ECLI:NL:RBDHA:2026:20090
Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Gambia, zwaarwegendheid, bekering christendom, geen reële vrees voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4593 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt namelijk dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging of ernstige schade vanwege zijn bekering tot het christendom in Gambia, niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers medische problematiek geen grond voor een asielvergunning vormt, en verder in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 wordt onderzocht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde van eiser en gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Zijn familie is streng islamitisch en eiser is op jonge leeftijd door zijn vader naar een Koranschool in Senegal gestuurd, samen met een neef en broer. Dit was een strenge school en kinderen werden daar mishandeld. In 2013 is eiser samen met zijn broer en neef ontsnapt en daarna via Libië naar Europa gereisd. In 2022 kwam hij aan in Nederland en vroeg hier asiel aan. In Nederland is eiser bekeerd tot het christendom. Eisers zus is op de hoogte van de bekering en hij is telefonisch bedreigd door een broer. Hij vreest bij terugkomst naar Gambia voor ernstige fysieke mishandeling, met mogelijk de dood tot gevolg, en discriminatie door zijn familie of de gemeenschap. Eiser heeft ook ernstige psychische problematiek en kan zich in Nederland al niet zelfstandig handhaven. Om die reden zal hij zich ook niet elders in Gambia kunnen vestigen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit, herkomst en de bekering tot het christendom. Deze worden geloofwaardig geacht. De minister acht de vrees van eiser voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk. Wat betreft de medische situatie van eiser heeft de minister een afzonderlijk onderzoek ingesteld en wordt eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend. 4.1. De minister heeft ter zitting verduidelijkt dat de minister de bekering geloofwaardig acht, maar dat de vrees voor vervolging en ernstige schade niet aannemelijk worden geacht en dat aan een beoordeling van de zwaarwegendheid dus niet is toegekomen. Acht de minister de vrees van eiser voor vervolging of ernstige schade terecht niet aannemelijk? 5. Eiser betoogt dat de minister zijn vrees voor vervolging of ernstige schade ten onrechte niet aannemelijk acht. Eiser heeft namelijk in zijn nader gehoor gespecificeerd dat hij individueel te vrezen heeft van zijn familie en de gemeenschap . Zijn zus heeft weet van zijn bekering en zijn oudste broer heeft eiser bedreigd. Hij vreest voor allerlei vormen van discriminatie en mishandeling. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt van vervolging van (bekeerde) christenen door familie en gemeenschap. De minister gaat daar in de besluitvorming ten onrechte niet specifiek op in, terwijl de minister zelf geen rapportage of ambtsbericht heeft overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Het is onvoldoende dat de minister stelt dat de autoriteiten bescherming bieden, omdat dit nergens uit blijkt. In Gambia zal hij zijn bekering dus moeten ontkennen en verborgen houden. Dat kan niet van hem verlangd worden. Daarbij is van belang dat eiser vanwege zijn zware medische psychische problemen niet zelfredzaam is. 5.1. De beroepsgrond slaagt niet. Hierna licht de rechtbank haar overwegingen toe. Allereerst gaat de rechtbank in op de algemene mensenrechtensituatie in Gambia, de vrijheid van godsdienst, de bescherming door de autoriteiten hiervan, en hoe verschillende religies in Gambia met elkaar samenleven. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vrees die eiser heeft voor zijn gemeenschap en voor zijn familie. Hierbij gaat de rechtbank ook in op het standpunt van de minister dat eiser zich elders in Gambia kan vestigen en niet gehouden is terug te keren naar zijn familie en gemeenschap. Ten slotte gaat de rechtbank in op het betoog van eiser dat hij in Gambia niet zelfredzaam zal zijn vanwege zijn medische problematiek. Mensenrechtensituatie in Gambia; vrijheid van godsdienst 5.2. De minister neemt terecht als uitgangspunt dat de Gambiaanse staat de vrijheid van godsdienst respecteert en beschermt. Dit is vastgelegd in de grondwet en volgt ook uit de website van het US State Department waar meerdere rapporten over Gambia te vinden zijn, waarnaar de minister verwijst. Vervolgens stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hoewel uit landeninformatie blijkt dat er mogelijk niet-statelijke groepen zijn die tegen het christelijk geloof zijn, het algehele beeld dat uit de bronnen naar voren komt is dat moslims en christenen in Gambia goed met elkaar samenleven. Zo beschrijft het door eiser overgelegd artikel van UNESCO een conferentie van religieuze organisaties mede georganiseerd door de Verenigde Naties. Beschreven wordt dat religies al generaties lang goed samenleven, waarbij in veel huishoudens interreligieus samenleven de norm is en gemeenschappen niet alleen door het geloof, maar ook door verwantschap (‘kinship’), buurtgenootschap (‘neighbourhood’) en vriendschap, met elkaar verbonden zijn. Wel werd met zorg gesproken over de druk op deze verworvenheden en de opkomst van ‘hate speech’ en polarisatie. Dit duidt echter niet op geweld of onderdrukking door de autoriteiten. In het World Watch Research rapport 2024 staat Gambia relatief gunstig op plaats 73 van 78 landen die zijn onderzocht op onderdrukking van christenen, waarbij plaats 78 het meest gunstig is en plaats 1 (Noord-Korea) het minst gunstig. Ook dat wijst niet op structurele onderdrukking van christenen. De minister wees er ter zitting terecht op dat het in ditzelfde rapport genoemde aantal van 10 gevallen van fysieke of mentale mishandeling van christenen in 2024 en 2023, moet worden afgezet tegen een christenpopulatie van rond 120.000 mensen. Dit wijst op incidenteel, en dus niet structureel, geweld tegen christenen. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat uit de overgelegde bronnen blijkt dat de autoriteiten niet onverschillig staan tegenover de problemen die christenen ondervinden. Zo beschrijft het door eiser overgelegde rapport van Freedom House weliswaar serieuze gebreken wat betreft vrijheden en politiek in Gambia, maar ook aanzienlijke verbeteringen sinds president Barrow aan de macht is. Het rapport vermeldt: “The Barrow Government has maintained that The Gambia is a secular society in which adherents of all faiths can worship freely.” In het rapport wordt melding gedaan van twee incidenten die te maken hebben met vrijheid van godsdienst, waarbij een het uitbreken van religieuze spanningen tussen moslims en christenen in twee steden betreft, en het andere moslims. Hier volgt niet uit dat er sprake is van structureel geweld of onderdrukking van christenen of bekeerlingen. Vrees voor gemeenschap en familie 5.3. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij individueel te vrezen heeft voor zijn familie en gemeenschap. Eiser wijst weliswaar terecht op het World Watch rapport waarin wordt gesteld dat bekeerlingen ten opzichte van de grotere groep christenen, het meest te lijden hebben van druk van de gemeenschap en van vervolging ( persecution ) door familie en ‘extended family’, maar daarmee heeft hij nog niet onderbouwd dat hij zelf te maken zal krijgen met vervolging. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat zijn gemeenschap, buiten zijn familie, weet heeft van zijn bekering. Wat betreft de vrees van eiser voor zijn eigen familie blijkt verder uit eisers verklaringen over zijn broer niet dat deze hem heeft bedreigd vanwege zijn bekering. Eiser heeft over deze bedreiging namelijk gesteld dat die te maken had met zijn vertrek van de Koranschool in Senegal. Dat eisers zus weet heeft van zijn bekering wijst op zichzelf niet op risico voor eiser, omdat eiser niet heeft verklaard over een oordeel van zijn zus over zijn bekering. De rechtbank volgt eiser wel in zijn betoog dat zijn familie op de hoogte zal raken van zijn bekering als hij naar hen terugkeert, nu niet van hem verlangd wordt dat hij die bekering geheimhoudt. Aangezien zijn familie hem in het verleden naar een Koranschool heeft gestuurd, is het ook aannemelijk is dat zijn familie eisers bekering niet zal accepteren als zij daarvan op de hoogte raken. Daarmee is echter nog niet gezegd dat zij hem daadwerkelijk iets zullen aandoen, zodat de minister die vrees terecht onvoldoende onderbouwd heeft geacht. Vestiging in Gambia ergens anders dan bij familie of eigen gemeenschap 5.4. De minister stelt zich daarbij ook terecht op het standpunt dat eiser zich elders in Gambia – uit de buurt of onafhankelijk van zijn familie of zijn eigen gemeenschap – kan vestigen, als hij wel bang is dat zijn familie hem iets zal aandoen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele stelling dat eiser geen sociaal netwerk heeft en niet kan terugvallen op familie of voormalige geloofsgenoten, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer in een onhoudbare positie komt te verkeren. De minister wijst er namelijk terecht op dat in Gambia een aanzienlijke christelijke minderheid aanwezig is. Uit een door eiser overgelegd artikel van HVC volgt dat er christelijke organisaties in Gambia actief zijn die christenen, waaronder ook tot het christendom bekeerden, ondersteunen wanneer zij onveilig zijn of door hun familie zijn verstoten. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij beperkt zal worden in de mogelijkheden om zijn geloof te uiten. Eiser uit zijn geloof namelijk beperkt en hij gaat af en toe naar de kerk. Uit de genoemde openbare bronnen volgt dat dit ook in Gambia mogelijk is. De minister merkt terecht op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn geloof in de toekomst op een andere wijze zal uiten. Zelfredzaamheid 5.5. Eiser betoogt tot slot dat hij zich niet elders in Gambia zal kunnen vestigen omdat hij ook al in Nederland te kampen heeft met ernstige medische problematiek. Met medische stukken en met ondersteunende documenten van de Lutherse Diaconie heeft hij aangetoond dat hij zich alleen met sociale ondersteuning en medische zorg kan handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank staan deze medische problemen in dit geval echter zodanig los van de asielgronden, dat de minister deze daar terecht niet bij heeft betrokken. De asielgronden zien immers op eisers bekering en uit het voorgaande volgt dat een tot het christendom bekeerde moslim zich in Gambia kan vestigen, ook als hij door zijn familie verstoten zou worden. De minister stelt ook terecht dat de medische situatie van eiser niet kan leiden tot een vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Voor een reëel risico op een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM wegens medische problemen geldt een zeer hoge maatstaf, , waaraan niet wordt voldaan. 5.6. Onder deze omstandigheden heeft de minister terecht de asielaanvraag afgewezen. Vanwege de medische problematiek heeft de minister eiser wel tijdelijk uitstel van vertrek gegeven en doet hij onderzoek in het kader van artikel 64 van de Vw 2000. Omdat dit onderzoek nog gaande is, ligt dit in deze zaak niet voor. Conclusie en gevolgen 6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verslag nader gehoor, p. 6. Verslag nader gehoor, p. 17 en 18. Unesco, Gambia’s maiden national conference on religion and hate speech ends on positive note, 13 augustus 2025. Freedom House, Freedom in the World 2024, The Gambia: [website 1] . World Watch Research rapport 2024, p. 15-16. Verslag nader gehoor, p. 18. In het World Watch Research rapport 2024 over Gambia wordt op p. 9 een aantal christenen in Gambia van rond 118.000 (4,5% van de populatie) genoemd. HVC Geloof verbindt, Opvanghuis Gambia, [website 2]. Onder meer een brief van 17 februari 2026 van mw. [persoon A] van de Lutherse Diaconie. EHRM 13 december 2016, Paposhvili t. België. nr. 41738/10.