers (onder andere) uitgelegd dat [persoon A] er leuk uitzag en dat [persoon A] hem begreep, en dat hij een warm gevoel van [persoon A] kreeg. Deze omschrijving past bij de gevoelens en de leefwereld van een veertienjarige, zodat de minister niet méér verklaringen van eiser mag verwachten. Daar komt nog bij dat de minister niet heeft onderkend dat eiser uit een cultuur en/of gezin komt waarbinnen niet over gevoelens wordt gepraat, dat eiser jong was toen hij zijn homoseksuele gevoelens ontdekte, dat hij geen hoge opleiding heeft genoten, dat hij getraumatiseerd is geraakt en dat hij over zijn gevoelens niet is gehoord tijdens het nader gehoor. 8.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de verklaringen van eiser over (zijn relatie met) [persoon A] vaag en oppervlakkig zijn. Eiser heeft over [persoon A] niet veel meer verklaard dan dat hij lang, mooi en dapper was en dat hij het leuk vond om tijd met [persoon A] door te brengen. De rechtbank volgt de minister in zijn tegenwerping dat dit te oppervlakkig is, temeer omdat deze relatie met [persoon A] het eerste moment dat eiser gevoelens kreeg voor een man en aan deze gevoelens uiting gaf. Waarom niet van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerder verklaart (al dan niet vanwege zijn referentiekader), valt niet in te zien. De minister heeft immers niet alleen tegengeworpen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat hij voor [persoon A] voelde, maar ook in hoe [persoon A] eruit zag en wat hij samen met [persoon A] deed. Niet valt in te zien dat de jonge leeftijd van eiser ten tijde van de relatie en zijn culturele achtergrond er voor hem aan in de weg staan om daar als volwassen man in het nader gehoor uitvoeriger over te verklaren. Verder werpt de minister terecht tegen dat eiser vaag heeft verklaard over de woonafstand tussen zijn huis en het huis van [persoon A]. De minister heeft, anders dan eiser betoogt, niet tegengeworpen dat onlogisch is dat hij nooit bij [persoon A] thuis is geweest. De minister heeft tegengeworpen dat eiser aan de ene kant verklaart dat hij iedereen in zijn wijk weet te wonen, terwijl hij later stelt dat hij slechts bij benadering aan kan geven waar [persoon A] woont (omdat hij daar nooit is geweest). Deze verklaringen zijn niet met elkaar in lijn, zodat de rechtbank de minister in die tegenwerping volgt. 9. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij niet inzichtelijk maakt waarom hij zijn seksuele gerichtheid in Bangladesh op openbare plekken uitte. Eiser heeft zich slechts geuit op plekken waarvan hij dacht dat niemand hen zag. Bovendien heeft de minister niet onderkend dat eiser minderjarig was toen hij zich uitte, waardoor niet valt in te zien waarom hij zich door zijn verstand had moeten laten leiden in plaats van door zijn gevoelens. 9.1. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zijn seksuele gerichtheid op openbare plekken uitte. Hoewel eiser minderjarig was toen hij ontdekte dat hij homoseksueel is, was hij zich er op dat moment al van bewust dat hij voor het openbaar uiten van zijn seksuele gerichtheid een forse straf kon krijgen, waardoor hij zijn gerichtheid en zijn relatie geheim hield. Gelet op dat inzicht valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom eiser op school en op straat fysiek (en seksueel getint) contact met [persoon A] had, en mag van eiser worden verwacht dat hij dat uitlegt. Met de enkele stelling dat hij dacht dat er niemand in de buurt was, heeft eiser dat niet gedaan. Daaruit blijkt immers niet waarom eiser ondanks zijn voorzichtigheid toch het risico nam om samen met [persoon A] in het openbaar betrapt te worden. 10. Eiser betoogt verder dat hij niet wisselend heeft verklaard over de tijdlijn van de gebeurtenissen in zijn relaas. Deze vermeende wisselende verklaringen zijn veroorzaakt door de wijze waarop het nader gehoor is verlopen. Eiser rekende erop dat hij eerst zijn vrije relaas mocht doen en dat hij aan de hand daarvan vragen moest beantwoorden, maar werd erdoor overvallen dat hem meteen vragen (zonder enige context) werden gesteld. Als gevolg hiervan zijn vragen door eiser anders geïnterpreteerd dan de hoormedewerker ze heeft bedoeld, zoals bij de vraag hoe lang eiser een relatie met [persoon A] had. Afhankelijk van de vraag of hiermee de vriendschappelijke of fysieke relatie wordt bedoeld, kan dat verschillende antwoorden opleveren. Dat eiser in Duitsland al een asielprocedure had doorlopen, doet volgens hem niet ter zake. Los nog van de vraag of eiser dit asielrelaas in Duitsland naar voren heeft gebracht, mag de minister niet aannemen dat de Duitse asielprocedure op dezelfde wijze is ingericht als de Nederlandse. Daarnaast ziet eiser niet in dat de minister, zoals hij stelt, op dit punt rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. 