ECLI:NL:RBDHA:2026:20142
Rechtbank Den Haag · 2026-07-17 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Eritrea opvolgende aanvraag – de rechtbank wordt indien zij gebruik wil maken van haar Unierechtelijke bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming, niet beperkt door de afdoeningsmodaliteit die verweerder in zijn besluit heeft gekozen. De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten. Het kan immers niet zo zijn dat verweerder in staat moet worden geacht om de Unierechtelijke bevoegdheden van de rechter te beperken of te begrenzen. De rechtbank willigt wel het verzoek van verweerder in om alsnog alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen inhoudelijk te beoordelen omdat dit ook tot een inwilligend besluit kan leiden. De rechtbank wijst verweerder in deze fase van de procedure reeds op het arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur waaruit de rechtbank onder meer afleidt dat een terugkeerbesluit niet kan worden ‘gesplitst’ in een terugkeerverplichting voor de derdelander en een terugkeerverplichting voor verweerder. Gelet op het landgebonden beleid dat verweerder voert, geeft de rechtbank verweerder mee om in zijn nieuw te nemen besluit, indien verweerder niet tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag overgaat, uitdrukkelijk te motiveren waarom hij al dan niet een terugkeerbesluit oplegt.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.26068 Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1981, Eritrese nationaliteit, V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. J.P. van Mulken), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. N. Joseph). Procesverloop Eiser heeft op 14 februari 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (geregistreerd onder NL.24.33777). De rechtbank heeft verweerder op 6 juli 2026 verzocht om het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag aan het dossier toe te voegen en om een verweerschrift uit te brengen. Verweerder heeft bij brief van 10 juli 2026 aangegeven niet te voldoen aan het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift uit te brengen omdat verweerder meent dat het besluit voor zich spreekt en heeft hierbij aangeven dat eventuele vragen van de rechtbank desgewenst ter zitting zullen worden beantwoord. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 17 juli 2026 heropend om een tussenuitspraak te doen. Overwegingen 1. Eiser is afkomstig uit Eritrea en heeft op 24 augustus 2018 een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vijf jaar in militaire dienst in Eritrea heeft gediend. Hij heeft in 2009 verlof gekregen en is vervolgens gedeserteerd. Daarnaast stelt eiser dat hij problemen heeft ondervonden omdat zijn moeder wordt aangemerkt als Buda, iemand die duivelse krachten bezit. Volgens eiser zorgde dit ervoor dat hij en zijn familie werden uitgesloten van de samenleving. Eiser stelt tevens dat hij Eritrea illegaal heeft verlaten. 2. Bij besluit van 25 mei 2020 heeft verweerder deze asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft het ongeloofwaardig geacht dat eiser in militaire dienst heeft gediend. Daarom is zijn stelling dat hij is gedeserteerd ook ongeloofwaardig geacht. Eiser is gevolgd in zijn verklaringen over zijn moeder, maar dit is geen directe reden voor zijn vertrek geweest omdat hij pas geruime tijd nadat hij wist dat zijn moeder als Buda werd beschouwd, Eritrea heeft verlaten. Verweerder heeft overwogen dat eiser consistent heeft verklaard over de topografische elementen van zijn gestelde illegale uitreis. Verweerder volgt eiser desondanks niet op het punt dat hij illegaal vertrokken is. Hierbij betrekt verweerder het overleggen van valse documenten door eiser, dat de gestelde problemen over militaire dienst ongeloofwaardig zijn geacht waardoor de aanleiding tot het gestelde illegale vertrek ontbreekt en dat eisers verklaringen over de uitreis oppervlakkig zijn. 3. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft in de uitspraak van 25 februari 2021 het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard en geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gestelde illegale uitreis ongeloofwaardig is geacht (ECLI:NL:RBDHA:2021:1873). 4. Bij besluit van 29 maart 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. De militaire dienst en desertie zijn ongeloofwaardig geacht en dit doet reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde illegale uitreis. Ook over de illegale uitreis zelf heeft eiser volgens verweerder ongeloofwaardig verklaard. Zo heeft hij niet aannemelijk verklaard over het moment waarop hij illegaal is uitgereisd. Niet valt in te zien dat eiser niet eerder is vertrokken maar pas na zijn verlof. Ook heeft eiser volgens verweerder tegenstrijdig verklaard over de duur van zijn verblijf bij zijn vader in Omhajer. Verweerder volgt de verklaringen van eiser over zijn illegale uitreis niet. Verder ziet verweerder niet in dat eiser niet weet of hij door de autoriteiten wordt gezocht en of ze zijn moeder hebben bezocht. Hij heeft namelijk nog contact met zijn moeder dus hij zou hiervan op de hoogte kunnen zijn. Dat doet volgens verweerder afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde illegale uitreis. De correcte verklaringen over de topografische elementen zijn onvoldoende om de gestelde illegale uitreis aannemelijk te maken. 5. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle heeft in de uitspraak van 29 juni 2022 (ECLI:NL:RBOVE:2022:1884) het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in de uitspraak van 5 augustus 2022 het hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2022:2284). 6. Op 14 februari 2023 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Het besluit van 22 augustus 2024 op deze asielaanvraag ligt in deze procedure ter beoordeling voor. 7. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag getuigenverklaringen, een registratie van de UNHCR en een rapport van VWN overgelegd. 8. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw en heeft daar de volgende argumenten aan ten grondslag gelegd: -Geen authentieke documenten: in het voornemen is uiteengezet waarom de overgelegde stukken niet als relevant element of bevinding kunnen worden gezien. Nu gedetailleerd uiteen is gezet waarom de overgelegde stuken niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit wordt verwezen naar het voornemen. -Getuigenverklaringen: hoewel sprake is van elementen die nieuw zijn, wordt overwogen dat die nieuwe elementen en bevindingen de kans op verblijf niet aanzienlijk groter maken. De stukken en verklaringen kunnen niet afdoen aan wat in de eerdere besluitvorming is overwogen. -De duiding door de Afdeling van het arrest LH. - Dat naar de overgelegde stukken is gekeken en dat daarmee de drempel van ontvankelijkheid is gepasseerd en dat daarmee onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat er geen waarde kan worden toegekend aan de UNHCR-registratie in combinatie met de landeninfo en bronnen, volgt verweerder niet. -Illegale wijze uitreizen: verweerder onderkent dat veel Eritreeërs op illegale wijze het land verlaten. In eisers geval is in rechte komen vast te staan dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt waarbij landeninformatie, leeftijd en verklaringen bekend waren en ook zijn betrokken. Eiser is er niet in geslaagd om zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken. Verweerder volgt eiser niet in zijn standpunt dat in het voornemen onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom eisers illegale uitreis ongeloofwaardig is. In de vorige procedure is uiteengezet waarom dit niet geloofwaardig is geacht. Toen heeft eiser ook verklaard dat hij geregistreerd was bij de UNHCR. De ongeloofwaardigheid van de illegale uitreis staat in rechte vast. Vervolgens is uiteengezet waarom wat eiser in deze procedure heeft ingebracht, niet kan leiden tot een andere conclusie. Dat uit stukken niet blijkt dat mensen die legaal uitreizen zich melden bij UNHCR maakt volgens verweerder niet dat van eisers illegale uitreis moet worden uitgegaan. Het ‘EASO-stuk’ vermeld dat 'migranten' zich aanmelden. Dat veel mensen illegaal uitreizen en zich dan in een kamp van de UNHCR melden en dat dit een indicatie is van eisers illegale uitreis, volgt verweerder niet. -Het algemeen ambtsbericht inzake Eritrea van 2022 wordt buiten beschouwing gelaten omdat dit niet ziet op de algemene situatie ten tijde van eisers vertrek. Nu de informatie van VWN ook niet ziet op periode van gestelde vertrek, valt niet in te zien dat voor deze informatie wat anders zou gelden. Dit is algemene informatie die al bekend was ten tijde van de vorige asielaanvraag. Ook uit hieruit blijkt dat het moeilijk is om legaal uit te reizen en dat is in de vorige procedure al onderkend. -Originele registratiekaart: het komt voor rekening en risico eiser dat hij deze is kwijtgeraakt en het is aan hem om verklaringen af te leggen over wijze van verkrijging van document. Dat heeft hij nagelaten. Deze kaart kan niet afdoen aan wat in eerdere besluitvorming in rechte vast is komen te staan. -Geboortedatum registratiekaart: dat de geboortedatum overeen zou komen met id-kaart maakt niet dat niet kan worden tegengeworpen dat er een andere datum op het document staat. Geen originele id-kaart overgelegd en wisselende