10.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over de tijdlijn van de gebeurtenissen in zijn relaas. Eiser heeft tijdens het nader gehoor in eerste instantie verklaard dat zijn problemen in Bangladesh (waarschijnlijk) een maand hebben geduurd. Later verklaart eiser dat de relatie met [persoon A] (het beginpunt van zijn problemen) is begonnen in de nacht van het festival, dat hij de volgende dag op school met [persoon A] is betrapt en dat hij de dag daarna met de hulp van een leraar en een reisagent is vertrokken. Op basis van deze verklaringen zouden de problemen van eiser slechts enkele dagen hebben geduurd. Die verklaringen zijn niet met elkaar in lijn. Dat dit te wijten is aan de wijze van vraagstelling in het nader gehoor, volgt de rechtbank niet. Zij heeft onder 6.1 immers geoordeeld dat het nader gehoor op juiste wijze is verlopen en uit het verslag van het nader gehoor blijkt ook niet dat eiser moeite had om de vraagstelling van de hoormedewerker te begrijpen of dat hij deze vraagstelling anders heeft geïnterpreteerd dan bedoeld. De vraag of in dit verband relevant is dat eiser (ook) in Duitsland een asielprocedure heeft doorlopen en of de minister dat mocht tegenwerpen, kan daarom onbesproken blijven. 11. Eiser betoogt verder dat hij niet onlogisch heeft verklaard over de problemen die hij heeft gehad na het uitlekken van de video met [persoon A]. Eiser wijst erop dat hij na het uitlekken van de video is mishandeld, en dat hij naar een docent op zijn school is gegaan om hulp te vragen. De minister neemt aan dat eiser een normale dag op school heeft kunnen doorbrengen en dat alle ouders en families op dezelfde manier reageren, maar eiser zet daar tegenover dat eerwraak zich op verschillende manieren kan uiten. 11.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het niet voor de hand ligt dat eiser – afgezien van de mishandeling door zijn ouders – geen problemen heeft gehad als gevolg van het uitlekken van de video waarop hij met [persoon A] zoent en dat hij de volgende dag ‘gewoon’ naar school heeft kunnen gaan. Eiser heeft immers verklaard dat in Bangladesh streng wordt omgegaan met mensen uit de lhbti-gemeenschap, dat iedereen in de buurt en op school kennis had van de uitgelekte video, dat [persoon A] (misschien) vanwege deze video is gedood, en dat zijn ouders hadden gedreigd om hem naar een Koranschool te sturen. Gelet op deze verklaringen van eiser valt, zelfs als de rechtbank daarbij betrekt dat eerwraak zich op verschillende manieren kan uiten (wat daar overigens ook van zij), zonder nadere toelichting niet in te zien waarom de ouders van eiser hem de volgende dag naar school hebben laten gaan en waarom eiser niet méér problemen heeft ondervonden dan een mishandeling en het dreigement om hem naar de Koranschool te sturen. 12. Eiser betoogt tot slot dat van belang is dat hij zich in het dagelijks leven als lhbti’er uit en dat hij kennis heeft van de situatie van lhbti’ers in Bangladesh en in Nederland. Eiser heeft bij de zienswijze schermafbeeldingen van zijn Grindr-profiel overgelegd en de minister is daar ten onrechte aan voorbijgegaan. Het valt betwisten dat deze schermafbeeldingen (seksueel) expliciete inhoud zouden hebben, maar los daarvan is het van belang dat eiser een jaar actief is op een datingapp voor homoseksuele mannen, juist omdat heteroseksuele mannen daar niets te zoeken hebben. Tijdens het nader gehoor is daarover ook niets gevraagd. Verder heeft eiser erop gewezen dat hij rapporten heeft verzameld over de situatie van lhbti’ers in Bangladesh. In zijn aanvullende verklaring van 1 juni 2026 heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat hij heeft deelgenomen aan activiteiten van de Rotterdamse afdeling van het COC (waarvan eiser ook een verklaring heeft overgelegd) en dat hij afspraken heeft gemaakt bij de GGD voor onder andere soa-testen en preventieve medicatie tegen hiv. 12.1. Dit betoog slaagt niet. De minister had aan de kennis van eiser over de situatie van lhbti’ers in Bangladesh en Nederland en zijn uitingen in het dagelijks leven niet de waarde hoeven toe te kennen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. De minister wijst er allereerst terecht op dat het iedereen vrijstaat om aan bijeenkomsten van het COC deel te nemen en een profiel op Grindr aan te maken (en vervolgens