geboortejaren opgegeven. -Broer en zus: dat zij bescherming hebben gekregen in de Unie betekent niet dat van eisers uitreis en desertie moet worden uitgegaan. Ook wordt niet gevolgd dat ervan moet worden uitgegaan dat zij eisers broer en zus zijn. -Verklaringen van derden: in het voornemen is overwogen waarom deze verklaringen niet als relevant nieuw element of bevinding kunnen worden aangemerkt. -Bewijsnood: verweerder erkent dat het zeer moeilijk is voor eiser om met documenten te onderbouwen dat hij illegaal is uitgereisd. Dat op grond van landeninformatie en wat eiser heeft overgelegd moet worden aangenomen dat hij daadwerkelijk is uitgereisd en dat hij gedeserteerd is, volgt verweerder niet. In vorige procedure heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij illegaal is uitgereisd. Ook heeft eiser valse documenten overgelegd in die procedure. In deze procedure zijn geen elementen aangevoerd die kunnen afdoen aan eerdere besluitvorming, daarom kan worden verwezen naar hetgeen in de eerdere procedure is overwogen. 9. Eiser heeft in beroep onder meer het navolgende aangevoerd: -Er is sprake van nieuwe elementen en bevindingen. In geschil is de vraag of deze nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken op de verlening van internationale bescherming. -Verweerder heeft de inhoud van de elementen en bevindingen onderzocht en daarmee is de drempel van de ontvankelijkheid genomen. De inhoudelijke waardering van die elementen en bevindingen kan niet ten grondslag kan worden gelegd aan de beslissing om een opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. -Verweerder moet slechts vaststellen of er nieuwe elementen en bevindingen zijn en of deze verband houden met het asielrelaas zoals eerder in procedure naar voren gebracht. Dit is hier het geval, er zijn nieuwe elementen en bevindingen (getuigenverklaringen en een UNCHR-registratie) waaruit blijkt dat eiser illegaal is uitgereisd of waaruit een indicatie om dit aan te nemen bestaat. De kans op een inwilligende beschikking is groter wanneer voldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser illegaal is uitgereisd. Dan komt eiser volgens geldend landenbeleid in aanmerking voor internationale bescherming. Hiermee is voldaan aan het ontvankelijkheidsvereiste zoals dat is verduidelijkt in het arrest LH. -Verweerder heeft de documenten inhoudelijk beoordeeld en dus de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeeld, wat betekent dat de drempel van ontvankelijkheid hiermee al is gepasseerd. Het is onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd dat de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard. -Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser illegaal is uitgereisd. Bekend is dat Eritreeërs over het algemeen illegaal uitreizen. Eiser is geregistreerd in het kamp Shegarab en is daar als vluchteling opgevangen. Gelet op zijn leeftijd en wat uit landeninformatie en algemene bronnen bekend is en uit zijn eigen verklaringen volgt dat hij Eritrea illegaal is uitgereisd. -Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij is geregistreerd door UNCHR en is daarmee zijn illegale uitreis aannemelijk. Verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de registratie in samenhang met de landeninformatie en bronnen en de getuigenverklaringen onvoldoende zou zijn om de illegale uitreis aannemelijk te achten. 10. De rechtbank zal een tussenuitspraak doen en motiveert dit als volgt. 11. De rechtbank heeft partijen de vraag voorgehouden of de rechtbank, indien zij gebruik wil maken van haar Unierechtelijke bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser en de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming, beperkt wordt door de afdoeningsmodaliteit die verweerder in zijn besluit heeft gekozen. Eiser meent van niet. Verweerder meent van wel. 12. De rechtbank overweegt dat dat het Hof in haar uitspraak van 4 juni 2026 in de zaken C-198/25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440/25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448) (onder meer) het navolgende voor recht heeft verklaard: (…) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken. (…) 13. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht en de verduidelijking hiervan door het Hof geen enkele indicatie blijkt dat de rechter in eerste aanleg is beperkt in de omvang van de rechterlijke controle van een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming. Dat verweerder in de onderhavige opvolgende procedure meent bevoegd te zijn om de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en daardoor, naar eigen zeggen, de aangedragen nieuwe elementen en bevindingen niet inhoudelijk heeft beoordeeld doet hier niet aan af. De administratieve fase is weliswaar een essentiële fase in de procedure, maar die fase is reeds doorlopen. Indien verweerder de keuze maakt om gebruik te maken van een (gestelde) bevoegdheid om de overgelegde bewijsmiddelen niet inhoudelijk te beoordelen alvorens de opvolgende aanvraag af te wijzen, brengt dit dus geen beperking van de omvang van de bevoegdheid van de rechter mee om alle door eiser aangedragen bewijsmiddelen in alle procedures integraal te beoordelen en het geschil finaal te beslechten. Het kan immers niet zo zijn dat verweerder in staat moet worden geacht om de Unierechtelijke bevoegdheden van de rechter te beperken of te begrenzen. De rechtbank wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 8 februari 2024 in de zaak A.A. (C-216/22, ECLI:EU:C:2024:122) en naar de Conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta van 19 maart 2026 in de gevoegde zaken Ramodi en Kirkuk (C-7/25 en C-8/25, ECLI:EU:C:2026:228). 14. Verweerder heeft ter zitting verzocht om, indien de rechtbank een bindende uitspraak wil doen over de geloofwaardigheid van het relaas en over de gegrondheid van de asielaanvraag, een termijn te krijgen om de overgelegde nieuwe elementen en bevindingen alsnog inhoudelijk te beoordelen. Eiser heeft aangegeven dit niet nodig te vinden omdat verweerder reeds de gelegenheid heeft gehad om zich een inhoudelijk oordeel te vormen over de nieuw aangedragen bewijsmiddelen. 15. De rechtbank zal verweerder wel de gelegenheid bieden om nogmaals te beoordelen of de opvolgende asielaanvraag van eiser moet worden ingewilligd. Deze inhoudelijke beoordeling van alle aangedragen bewijsmiddelen kan namelijk ook leiden tot de inwilliging van de aanvraag. De rechtbank overweegt hierbij dat de verduidelijking die het Hof in haar arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. (C-921/19, ECLI:EU:C:2021:4780) heeft gegeven tot de conclusie leidt dat verweerder de opvolgende aanvraag van eiser niet kan afdoen als niet-ontvankelijk. De rechtbank zal dit, indien nodig, motiveren in de eventuele einduitspraak. De rechtbank stelt verweerder dus in de gelegenheid om de in deze procedure aangedragen nieuwe elementen en bevindingen in onderlinge samenhang met alle door eiser afgelegde verklaringen, overige aangedragen bewijsmiddelen en andere relevante informatie, zoals landeninformatie, te beoordelen en opnieuw te onderzoeken of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van vier weken. Indien verweerder het geraden acht om eiser nogmaals te horen en dit niet mogelijk is binnen deze termijn, kan verweerder zich tot de rechtbank wenden om een gemotiveerd verzoek om aanhouding te doen, dat de rechtbank dan welwillend zal beoordelen om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten. 16. De rechtbank wijst verweerder tot slot in deze fase van de procedure reeds op het arrest van het Hof van 26 maart 2026 in de zaak Tadmur (C-202/25, ECLI:EU:C:2026:257) en de einduitspraak van 6 mei 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats in de procedure die tot het arrest Tadmur heeft geleid (ECLI:NL:RBDHA:2026:10757). Uit dit arrest leidt de rechtbank onder meer af dat, kort gezegd, een terugkeerbesluit niet kan worden ‘gesplitst’ in een terugkeerverplichting voor de derdelander en een terugkeerverplichting voor verweerder. Uit het landgebonden beleid van verweerder volgt dat verwijdering naar Eritrea, zowel na legale als illegale uitreis, niet kan plaatsvinden vanwege het beginsel van non-refoulement en dat vrijwillige terugkeer alleen mogelijk is als de vreemdeling legaal, met een geldig document voor grensoverschrijding en uitreisvisum is uitgereisd (paragraaf C9/13.8 Vc). De rechtbank geeft verweerder mee om in zijn nieuw te nemen besluit, indien verweerder niet tot inwilliging van de opvolgende asielaanvraag overgaat, uitdrukkelijk te motiveren waarom hij al dan niet een terugkeerbesluit oplegt. 17. De rechtbank zal verweerder dus in de gelegenheid stellen om opnieuw op de opvolgende aanvraag van eiser te beslissen. Eiser zal een termijn van twee weken krijgen om te reageren op dit besluit. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Beslissing De rechtbank: -stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de asielaanvraag die eiser op 14 februari 2023 heeft ingediend; -stelt eiser in de gelegenheid om binnen twee weken na bekendmaking van het besluit hierop te reageren; -houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juli 2026. Informatie over hoger beroep Tegen deze tussenuitspraak staat geen hoger beroep open. Hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.