contact met andere gebruikers te zoeken), zodat hieraan ter onderbouwing van de homoseksuele gerichtheid van eiser slechts een geringe waarde toekomt. Het valt daarom ook niet in te zien waarom de minister daarover vragen had moeten stellen tijdens het nader gehoor. Dat geldt ook voor het verzamelen van rapporten over de situatie van lhbti’ers in Bangladesh en Nederland en voor het maken van afspraken bij de GGD – ook dat is niet noodzakelijkerwijs voorbehouden aan homoseksuele mannen, en heeft daarom slechts een beperkte waarde in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Voor het overige behelst de aanvullende verklaring van eiser van 1 juni 2026 slechts een herhaling van wat eiser al in het nader gehoor en in de beroepsgronden naar voren had gebracht, zodat deze verklaring niet leidt tot een ander oordeel. Voor zover eiser tot slot nog heeft gewezen op een Instagram-bericht van LGBT Asylum Support, heeft eiser niet uitgelegd wat hij met die verwijzing beoogt, zodat de rechtbank aan die verwijzing voorbijgaat. Conclusie over deze beroepsgrond 13. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Is eiser verdragsvluchteling? 14. Eiser betoogt dat hij verdragsvluchteling is, omdat hij homoseksueel is (of hem een homoseksuele gerichtheid wordt toegedicht) en afvallig van de islam is. Homoseksuele gerichtheid 15. Voor zover eiser met zijn verwijzing naar een landeninformatiebrief van VluchtelingenWerk Nederland over lhbti’ers in Bangladesh van 8 april 2026 heeft betoogd dat hij als homoseksuele man verdragsvluchteling is, slaagt dat betoog niet. De minister is, gelet op wat hiervoor onder 13 is overwogen, terecht tot de conclusie gekomen dat de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser te maken zal krijgen met de in die landeninformatiebrief genoemde problemen. Toegedichte homoseksuele gerichtheid 16. Eiser heeft aangevoerd dat hij in een YouTube-stream (onder vermelding van zijn eigen naam) heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat deze stream online is terug te kijken. Voor zover eiser hiermee betoogt dat de Bengaalse autoriteiten hem ten minste een homoseksuele gerichtheid zouden kunnen toedichten, slaagt dit betoog niet. Nog daargelaten dat er geen aanwijzingen zijn dat de Bengaalse autoriteiten van het bestaan van deze video op de hoogte zijn, wijst de minister er terecht op dat het een YouTube-video van acht uur lang is waarin eiser relatief kort (tien minuten) spreekt en niet in beeld is. De enige link met eiser zou zijn naam kunnen zijn die gedurende dit gesprek in beeld is, maar de minister stelt zich daarover terecht op het standpunt dat Bangladesh 177 miljoen inwoners telt en het daarom voor de hand ligt dat er mensen zijn die dezelfde naam als eiser dragen, zodat de video onvoldoende tot eiser te herleiden valt. Afvalligheid 17. Eiser betoogt verder dat hij als gevolg van zijn afvalligheid van de islam verdragsvluchteling is. Dat in Bangladesh vrijheid van godsdienst wordt gegarandeerd en dat het geen streng islamitisch land is, wil nog niet zeggen dat afvalligheid van de islam in de praktijk wordt geaccepteerd. Afvalligheid is misschien niet verboden, maar kan wel leiden tot sociale discriminatie, bedreigingen of geweld, al dan niet door radicale islamitische groeperingen. De Bengaalse autoriteiten slagen er niet in om atheïsten en andere religieuze groeperingen hier effectief tegen te beschermen. Daar komt nog bij dat het online belasteren van de islam wél strafbaar is en kan leiden tot een gevangenisstraf van tien jaar. Het zal in het geval van eiser snel duidelijk worden dat hij afvallig is en anders zal hem daar snel naar worden gevraagd, omdat hij zich niet houdt aan islamitische leefregels. Bovendien zal van eiser worden verwacht dat hij stopt met het publiceren van YouTube-video’s, terwijl het voor eiser belangrijk is om die video’s te blijven maken. Dat eiser pas in Nederland is begonnen met het publiceren van video’s is volgens hem niet relevant: pas hier had hij de tijd en gelegenheid om dat te doen. 17.1. Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet vanwege zijn afvalligheid van de islam verdragsvluchteling is. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatiebrief volgt dat de Bengaalse grondwet een vrijheid van godsdienst garandeert en dat religieuze minderheidsgroepen volgens informatie uit 2025 weinig risico lopen “om te worden gearresteerd of vastgezet voor het beledigen van de islam.” Het is daarom niet aannemelijk dat eiser als gevolg van zijn afvalligheid of als gevolg van zijn YouTube-video’s (afgezien nog van de vraag of de Bengaalse autoriteiten daarmee bekend zijn) een gegronde vrees voor vervolging door de Bengaalse autoriteiten heeft. In zoverre wordt ook niet van eiser verwacht dat hij stopt met het maken van YouTube-video’s. De landeninformatiebrief vermeldt wel dat religieuze minderheidsgroepen te maken kunnen krijgen met onder andere maatschappelijke afkeuring en aanvallen door radicale islamitische groeperingen. Maar daarmee is niet gezegd dat eiser daar zelf ook mee te maken zal krijgen. Eiser zal dat moeten individualiseren, en heeft dat niet gedaan. Bovendien valt uit de landeninformatiebrief niet af te leiden dat de Bengaalse autoriteiten, zo nodig, geen effectieve bescherming bieden. In de landeninformatiebrief staat weliswaar dat de Bengaalse autoriteiten moeite hebben om effectieve bescherming te bieden aan religieuze minderheden, maar de minister wijst er terecht op dat de onderliggende bron betrekking heeft op hindoes en Ahmadi’s, en niet op afvalligen of agnosten (waartoe eiser zich rekent). Mocht de minister eiser een terugkeerbesluit opleggen? 18. Eiser betoogt dat de minister hem, nog los van de problemen uit zijn asielrelaas, geen terugkeerbesluit mocht opleggen. Eiser heeft in Bangladesh niemand meer en de Bengaalse autoriteiten werken niet mee om de identiteit van eiser te erkennen en (reis)documenten te verstrekken. 18.1. Dit betoog slaagt niet. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. De afwijzing van een asielaanvraag heeft van rechtswege tot gevolg dat tegen eiser een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. De wet biedt de minister geen mogelijkheid om van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit af te zien, zodat de genoemde persoonlijke omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat een terugkeerbesluit achterwege had moeten blijven. Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser daarom niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Vergelijk artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026. Eiser wijst op de Werkinstructie (WI) 2021/13, p. 7-8. Eiser wijst op Rb. Den Haag 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21099, r.o. 8.1; Rb. Den Haag (zp Utrecht) 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19105, r.o. 10. Zie de WI 2021/13, p. 7. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 8. Zie de WI 2019/17, p. 2. Eiser wijst op de WI 2019/17, p. 5 en op de uitspraken Rb. Den Haag (zp Roermond) 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2949; Rb. Den Haag (zp Middelburg) 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1610; Rb. Den Haag (zp Haarlem) 23 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23354. Zie de WI 2019/17, p. 2-3, 5. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 15-16. Vergelijk ook het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 14-15 en 23-24. Zie het voornemen van 5 maart 2026, p. 5-6. Eiser wijst op de WI 2019/17, p. 5. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 20. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 20. Zie de zienswijze van 8 maart 2026, p. 2. Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Haarlem) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26424; Rb. Den Haag (zp Utrecht) 25 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3968; Rb. Den Haag (zp ’s-Hertogenbosch) 15 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1103; Rb. Den Haag (zp ’s-Hertogenbosch) 9 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11257. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 15-16. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 17, 22 en 25. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 7. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 16. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 23. Zie het verslag van het nader gehoor van 3 maart 2026, p. 14-15, 19, 23 en 27. Eiser wijst op een landeninformatiebrief van VluchtelingenWerk Nederland van 8 april 2026 over de positie van afvalligen en bekeerlingen in Bangladesh (met onder meer een verwijzing naar het rapport ‘Country Policy and Information Note Bangladesh: Religious minorities and atheists’ van juni 2025 en het jaarrapport van Amnesty International over Bangladesh van 2024, gepubliceerd in april 2025) en op het artikel ‘Religion’s Encroachment on Secularism in Bangladesh’ van Free Inquiry van december 2024 en januari 2025. Vergelijk paragraaf C2/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026. Dat volgt uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.